Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2008

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
6550177 VZ VERZ 17-29945
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst; verwijtbaar handelen werknemer; niet nakomen re-integratieverplichtingen; transitievergoeding; dienstjaren vorige werkgevers niet mee gerekend, geen opvolgend werkgeverschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0346
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6550177 VZ VERZ 17-29945

uitspraak: 27 februari 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CSU Personeel,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. R.M. Dessaur te Amsterdam,

tegen

[verweerster] ,

wonende [plaatsnaam],

verweerster,

gemachtigde: mr. I. Ouwehand (FNV).

Partijen worden hierna “CSU” en “[verweerster]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift met producties, ontvangen op 28 december 2017;

  • -

    het verweerschrift, met producties;

  • -

    de pleitaantekeningen aan de zijde van CSU;

  • -

    een exploot van oproeping van 16 januari 2018, met het verzoekschrift als productie.

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op dinsdag 6 februari 2018. Namens CSU zijn verschenen [O.] (casemanager) en [K.] (districtsmanager) bijgestaan door de gemachtigde mr. R.M. Dessaur. [verweerster] is verschenen met een tolk [T.], bijgestaan door haar gemachtigde mr. I. Ouwehand. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

1.2

De kantonrechter heeft de datum voor deze uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[verweerster], geboren op [geboortedatum] 1977, is op 1 juli 2011 bij CSU in dienst getreden voor onbepaalde tijd. Daarvoor werkte [verweerster] voor Hago en GOM. Het object is namelijk tweemaal overgenomen en laatstelijk door CSU.

2.2

[verweerster] is werkzaam in de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud I voor gemiddeld 94,4 uur per vier weken. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 11,92 bruto per uur exclusief vakantietoeslag.

2.3

Op de arbeidsovereenkomst is de Cao voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf van toepassing (hierna: “de Cao”).

2.4

[verweerster] is sinds 10 januari 2017 arbeidsongeschikt wegens ziekte.

2.5

Op 25 september 2017 heeft de bedrijfsarts, [A.] van ProCompany, een rapport opgesteld naar aanleiding van een spreekuurbezoek van [verweerster]. Hij heeft onder meer geschreven:

“(…) Ik adviseer wel werkhervatting in licht huishoudelijk werk – niveau plumeau –

per 26-09-2017 2 x 1,5 uur per week. Eigen tempo kunnen aanhouden. Er is gebrek aan initiatief. Er zijn concentratieproblemen. Er is sprake van energieverlies. (…)”

2.6

CSU heeft bij brief van 11 oktober 2017 het volgende, voor zover hier van belang, aan [verweerster] geschreven:

“U heeft in totaal 2 dagen bovenstaande taken geprobeerd uit te voeren en toen ondergetekende u op woensdag 11-10-2017 vroeg hoe het werk verliep, gaf u aan dat het niet lukt i.v.m. uw gezondheid. Daarop heeft ondergetekende aangegeven dat 2 dagen wat kort dag is om dit te bepalen en dat het zaak is dat u het deze week wel weer probeert. U geeft hierop aan dat uw gezondheid voorgaat en daarop verbrak u de verbinding. Mocht u van mening blijven dat u het werk niet kunt doen, verwijzen wij u voor een deskundigenoordeel. (…)

U heeft donderdag 12-10-2017 wel weer geprobeerd te werken, echter bent u naar huis gestuurd daar u op eigen initiatief naar een andere locatie van de Ipse bent geweest(kopermolen 50/52). Zij waren niet op de hoogte van uw situatie want er is afgesproken dat u met uw collega [I.] samenwerkt (kopermolen 51). Uw rayonleider heeft u gebeld en gevraagd waarom u naar de andere locatie bent gegaan, hierop heeft u geen duidelijk antwoord. U werkt daar normaliter ook niet. (…)

Derhalve zal het ziekengeld vooralsnog stopgezet worden en zal voor de niet gewerkte uren geen loon worden uitbetaald (…)”

2.7

Op 31 oktober 2017 heeft de behandelaar van [verweerster] werkzaam bij Zorgbedrijf i-psy in een tussentijds bericht aan de huisarts van [verweerster] het volgende, voor zover hier van belang, geschreven:

“(…) Het afgelopen jaar zijn de klachten geleidelijk aan toegenomen. Patiënte raakt snel van slag en overspoeld. Daarnaast valt het op dat zij weinig draagkracht heeft. Patiënte heeft een stressvolle periode achter de rug waarin zich verschillende stressoren hebben voorgedaan die een grote invloed hebben gehad op haar en haar functioneren waaronder problemen in de privésfeer, familiaire en financiële problemen. Daarnaast spelen er ook allerlei lichamelijke klachten die al langer aanwezig zijn. Patiënte rapporteert stemming en spanningsklachten, slaapproblemen, nachtmerries, piekeren en geheugen en concentratieproblemen. Al met al komt patiënte momenteel zeer kwetsbaar over en lijkt zij momenteel beperkt belastbaar. (…)”

2.8

[verweerster] heeft op 25 oktober 2017 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Aan de arbeidsdeskundige van het UWV is de vraag voorgelegd of enerzijds de werkgever en anderzijds de werknemer genoeg doet om weer aan het werk te gaan. De arbeidsdeskundige heeft gesproken met de verzekeringsarts, CSU en [verweerster]. De verzekeringsarts is van mening dat de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden adequaat heeft ingeschat en dat [verweerster] in staat is om passend werk te verrichten dat bestaat uit 2 x 1,5 uur licht schoonmaakwerk in haar eigen tempo. De arbeidsdeskundige is tot het oordeel gekomen dat de inspanningen die CSU van [verweerster] vraagt redelijk zijn omdat de werkzaamheden passen bij de functionele mogelijkheden. De door [verweerster] uitgevoerde re-integratie inspanningen zijn niet voldoende, concludeert de arbeidsdeskundige van het UWV in haar rapport van 5 december 2017.

2.9

Na de ontvangst van het deskundigenoordeel heeft CSU [verweerster] bij brief van 15 december 2017 opgeroepen om te verschijnen op de locatie Ipse per 19 december 2017 voor het verrichten van de aangepaste werkzaamheden.

2.10

Op 27 december 2017 is [verweerster] op het spreekuur van de bedrijfsarts [V.] van ProCompany geweest. De bedrijfsarts heeft in de rapportage die is opgemaakt van het spreekuurconsult het volgende, voor zover hier van belang, geschreven:

“(...) Het beeld is nog altijd ernstig en niet veel veranderd ten opzichte van het vorig spreekuurcontact. Ondergetekende zal opnieuw info opvragen bij haar behandelaar. Het UWV bevestigde bij recente DO belastbaarheid voor 2x1,5 uur aangepaste werkzaamheden. Cliënte en haar familie zijn het met dat advies nog altijd oneens. Ondergetekende vindt haar mogelijkheden marginaal. Er is sprake van ernstig persoonlijk disfunctioneren als gevolg van meervoudige niet lichamelijke problematiek. (…)

Conclusie bedrijfsarts:

Mrginale mogelijkheden. DO UWV wel volgen. (…)

3 Het verzoek

3.1

CSU verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op grond van artikel 7:671b Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 7:699 lid 1 en lid 3 sub e BW en subsidiair op grond van artikel 7:671b BW jo. artikel 7:699 lid 3 sub g BW en meer subsidiair op grond van artikel 7:671b BW jo. artikel 7:699 lid 3 sub h BW.

3.2

Aan haar verzoek legt CSU ten grondslag dat [verweerster] verwijtbaar heeft gehandeld omdat zij al langere tijd haar re-integratieverplichtingen op grond van artikel 7:660a BW niet nakomt. De bedrijfsarts heeft [verweerster] geschikt geacht in passend werk zijnde (licht) schoonmaakwerk te re-integreren. [verweerster] is twee dagen geweest maar is daarna gestopt en niet meer bereid geweest de re-integratie op te pakken. CSU heeft [verweerster] vervolgens geadviseerd een deskundigenoordeel aan te vragen en dat heeft zij gedaan. De arbeidsdeskundige heeft geoordeeld dat [verweerster] niet voldoende meewerkt aan haar re-integratie. Hierop heeft CSU [verweerster] opgeroepen de re-integratiewerkzaamheden te hervatten. Hieraan heeft zij zonder opgave van reden geen gehoor gegeven. [verweerster] is uitdrukkelijk gewezen op de gevolgen van het niet nakomen van haar verplichtingen en de loonbetaling is gestaakt. CSU acht het handelen van [verweerster] niet alleen verwijtbaar maar ook ernstig verwijtbaar en is van mening dat aan haar daarom geen transitievergoeding toekomt en dat de arbeidsovereenkomst onmiddellijk dient te eindigen.

4 Het verweer

4.1

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek van CSU. Subsidiair, in het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst mocht ontbinden, verzoekt [verweerster] de kantonrechter te bepalen dat aan haar de transitievergoeding toekomt en een billijke vergoeding van € 18.104,82 bruto. Indien de kantonrechter tot het oordeel komt dat sprake is van verwijtbaar handelen verzoekt [verweerster] aan haar wel een transitievergoeding toe te kennen gelet op de redelijkheid en billijkheid. Ten slotte verzoekt [verweerster] bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst rekening te houden met een opzegtermijn van drie maanden.

4.2

Op de afzonderlijke verweren van [verweerster] wordt hierna onder de beoordeling ingegaan.

5 De beoordeling van het verzoek

Ontbinding arbeidsovereenkomst

5.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden moet worden. In geval van ontbinding moet ook beoordeeld worden of aan [verweerster] een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding toegekend dient te worden.

5.2

Vooropgesteld wordt dat uit 7:671b BW in samenhang met art. 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen ontbonden kan worden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld.

5.3

[verweerster] heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst niet kan worden ontbonden omdat er sprake is van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW. Zij stelt zich op het standpunt dat de onderhavige procedure niet zou zijn gevoerd als [verweerster] niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest. De kantonrechter volgt [verweerster] hierin niet. Hoewel het op zichzelf juist is dat de procedure dan niet zou zijn gevoerd is de arbeidsongeschiktheid als zodanig niet de reden voor het indienen van het verzoek. De reden is gelegen in het, met de arbeidsongeschiktheid samenhangende, niet nakomen van de re-integratieverplichtingen door [verweerster]. Het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen is, indien dit komt vast te staan, een redelijke grond voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Redelijke grond

5.4

Uit artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW volgt dat van een redelijke grond sprake is in geval van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.5

Het verzoek van CSU is gegrond op artikel 7:669 lid 3 sub e BW in verband met het niet nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 7:660a BW. In dat geval dient de kantonrechter het verzoek op grond van artikel 7:671b lid 5 BW af te wijzen indien de werkgever de werknemer niet eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van de verplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt en niet beschikt over een deskundigenoordeel. Aan beide voorwaarden is in deze procedure voldaan.

5.6

Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerster] niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. [verweerster] heeft immers erkend dat zij na twee dagen gestopt is met de aangepaste werkzaamheden. [verweerster] heeft in dat verband nog aangevoerd dat zij op de tweede dag werd weggestuurd omdat men zag dat het niet lukte. Voor zover zij daarmee heeft willen betogen dat zij niet hoefde te re-integreren in passend werk geldt dat [verweerster] die conclusie niet zomaar had kunnen trekken. In elk geval heeft zij uit de brief van 11 oktober 2017 kunnen en moeten begrijpen dat CSU daarmee niet akkoord ging. [verweerster] heeft de

re-integratiewerkzaamheden niet hervat maar heeft een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV.

5.7

Wat partijen dus verdeeld houdt is de vraag of [verweerster] in staat is om re-integratiewerkzaamheden, in dit geval betekent dat 2 x 1,5 uur per week licht schoonmaakwerk (plumeau-niveau), te verrichten. [verweerster] meent van niet. Het is niet aan een werkgever om een oordeel te vellen over de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een werknemer en over de vraag of de werknemer in staat is (passende) arbeid te verrichten. Daartoe schakelt zij een bedrijfsarts in die haar daarover informeert. De bedrijfsarts acht [verweerster] in staat om de passende arbeid te verrichten en ook de arbeidsdeskundige in het deskundigenoordeel is van mening dat de aangepaste werkzaamheden redelijk zijn. De arbeidsdeskundige heeft haar oordeel mede gebaseerd op overleg met de verzekeringsarts. In december 2017 was de bedrijfsarts nog steeds van mening dat, hoewel de situatie ernstig was, [verweerster] in staat was de aangepaste werkzaamheden te verrichten. De bedrijfsarts vermeldt in die rapportage nog wel dat hij of zij contact zal opnemen met de behandelend sector. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mevrouw Osté van CSU verklaard dat zij contact heeft gehad met de bedrijfsarts en dat deze heeft meegedeeld dat dit contact geen aanleiding heeft gegeven tot een ander oordeel te komen. Hoewel het op de weg van CSU had gelegen een schriftelijke verklaring van de bedrijfsarts in het geding te brengen bestaat naar het oordeel van de kantonrechter geen reden om aan deze verklaring Osté te twijfelen.

5.8

Uit het voorgaande volgt dat voldoende is gebleken dat [verweerster] in staat is de aangepaste werkzaamheden te verrichten. [verweerster] is op grond van artikel 7:660a BW verplicht mee te werken aan haar re-integratie en vastgesteld moet worden dat zij dat niet heeft gedaan door haar weigering de passende arbeid te verrichten. Daarmee is sprake van verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerster]. [verweerster] heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met haar omstandigheden waardoor zij niet in staat is de consequenties van haar handelen juist in te schatten. [verweerster] doelt daarmee op het feit dat zij kan niet lezen en schrijven en dat sprake is van een verstandelijke beperking. Zonder hulp is zij feitelijk tot weinig in staat. De kantonrechter heeft kennisgenomen van het door [verweerster] ingebrachte rapport van Stichting Mee van 29 september 2014 dat een beeld schetst van de omstandigheden (toen) en van het bericht aan de huisarts van 31 oktober 2017 van de behandelaar van [verweerster] bij I-Psy. Deze omstandigheden noch de medische informatie, die door de bedrijfsarts in zijn oordeel is betrokken, kunnen naar het oordeel van de kantonrechter tot de conclusie leiden dat van CSU verlangd kan worden dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerster] voortzet ongeacht het verwijtbare handelen. De aangevoerde omstandigheden maken het handelen van [verweerster] immers niet minder ernstig. [verweerster] heeft met haar beperkingen gedurende 13 jaar naar tevredenheid haar werkzaamheden kunnen uitvoeren. Gesteld noch gebleken is dat haar beperkingen in het verleden (meermaals) tot communicatieproblemen heeft geleid. Van [verweerster] werd ten tijde hier van belang niet meer verwacht dan dat zij aangepaste werkzaamheden zou verrichten. Er is voldoende duidelijk gemaakt wat er van haar verwacht werd en er is ook niet gebleken dat [verweerster] niet begreep wat er van haar verwacht werd. [verweerster] was het daar simpelweg niet mee eens. Haar standpunt vindt echter, zoals overwogen, geen steun in het oordeel van de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat van CSU niet gevergd kan worden de arbeidsrelatie met [verweerster] voort te zetten.

5.9

Herplaatsing ligt niet in de rede omdat [verweerster] van mening is dat zij niet kan werken. Ook op een andere werkplek zal dat probleem zich dus voordoen.

5.10

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat voldoende is komen vast te staan [verweerster] verwijtbaar heeft gehandeld en dat geen mogelijkheid is tot herplaatsing. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen CSU en [verweerster] wordt dan ook toegewezen op de “e-grond”. Hetgeen subsidiair en meer subsidiair aan het verzoek tot ontbinding ten grondslag is gelegd hoeft dan ook geen bespreking meer.

Datum einde arbeidsovereenkomst

5.11

Vervolgens dient te worden beoordeeld tegen welke datum de arbeidsovereenkomst behoort te eindigen. CSU heeft betoogd dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden zonder inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden omdat [verweerster] ‘ernstig’ verwijtbaar heeft gehandeld jegens CSU. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarvan echter geen sprake en dit is door CSU ook niet onderbouwd. Er zijn geen bijkomende omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat niet alleen verwijtbaar maar zelfs ernstig verwijtbaar is gehandeld. De arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden rekening houdend met de opzegtermijn van drie maanden waarbij de tijd tussen het indienen van het verzoek en datum van deze beschikking van die termijn wordt afgetrokken. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 onder a BW brengt dit met zich dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2018 zal worden ontbonden.

Transitievergoeding

5.12

Voor het geval de ontbinding wordt uitgesproken heeft [verweerster] aanspraak gemaakt op de wettelijke transitievergoeding. Zoals hiervoor reeds overwogen is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerster]. [verweerster] maakt dan ook aanspraak op de transitievergoeding. Bij de berekening van de transitievergoeding is de duur van het dienstverband van belang. Partijen verschillen hierover van mening. Volgens [verweerster] telt de periode dat zij achtereenvolgens voor Hago en Gom werkzaam was mee omdat er sprake is van opvolgend werkgeverschap. CSU betwist dat.

5.13

Op grond van artikel 7:673 lid 4 sub b BW moeten voorafgaande arbeidsovereenkomsten worden meegeteld indien de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Ten aanzien van de vraag of sprake is van opvolgend werkgeverschap geldt thans een andere toets dan voor de invoering van de WWZ per 1 juli 2015.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 november 2017 bepaald dat mogelijke gevallen van opvolgend werkgeverschap van vóór 1 juli 2015 moeten worden beoordeeld aan de hand van de toen geldende criteria uit het arrest Van Tuinen/Wolters inclusief het zogenoemde “bandencriterium”. In dit geval hebben de wisselingen van werkgever voor 1 juli 2015 plaatsgehad. Of er sprake is van opvolgende werkgeverschap, en dus de vraag of de dienstjaren bij Hago en Gom moeten worden meegeteld bij de berekening van de transitievergoeding, moet worden beoordeeld aan de hand van maatstaf van het arrest Van Tuinen/Wolters. De maatstaf luidt dat enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. Voldoende gesteld en gebleken is dat [verweerster] telkens dezelfde werkzaamheden is blijven verrichten maar niet gezegd kan worden dat er tussen voorgaande werkgevers zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van diens ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. Door CSU is aangevoerd dat Hago, Gom en CSU niet meer zijn dan concurrenten. Dat zulks anders zou zijn is gesteld noch gebleken. Er is dan ook niet voldaan aan het zogenoemde “bandencriterium”. Dit betekent dat de jaren dat [verweerster] bij Hago en Gom werkzaam was niet meetellen voor de berekening van de transitievergoeding. De transitievergoeding bedraagt daarom € 2.852,87 bruto.

Billijke vergoeding

5.14

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerster] ten laste van CSU een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b, lid 8, aanhef en onder c BW toe te kennen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.

5.15

Aan CSU wordt op grond van artikel 7:686a lid 6 BW de mogelijkheid worden geboden het verzoek in te trekken.

5.16

Indien CSU haar verzoek intrekt zal zij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verweerster]. Indien CSU geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot intrekking zal

[verweerster], als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

stelt CSU in de gelegenheid haar verzoek uiterlijk op vrijdag 9 maart 2018 vóór 12:00 uur door een schriftelijk bericht gericht aan de griffie van deze rechtbank (correspondentieadres: postbus 50955, 3007 BS Rotterdam, fax kanton 2: 088-3610553) in trekken;

voor het geval CSU van de mogelijkheid tot intrekking gebruik maakt:

veroordeelt CSU in de kosten van de procedure tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 600,- aan salaris voor de gemachtigde;

voor het geval CSU niet van de mogelijkheid tot intrekking gebruikt maakt:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen CSU en [verweerster] met ingang van 1 april 2018;

kent aan [verweerster] een transitievergoeding toe van € 2.852,87 bruto en veroordeelt CSU deze aan [verweerster] te betalen uiterlijk op 1 mei 2018;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van CSU vastgesteld op € 117,- aan griffierecht en € 600,- aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Kruisdijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

540