Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2177

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
C/10/543956 / KG ZA 18-117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling na intrekking kort geding. HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087 (met noot H.J. Snijders in NJ 2018/56).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel en Haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/543956 / KG ZA 18-117

Vonnis in kort geding van 2 maart 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JVS HOLDING SCHIEDAM B.V.,

gevestigd te Schiedam,

eiseres,

advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KORS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A-J. van der Duijn Schouten te Dordrecht.

Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de concept-dagvaarding van 30 januari 2018

  • -

    de planning van de zitting in de onderhavige procedure op woensdag 14 februari 2018

  • -

    de conclusie van antwoord van gedaagde, met producties, ontvangen op 13 februari 2018

  • -

    het faxbericht van 13 februari 2018, waarin eiseres mededeelt dat zij de kort gedingprocedure intrekt ‘zonder enige erkenning van het in de conclusie van antwoord door Kors B.V. gestelde en de producties.

  • -

    het faxbericht van 13 februari 2018, waarin gedaagde om een veroordeling van eiseres in de proceskosten vraagt

  • -

    het faxbericht van 20 februari 2018, waarin eiseres verweer voert tegen de verzochte proceskostenveroordeling.

2 De beoordeling

2.1.

Het huidige Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie voorziet, in navolging van HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, in de mogelijkheid om na intrekking van een kort gedingprocedure een proceskostenveroordeling op te leggen. Uit dit arrest volgt dat partijen alsdan griffierecht verschuldigd zijn. Het procesreglement bepaalt in dit verband:

“9.1 Intrekking procedure

De eisende partij kan de procedure intrekken tot het moment dat de zaak is uitgeroepen. Indien de gedaagde partij na intrekking van de procedure tijdig aan de eisende partij en de voorzieningenrechter meedeelt dat hij een beslissing over de proceskosten wenst, komt de aanhangigheid van de procedure niet te vervallen en beslist de voorzieningenrechter over de proceskosten. De gedaagde partij dient deze mededeling te doen binnen veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen.”

2.2.

Het is niet zonder meer gezegd dat de gedaagde, die tijdig zijn verlangen van een proceskostenveroordeling ten laste van eiser heeft geuit, die ook daadwerkelijk verkrijgt. Het kan heel goed zijn dat de intrekking slechts plaatsvindt, omdat gedaagde na aanvankelijk verweer buiten rechte of stilzwijgen zijnerzijds uiteindelijk geheel aan het gevorderde voldoet. De rechter zal dan ook niet zonder meer de door gedaagde verlangde proceskostenveroordeling kunnen toewijzen (vgl. H.J. Snijders in zijn noot onder voormeld arrest in NJ 2018/56).

2.3.

Eiseres stelt dat zij de kort gedingprocedure heeft ingetrokken omdat gedaagde kort voor de geplande zitting een - tot dan toe bij eiseres onbekende - vaststellingsovereenkomst heeft gepresenteerd. Eiseres gaat er van uit dat mogelijk een handtekeningenonderzoek en het horen van getuigen nodig zullen zijn, waartoe een kort gedingprocedure niet geschikt is. In de stellingname van eiseres ligt de erkenning besloten dat zij een vordering in kort geding aanhangig heeft gemaakt die gelet op het daartegen door gedaagde gevoerde verweer zou zijn afgewezen. Dat eiseres meent dat na bewijsvoering in een bodemprocedure haar vordering wel toewijsbaar zou zijn, is niet relevant voor de beslissing over de proceskosten in dit kort geding. Deze kosten worden begroot op € 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven) en € 3.946,- aan griffierecht (tarief bij een geldvordering van minstens € 100.000,-).

2.4.

De voorzieningenrechter zal de proceskostenveroordeling ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

veroordeelt eiseres in de proceskosten van gedaagde, tot op heden begroot op € 4.762,-,

3.2.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2018.1

1 2517/1729