Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2341

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
10/691188-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld in vereniging en medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/691188-17

Datum uitspraak: 15 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] 2002 te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 1 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uur, subsidiair 30 (dertig) dagen vervangende jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met algemene en bijzondere voorwaarden, onder meer inhoudende dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering en zijn medewerking zal verlenen aan PMT-therapie;

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder feit 2 ten laste gelegde is gelet op de in bijlage II van dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd wettig en overtuigend bewezen. Dit feit zal dan ook zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging/officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verdachte bij het plegen van de straatroof op de uitkijk heeft gestaan.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 (primair en subsidiair) en feit 2 ten laste gelegde in verband met het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde, dan wel het (voorwaardelijk) opzet daarop heeft gehad.

4.2.2.

Beoordeling

Anders dan de officier van justitie en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de verklaring van de aangeefster leidt de rechtbank af dat de aangeefster op enig moment werd gevolgd door twee jongens. Eén van hen zat op een fiets, de ander liep. De aangeefster heeft verder verklaard dat zij een slecht gevoel had bij die jongens.

De verdachte heeft verklaard dat hij op 19 november 2017 samen met de medeverdachte had afgesproken en dat van te voren via Whatsapp is gesproken over ‘kantelen’ en over het meebrengen van het wapen. De verdachte heeft hierbij toegelicht dat met ‘kantelen’ stelen wordt bedoeld. De verdachte is na dit gesprek naar de afspraak met de medeverdachte gegaan.

De medeverdachte heeft verklaard dat van te voren is gesproken over het plan om iemand te gaan beroven en over het meebrengen van een wapen. Op 19 november 2017 zijn zij vervolgens samen op zoek gegaan naar een slachtoffer. Toen zij de aangeefster zagen lopen, is de medeverdachte met het wapen op haar afgegaan en heeft hij haar het wapen getoond. Onder die bedreiging heeft hij de tas van haar schouder gerukt en is hij weggerend. Na de beroving hebben de verdachten elkaar weer getroffen.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachte betrokken is bij het ten laste gelegde feit. Uit zijn handelen volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Immers hebben de verdachten voorafgaand aan de beroving gesproken over ‘kantelen’ en is een wapen meegenomen toen zij op pad gingen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat zij tezamen op pad zijn gegaan met de intentie een beroving te plegen. De verdachte en de medeverdachte zijn ook gezamenlijk achter het slachtoffer aangelopen/gefietst, van welke handeling een dreiging uitging. Het slachtoffer heeft ook verklaard dit zo te hebben ervaren. Toen de medeverdachte de beroving daadwerkelijk pleegde, stond de verdachte even verderop. De rechtbank concludeert uit dit handelen dat de verdachte op de uitkijk heeft gestaan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze handelingen naar de uiterlijke verschijningsvorm, in onderlinge samenhang bezien, maken dat de verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangeefster zou worden beroofd van haar tas. Er is dus sprake van (voorwaardelijk) opzet tot het plegen van de straatroof en van medeplegen.

4.2.3.

Conclusie

Het onder feit 1 primair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 19 november 2017 te Rotterdam op de openbare weg, te weten de Rosestraat, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas (inhoudende: schrijfgerei en schrift(en) en agenda), toebehorende aan [naam slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het (onverhoeds)

- met gezichtsbedekkende kleding van achteren benaderen van die [naam slachtoffer] en

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [naam slachtoffer] en

- van de schouder rukken van de tas van die [naam slachtoffer] ;

2.

hij op 19 november 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor de bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een nabootsing van een vuurwapen/pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 Primair,

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Verdachte was ten tijde van de gepleegde feiten 15 jaar.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een straatroof. De verdachte is samen met de medeverdachte op pad gegaan, op zoek naar een slachtoffer om te beroven. Toen zij de aangeefster zagen lopen, heeft de medeverdachte haar van achteren benaderd en haar met een – naar later bleek – nepvuurwapen bedreigd. Vervolgens heeft de medeverdachte de tas van haar schouder gerukt en is hij weggerend, de aangeefster daarbij ontredderd achterlatend. De verdachte stond tijdens de straatroof op de uitkijk.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke berovingen daartoe nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. De verdachte heeft daarnaast met zijn optreden een grove inbreuk gemaakt op de rechtsorde. De in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid worden door het handelen van de verdachte versterkt.

