Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2182

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
C/10/536680 / KG ZA 17-1116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot het verkrijgen van toegang tot ziekenhuis van medisch specialist toegewezen. Ziekenhuis veroordeeld tot het voortzetten van samenwerkingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/536680 / KG ZA 17-1116

Vonnis in kort geding van 16 maart 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MKA-CHIRURGEN NOORDRAND ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. W.J.M. van Andel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ANKATES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

(voorheen) eiseres,

3. [eiser],

wonende te [woonplaats] ,

(voorheen) eiser,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 1] PRAKTIJK VOOR KAAKCHIRURGIE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat (thans) mr. J.P. Franx,

5. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat (thans) mr. J.P. Franx.

tegen

de stichting

STICHTING SINT FRANCISCUS VLIETLAND GROEP,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E.J.C. de Jong,

en met als gevoegde partij

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FACEMED B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.H.J. van Rest.

Partijen zullen hierna MKA (eiseres sub 1), [eiser] (eisers sub 2 en 3 gezamenlijk), [eisers] (eisers sub 4 en 5 gezamenlijk), Sint Franciscus (gedaagde) en Facemed (voegende partij) genoemd worden. Sint Franciscus zal hierna ook worden aangeduid met ‘het ziekenhuis’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord van Sint Franciscus

  • -

    de mondelinge behandelingen op 31 oktober 2017, 20 november 2017 en 26 februari 2018

  • -

    de pleitnota’s van MKA, [eiser] en [eiser 1] ,

  • -

    het proces-verbaal van 20 november 2017,

  • -

    de eiswijziging van MKA,

  • -

    de overige ingekomen producties, aktes, e-mails en brieven.

1.2.

Sinds het moment van dagvaarden hebben wisselingen plaatsgevonden wat betreft de belangen en procesvertegenwoordigers van partijen, onder meer als gevolg van de hierna te noemen beslissing van de Ondernemingskamer te Amsterdam.

Mr. Van Andel treedt op als advocaat van MKA. MKA heeft geconcludeerd tot toewijzing van de (ten opzichte van de dagvaarding gewijzigde) vordering III.

Mr. Franx heeft de voorzieningenrechter bericht per 27 december 2017 op te treden als advocaat van [eiser 1] in plaats van mr. S.A. van der Velden.

Namens [eiser] heeft de voorzieningenrechter op 20 februari 2018 bericht ontvangen dat [eiser] zijn vorderingen intrekt, nu tussen [eiser] en Sint Franciscus overeenstemming is bereikt.

1.3.

De voorzieningenrechter heeft op 22 februari 2018 een incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging ontvangen van Facemed. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot tussenkomst ter zitting afgewezen. De vordering tot voeging is toegewezen.

Gronden voor deze beslissingen zijn de volgende.

1.3.1.

Er is sprake van een geschil dat als gevolg van diverse omstandigheden, waaronder de benoeming van een bestuurder met beslissende stem door de Ondernemingskamer, is behandeld in drie mondelinge behandelingen. Het procesdossier bevat vele brieven, e-mails en nadere uitlatingen. Waar de dagvaarding nog sprak over vijf eisers met dezelfde belangen, is inmiddels aan de zijde van eisers sprake van uiteenlopende belangen en vorderingen.

1.3.2.

Na de eerste mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor overleg tussen partijen. Blijkens het voornoemde proces-verbaal heeft de voorzieningenrechter op 20 november 2017 vervolgens op verzoek van MKA de ordemaatregel uitgesproken dat partijen verder zouden onderhandelen. Op 18 december 2017 heeft [eiser 1] vonnis gevraagd.

1.3.3.

Nadat [eiser 1] op 19 december een stapel producties aan de voorzieningenrechter had doen toekomen, met een toelichting inhoudende dat de onderhandelingen niet tot het door hem gewenste resultaat hadden geleid, is aan de overige partijen verzocht zich uit te laten over de producties en de vraag of een nadere mondelinge behandeling gewenst was.

Vervolgens is na ontvangst van de reacties een derde mondelinge behandeling gepland.

1.3.4.

Gelet op dit verloop van de procedure en het (late) moment waarop de incidentele vordering tot tussenkomst is ingekomen, zou toewijzing van de vordering tot tussenkomst in strijd zijn met de goede procesorde. De zaak was reeds in een afrondende fase en verder uitstel of uitbreiding van het geschil tot nieuwe geschilpunten wegens een nieuwe vordering van Facemed diende gelet op de belangen van de overige partijen te worden voorkomen.

1.3.5.

De subsidiaire vordering tot voeging is wel toegewezen, Facemed heeft voldoende belang bij voeging aan de zijde van MKA, nu de vordering van MKA ook Facemed, een van de aandeelhouders, aangaat. Niet aannemelijk is dat de overige partijen door de voeging onredelijk worden benadeeld. Strijd met de goede procesorde kan niet worden aangenomen.

1.3.6.

De voorzieningenrechter zal geen proceskostenveroordeling in het incident uitspreken.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

MKA is een onderneming waarin drie kaakchirurgen [persoon 1] , [eiser] en [eiser 1] via hun houdstermaatschappijen ieder 33,3 procent van de aandelen houden, voor [eiser] via de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ankates B.V., voor [eiser 1] via [eiser 1] Praktijk Voor Kaakchirurgie B.V. en voor [persoon 1] via Facemed.

2.2.

[persoon 1] , [eiser] en [eiser 1] zijn ieder (via hun houdstermaatschappijen) ook bestuurder van MKA.

2.3.

MKA is een Samenwerkingsovereenkomst aangegaan met de Sint Franciscus Vlietland Groep, thans genaamd Franciscus Gasthuis & Vlietland (hierna: Sint Franciscus).

Deze overeenkomst bevat een arbitraal beding (Scheidsgerecht Gezondheidszorg) met dien verstande dat partijen een voorlopige voorziening kunnen vragen aan de bevoegde voorzieningenrechter. Bijlage 2 Overige algemene verplichtingen bepaalt in art. 13.1 dat de Raad van Bestuur van Sint Franciscus, na overleg met het bestuur van MKA, een door MKA ingezette medisch specialist de toegang tot het ziekenhuis ontzeggen op grond van omstandigheden van zo ernstige aard of een gegrond vermoeden van zodanige aard dat aanwezigheid van die medisch specialist (…) in het ziekenhuis niet langer kan worden geaccepteerd.

2.4.

Tussen enerzijds [persoon 1] en anderzijds [eiser] en [eiser 1] is een conflict ontstaan, mede over de wijze waarop [persoon 1] sinds januari 2017 behandelingen registreerde in de patiëntenadministratie en (via MKA en Sint Franciscus) liet declareren bij de ziektekostenverzekeraar(s).

2.5.

[eiser] en [eiser 1] hebben Sint Franciscus 19 juni 2017 over de wijze van registratie en declaratie door [persoon 1] geïnformeerd. Sint Franciscus heeft [persoon 1] bij brief van 31 juli 2017 een formele waarschuwing gegeven en heeft aangekondigd een onderzoek te zullen verrichten naar de patiëntenadministratie en declaratiewijze van [persoon 1] .

2.6.

[eiser 1] en [persoon 1] hebben een eigen onderzoek verricht. Op grond van een tijdens dit onderzoek gebleken verdenking van fraude heeft MKA met ingang van 3 augustus 2017 [persoon 1] geschorst. [persoon 1] heeft in kort geding opheffing van de schorsing gevorderd. Die vordering is bij vonnis van 14 september 2017 afgewezen.

2.7.

Op maandag 7 augustus 2017 vond een escalatie plaats tussen [persoon 1] en [eiser 1] toen [persoon 1] ondanks de schorsing zijn spreekuur wilde houden en [eiser 1] hem dit belette. Sint Franciscus heeft vervolgens op 7 augustus 2017 [persoon 1] tijdelijk de toegang tot het ziekenhuis ontzegd. Sint Franciscus heeft deze maatregel op 14 augustus 2017 weer opgeheven omdat geen grond bestond aan de medische kwaliteiten van [persoon 1] te twijfelen.

2.8.

Sint Franciscus heeft [eiser 1] en [eiser] bij brief van 4 september 2017 een formele waarschuwing gegeven over het (oneigenlijke) gebruik dat zij hebben gemaakt van de patiëntenadministratie bij hun onderzoek naar het declaratiegedrag van [persoon 1] .

2.9.

[persoon 1] heeft op 6 september 2017 als zelfstandig bevoegde bestuurder van MKA een enquête-procedure aanhangig gemaakt bij de Ondernemingskamer. Op 20 september 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

2.10.

Bij brief van 25 september 2017 heeft Sint Franciscus met toepassing van art. 13.1 bijlage 2 bij de Samenwerkingsovereenkomst [eiser 1] en [eiser] de toegang tot het ziekenhuis ontzegd op grond van – zakelijk weergegeven – het door [eiser 1] en [eiser] op 25 september 2017 afbreken van het gesprek met de Raad van Bestuur, waardoor de Raad van Bestuur niet in de gelegenheid is gesteld met [eiser 1] en [eiser] te spreken over a) de problemen binnen MKA, nadat is komen vast te staan dat mede-bestuurder/aandeelhouder [persoon 1] opzettelijk onjuist heeft gedeclareerd, b) de negatieve uitlatingen over de Raad van Bestuur tijdens de zitting van de Ondernemingskamer van 20 september 2017, en c) het voornemen van Sint Franciscus de Samenwerkingsovereenkomst op te zeggen.

2.11.

Sint Franciscus heeft de Samenwerkingsovereenkomst met MKA bij brief van 29 september 2017 tegen 1 april 2018 opgezegd op de in art. 11.1.2 van die overeenkomst genoemde grond: Indien wegens een gebrek aan samenwerking door de andere Partij voortzetting (…) redelijkerwijze niet kan worden gevergd (…), alsmede de in art. 11.1.3 genoemde grond: Op grond van (overige) omstandigheden, welke van dien aard zijn dat redelijkerwijze niet kan worden verlangd dat deze Partij de Overeenkomst in stand houdt.

2.12.

Art. 11.2 van de Samenwerkingsovereenkomst bepaalt voor zover hier van belang:

De opzegging (…) dient (…) te geschieden met vermelding van de gronden waarop zij berust, met inachtneming van een opzegtermijn van een half jaar en tegen het einde van een kalenderjaar.

2.13.

MKA c.s. hebben niet uiterlijk binnen dertig dagen na verzending van de opzegging daartegen beroep ingesteld bij het Scheidsgericht Gezondsheidszorg, zoals voorgeschreven in art. 11.4 Samenwerkingsovereenkomst.

2.14.

Bij beschikking van 23 oktober 2017 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van MKA over de periode vanaf maart 2017 en heeft daarbij bij wijze van onmiddellijke voorziening besloten een voorziening te treffen ten aanzien van MKA. Bij beschikking van 25 oktober 2017 is [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) als onderzoeker en [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ) benoemd tot bestuurder met beslissende stem.

2.15.

Na de zitting van 20 november 2017 hebben MKA (vertegenwoordigd door [persoon 3] ), [eiser 1] en [eiser] en Sint Franciscus onderhandeld over voortzetting van de Samenwerkingsovereenkomst en opheffing van de toegangs-ontzeggingen. De toegangsontzegging van [eiser] is opgeheven en [eiser] heeft zijn werkzaamheden in het ziekenhuis hervat. [eiser 1] en Sint Franciscus hebben geen overeenstemming bereikt en Sint Franciscus heeft diens toezeggingsontzegging gehandhaafd. MKA en Sint Franciscus hebben geen overeenstemming bereikt over verlenging van de Samenwerkingsovereenkomst.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] vordert - kort gezegd – opheffing van de aan hem op 25 september 2017 opgelegde toegangsontzegging op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede een rectificatie.

3.2.

MKA vordert – na eiswijziging – Sint Franciscus te veroordelen:

“(iii) tot correcte, volledige en tijdige nakoming van de Samenwerkingsovereenkomst (inclusief daarvan deel uitmakende bijlage), zowel tot aan de datum waartegen door het ziekenhuis is opgezegd, als ook daarna, althans tot en met de datum waarop door het Scheidsgerecht Gezondheidszorg bij arbitraal vonnis is beslist op een door MKA binnen 30 dagen na het wijzen van uw vonnis ingesteld beroep tegen de opzegging van de Samenwerkingsovereenkomst door het ziekenhuis.”

3.3.

Facemed heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van MKA, met veroordeling van MKA, [eiser 1] en Sint Franciscus hoofdelijk in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling niet binnen veertien dagen na het vonnis plaatsvindt.

3.4.

Sint Franciscus voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voldoende voort uit de omstandigheden dat a) [eiser 1] de toegang tot het ziekenhuis is ontzegd en b) dat de overeenkomst met MKA op grond waarvan de kaakchirurgen in het ziekenhuis werken per 1 april 2018 is opgezegd.

Toegangsontzegging [eiser 1]

4.2.

Het gaat hier om een toegangsontzegging van (aanvankelijk) twee medisch specialisten (tandarts/kaakchirurg) tevens aandeelhouders en bestuurders van MKA, die op grond van de Samenwerkingsovereenkomst van MKA met het ziekenhuis (waarbij het ziekenhuis de specialistische tandheelkunde zorg exclusief heeft uitbesteed aan MKA) toegang hadden tot het ziekenhuis om deze zorg te verlenen.

4.3.

In de brief van 25 september 2017 waarbij de toegang is ontzegd aan [eiser 1] (en [eiser] ) gaat het om een verstoorde samenwerking tussen MKA en de Raad van Bestuur, in verband met door de Raad van Bestuur als onaanvaardbaar ervaren gedrag (negatieve uitlatingentijdens een zitting van de Ondernemingskamer en het weglopen uit een gesprek met de Raad van Bestuur).

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn deze omstandigheden niet van zo ernstige aard dat aanwezigheid van [eiser 1] (en [eiser] ) als medisch specialist in het ziekenhuis niet langer kon worden geaccepteerd. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de genoemde omstandigheden in de weg stonden aan behoorlijke nakoming van de Dienstverlening (zoals gedefinieerd in de Samenwerkingsovereenkomst).

4.4.1.

Het afbreken van een gesprek met de Raad van Bestuur is hiervoor - gelet op de omstandigheden in september 2017 – onvoldoende. Hetzelfde geldt voor negatieve uitlatingen over de Raad van Bestuur tijdens de zitting van de Ondernemingskamer.

De voorzieningenrechter neemt hierbij de volgende omstandigheden in aanmerking:

  • -

    na de melding door [eiser 1] en [eiser] eind juni 2017 van de verdenking van fraude door [persoon 1] heeft de Raad van Bestuur de volgende maatregelen tegen de van fraude verdachte medische specialist genomen (in de brief van 31 juli 2017 in de brief van 31 juli 2017 ): een schriftelijke waarschuwing en de aankondiging van een onderzoek naar het declaratiegedrag;

  • -

    MKA was daardoor genoodzaakt zelf maatregelen te nemen (de schorsing van 3 augustus 2017) en een eigen onderzoek uit te voeren in de administratie;

  • -

    de Raad van Bestuur heeft MKA weinig steun geboden bij het nemen van maatregelen tegen [persoon 1] : de tijdelijke toegangsontzegging van [persoon 1] op 7 augustus 2017 (toen [persoon 1] ondanks de schorsing door MKA zijn praktijk wilde gaan voeren in het ziekenhuis) is op 14 augustus 2017 weer ingetrokken;

  • -

    aldus heeft de Raad van Bestuur de oplossing van het door de fraudeverdenking gerezen probleem grotendeels aan MKA overgelaten;

  • -

    de Raad van Bestuur heeft vervolgens wel druk heeft uitgeoefend op de twee andere medische specialisten door in het gesprek van 30 augustus 2017 te eisen dat op korte termijn een door alle drie de betrokken medisch specialisten ondertekend protocol over declaratiegedrag werd overgelegd en te dreigen met maatregelen indien niet uiterlijk 15 september 2017 een dergelijk ook door [persoon 1] ondertekend protocol werd overgelegd;

  • -

    de schriftelijke waarschuwing aan [eiser 1] en [eiser] van 4 september 2017 over misbruik van patiëntengegevens ten behoeve van hun eigen onderzoek naar frauduleus declaratiegedrag van [persoon 1] heeft evenmin bijgedragen aan een goede samenwerking tussen [eiser 1] en [eiser] , juist waar dit na de gerezen fraudeverdenking hard nodig was.

4.4.2.

Tegen deze achtergrond kan het door [eiser 1] en [persoon 1] op 25 september 2017 afbreken van het gesprek met de Raad van Bestuur - hoewel onverstandig - niet als een voldoende grond voor een toegangsontzegging worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de negatieve uitlatingen over de Raad van Bestuur tijdens de zitting van de Ondernemingskamer op 20 september 2017, waarbij nog wordt aangetekend dat het grote belang van waarheidsvinding in rechte mee kan brengen dat andere belangen daarvoor dienen te wijken.

4.5.

Ook de ontwikkelingen na 25 september 2017 zijn onvoldoende om een ingrijpende maatregel als toegangsontzegging te kunnen handhaven.

4.5.1.

De inzage in de patiëntenadministratie van [persoon 1] – waarvoor de Raad van Bestuur op 4 september 2017 een formele waarschuwing heeft gegeven – wordt in beginsel gerechtvaardigd door het eigen belang van MKA onderzoek te verrichten naar de verdenking van frauduleus declaratiegedrag, te meer nu het ziekenhuis het nemen van maatregelen tegen [persoon 1] (de schorsing) aan MKA overliet en MKA het onderzoek in de patiëntenadministratie heeft verricht om de schorsing in rechte te kunnen onderbouwen.

4.5.2.

De meldingen aan de Nederlandse Zorgautoriteit en aan DSW door MKA worden gerechtvaardigd door de eigen verantwoordelijkheid van MKA als medisch zorgverlener en kunnen haar niet worden tegengeworpen, en daarmee ook niet aan [eiser 1] (of [eiser] ).

4.5.3.

Het mislukken van de onderhandelingen tussen [eiser 1] en de Raad van Bestuur over de voorwaarden waaronder [eiser 1] weer toegang zou krijgen tot zijn praktijk in de locatie Vlietland ziekenhuis kan niet in overwegende mate aan alleen [eiser 1] worden verweten. Art. 13.2 van bijlage 2 bepaalt immers dat indien het besluit tot ontzegging van de toegang achteraf ongegrond blijkt het ziekenhuis en MKA in overleg treden over schadevergoeding. Het onderwerp schadevergoeding lag daarmee op tafel.

4.6.

Naar voorlopig oordeel is de toegangsontzegging van [eiser 1] ten onrechte opgelegd en ten onrechte nadien gehandhaafd. Voor de beslissing of en zo ja welke voorlopige voorziening passend en nodig is, dient een belangen afweging plaats te vinden.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [eiser 1] zijn praktijk als medisch specialist in het ziekenhuis te kunnen hervatten, mede gelet op de ernstige reputatieschade die voor [eiser 1] voortvloeit uit een toegangsontzegging en het eerherstel dat met opheffing van deze ontzegging gepaard gaat, onder de omstandigheden van dit geval (in het bijzonder dat de toegangsontzegging in 25 september 2017 niet op voldoende zwaarwegende gronden berustte) zwaarder dient te wegen dan het belang van Sint Franciscus bij behoud van de inmiddels herstelde rust in de vakgroep kaakchirurgie. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat (zoals hierna zal worden overwogen) de opzegging van de Samenwerkingsovereenkomst met MKA tegen 1 april 2018 geen stand kan houden, zodat er voor [eiser 1] ook in zoverre een voldoende belang bestaat bij hervatting van zijn praktijk in het ziekenhuis.

4.8.

Sint Franciscus zal worden bevolen [eiser 1] (en zijn praktijkvennootschap) met ingang van maandag 19 maart 2018 toegang te verlenen tot het ziekenhuis teneinde zijn praktijk als medisch specialist aldaar te hervatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 180.000,-.

4.9.

[eiser 1] heeft daarnaast onvoldoende belang bij de gevorderde rectificatie.

Opzegging Samenwerkingsovereenkomst

4.10.

MKA vordert een bevel tot nakoming van de Samenwerkingsovereenkomst totdat het Scheidsgerecht Gezondheidszorg bij arbitraal vonnis heeft beslist op een door MKA nog in te stellen beroep tegen de opzegging van de Samenwerkingsovereenkomst door het ziekenhuis. Facemed heeft als gevoegde partij deze vordering ondersteund.

4.11.

MKA heeft betoogd dat sprake is van een onregelmatige opzegging, aangezien is opgezegd tegen 1 april 2018 terwijl art. 11.2 Samenwerkingsovereenkomst bepaalt dat moet worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van een half jaar en tegen het einde van een kalenderjaar.

4.12.

Sint Franciscus heeft betoogd dat het Scheidsgerecht MKA niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, nu de in art. 11.4 opgenomen termijn van 30 dertig voor het instellen van beroep bij het Scheidsgerecht is verstreken. Voorts is volgens Sint Franciscus de inachtgenomen opzegtermijn van 6 maanden volstrekt redelijk en kan MKA geen aanspraak maken op opzegging tegen het einde van het kalenderjaar, nu dat tot een onredelijk lange opzegtermijn van één jaar en drie maanden zou leiden. MKA voert aan dat onder de omstandigheden van dit geval – MKA heeft binnen de beroepstermijn in kort geding een voorlopige voorziening tot nakoming van de Samenwerkingsovereenkomst gevorderd, op 20 september 2017 heeft een zitting bij de Ondernemingskamer plaatsgevonden waarbij Sint Franciscus aanwezig was en bij beschikking van 23 oktober 2017, enkele dagen voor het verstrijken van de beroepstermijn, heeft de Ondernemingskamer een bewindvoerder (bestuurder met beslissende stem) aangesteld bij MKA (Sint Franciscus was hiermee bekend althans kon daarmee bekend zijn) – het Scheidsgerecht naar verwachting MKA wel zal ontvangen in het beroep tegen de opzegging. Voorts ligt in de overeengekomen opzegtermijn een vorm van rechtszekerheid besloten: als niet vóór 1 juli van een kalenderjaar wordt opgezegd, kan de wederpartij erop rekenen dat de overeenkomst nog het gehele daaropvolgende kalenderjaar voortduurt. Deze rechtszekerheid kan niet eenzijdig worden opzij gezet, aldus MKA.

4.13.

De voorzieningenrechter acht voorshands voldoende waarschijnlijk dat het Scheidsgerecht gelet op de aangevoerde bijzondere omstandigheden MKA zal ontvangen in het beroep tegen de opzegging en voorts zal beslissen dat sprake is van een onregelmatige opzegging nu niet is opgezegd tegen het einde van het kalenderjaar. Voorshands voldoende aannemelijk is dan ook dat de Samenwerkingsovereenkomst voortduurt tot 1 januari 2019, de datum waartegen wel regelmatig kon worden opgezegd.

4.14.

De door Sint Franciscus aangezegde einddatum van de Samenwerkings-overeenkomst, 1 april 2018, is al bijna bereikt. Ter zitting is gebleken dat a) partijen geen regeling hebben getroffen voor voortzetting van de medisch specialistische zorg op het terrein van de kaakchirurgie ná 1 april a.s., b) dat de zorgverlening door MKA thans goed verloopt, c) dat een minnelijke regeling tussen MKA, de daaraan verbonden medisch specialisten en het ziekenhuis niet mogelijk is zolang niet is beslist op het geschil tussen [eiser 1] en het ziekenhuis, en d) dat de bewindvoerder [persoon 3] goede mogelijkheden ziet voor continuering van de dienstverlening door MKA althans door de daaraan verbonden medisch specialisten. Er zijn geen voldoende zwaarwegende belangen naar voren gekomen die zich verzetten tegen het voortzetten van de Samenwerkings-overeenkomst totdat het Scheidsgerecht heeft beslist en op de wijze als hierna vermeld.

4.15.

Sint Franciscus zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan zowel de zijde van MKA als de zijde van [eiser 1] worden begroot op:

- dagvaarding € 51,55 (helft kosten dagvaarding)

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.485,55.

De kosten aan de zijde van Facemed worden begroot op € 1.434,00 ( griffierecht € 618,00 + salaris advocaat € 816,00).

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, met dien verstande dat de wettelijke rente over de in de proceskosten begrepen nakosten niet toewijsbaar is, omdat thans niet geheel bekend is vanaf welke datum de nakosten gemaakt zullen worden, zodat de verzuimdatum niet goed kan worden bepaald.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In het incident

5.1.

staat de voeging van Facemed toe,

5.2.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In de hoofdzaak

5.3.

veroordeelt Sint Franciscus [eiser 1] en [eiser 1] Praktijk voor Kaakchirurgie B.V. met ingang van maandag 19 maart 2018 toegang te verlenen tot het ziekenhuis teneinde zijn werkzaamheden als medisch specialist in de vakgroep Kaakchirurgie te kunnen hervatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat Sint Franciscus na betekening van dit vonnis weigert deze veroordeling na te komen;

5.4.

veroordeelt Sint Franciscus tot correcte, volledige en tijdige nakoming van de Samenwerkingsovereenkomst (inclusief daarvan deel uitmakende bijlagen) totdat het Scheidsgerecht Gezondheidszorg bij arbitraal vonnis heeft beslist op een door MKA binnen 30 dagen na de datum van dit kort geding vonnis ingesteld beroep tegen de opzegging van de Samenwerkingsovereenkomst door Sint Franciscus;

5.5.

veroordeelt Sint Franciscus in de proceskosten van MKA, begroot op
€ 1.485,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

veroordeelt Sint Franciscus in de proceskosten van [eiser 1] , begroot op
€ 1.485,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.7.

veroordeelt Sint Franciscus in de proceskosten van Facemed begroot op € 1.434,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling

5.8.

veroordeelt Sint Franciscus in de na dit vonnis ontstane kosten van MKA, [eiser 1] en Facemed, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Sint Franciscus niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.10.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2018.

1634/2504