De verdachte en de medeverdachte hebben bij de straatroof gebruik gemaakt van een nepvuurwapen. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijk op een vuurwapen gelijkend voorwerp is verboden, nu er immers gemakkelijk misbruik van een dergelijk voorwerp gemaakt kan worden, hetgeen hier ook is gebeurd.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 februari 2018.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundige op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 21 februari 2018.

De Raad heeft geadviseerd aan de verdachte een voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met algemene en bijzondere voorwaarden, onder meer inhoudende dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) en een meldplicht, dat de verdachte mee zal werken aan psychologisch onderzoek (naar autisme in het bijzonder) en zal meewerken aan PMT-behandeling. Aan de jeugdreclassering dient opdracht te worden gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. De Raad heeft geconcludeerd dat een voorwaardelijke straf een duidelijk signaal naar de verdachte geeft dat het getoonde gedrag niet wenselijk is. Een dergelijke straf kan ook dienen als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.

De jeugdreclassering heeft ter terechtzitting aangevuld dat de verdachte reeds zijn medewerking heeft verleend aan psychologisch onderzoek dat vanuit school is ingezet. Dit onderzoek bevindt zich in de afrondende fase en hoeft om die reden niet als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf te worden opgelegd. Verder wordt voortzetting van de begeleiding van de jeugdreclassering gezien de problematiek van de verdachte noodzakelijk geacht, om de verdachte duidelijke kaders te bieden en kans op herhaling te verminderen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straffen

Nu de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde feit bewezen heeft verklaard, komt de rechtbank tot een hogere strafoplegging dan door de officier van justitie is gevorderd.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank zal gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte gebaat is bij begeleiding door de jeugdreclassering. De rechtbank zal daarom een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, met als voorwaarde dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering en de voorwaarde dat hij zijn medewerking zal verlenen aan psychomotorische therapie (PMT). Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal verder om recht te doen aan de ernst van de feiten naast de voorwaardelijke jeugddetentie een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur opleggen.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , wonende te Rotterdam, ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 40,99 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 290,99, bestaande uit € 40,99 materiële schade en € 250,-- immateriële schade. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, aldus de officier van justitie.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft eveneens geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met dien verstande dat de hoogte van het gevorderde immateriële schadebedrag, overeenkomstig de conclusie van de officier van justitie dient te worden gematigd. De verdediging heeft zich op dit punt verder gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,--. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 19 november 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 290,99.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd zal meewerken aan psychomotorische therapie (PMT-behandeling), voor zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 290,99 (zegge: tweehonderdnegentig euro en negenennegentig eurocent), bestaande uit € 40,99 aan materiële schade en € 250,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 290,99 (zegge: tweehonderdnegentig euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 290,99 vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Benaissa, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. C.N. Melkert en S. Woudman-Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 maart 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 november 2017 te Rotterdam

op de openbare weg, te weten de Rosestraat,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas

(inhoudende: (een) schrijfgerei en/of schrift(en) en/of agenda), geheel of ten

dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (onverhoeds)

- ( met gezichtsbedekkende kleding) (van achteren) benaderen van die [naam slachtoffer]

en/of

- richten van een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend

voorwerp, op (het hoofd van) die [naam slachtoffer] , althans tonen van een (vuur)wapen,

althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, aan die [naam slachtoffer] en/of

- van de schouder rukken van de tas van die [naam slachtoffer] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[naam medeverdachte] op of omstreeks 19 november 2017 te Rotterdam

op de openbare weg, te weten de Rosestraat,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas

(inhoudende: (een) schrijfgerei en/of schrift(en) en/of agenda), geheel of ten

dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan die [naam medeverdachte] en/of verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (onverhoeds)

- ( met gezichtsbedekkende kleding) (van achteren) benaderen van die [naam slachtoffer]

en/of

- richten van een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend

voorwerp, op (het hoofd van) die [naam slachtoffer] , althans tonen van een (vuur)wapen,

althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, aan die [naam slachtoffer] en/of

- van de schouder rukken van de tas van die [naam slachtoffer] ,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19

november 2017 te Rotterdam opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die

[naam medeverdachte] op de fiets mee te nemen en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp

aan die [naam medeverdachte] te overhandigen en/of op de uitkijk te staan;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 19 november 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7° van de Wet wapens

en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een

door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen

gelijkt dat het voor de bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een

nabootsing van een vuurwapen/pistool, welke door vorm en afmetingen een

sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie