Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1988

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
ROT 16/7445
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

tussenuitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 16/7445

tussenuitspraak van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 14 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres] te Spijkenisse, eiseres,

gemachtigde: mr. A.M.C. van Dalen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. H. Woltman.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten dat de uitkering van eiseres op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voorlopig als voorschot zal worden betaald. Vanaf 1 juli 2016 wordt voor de hoogte van de inkomsten uitgegaan van een bedrag van (gemiddeld) € 1.309,45 per maand. Deze inkomsten zijn zo hoog dat de WAO-uitkering vanaf 1 juli 2016 voorlopig niet wordt uitbetaald.

Bij besluit van 12 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Zij heeft daarbij bepaald dat verweerder nog duidelijkheid dient te geven over de definitieve vaststelling van de uitkering over de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 december 2016.

Bij brief van 1 november 2017 heeft verweerder zijn besluit van 17 januari 2017 overgelegd waarbij is vastgesteld dat het voorschot over de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 december 2016 lager is dan de uitkering waar eiseres recht op heeft, zodat zij nog recht heeft op een netto bedrag van € 167,27 (bruto € 261,44). Verder heeft verweerder zijn besluit van 20 juli 2017 overgelegd waarin is vastgesteld dat het voorschot over de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 januari 2017 lager is dan de uitkering waar eiseres recht op heeft, zodat zij nog recht heeft op een netto bedrag van € 113,32 (bruto € 175,96).

Bij brief van 6 november 2017 heeft de rechtbank partijen verzocht in te gaan op de vraag hoe de besluiten van 17 januari 2017 en 20 juli 2017 juridisch gekwalificeerd moeten worden.

Verweerder heeft bij brief van 9 november 2017 een reactie overgelegd. Eiseres heeft bij brief van 10 november 2017 een reactie overgelegd.

De rechtbank heeft bepaald dat een (nadere) zitting achterwege wordt gelaten en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiseres ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering. Laatstelijk is deze uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. De inkomsten van eiseres worden gekort op de WAO-uitkering op grond van artikel 44 van de WAO.

1.2

Bij brief van 14 oktober 2015 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat vanaf

1 juli 2015 de inkomsten op een andere manier worden verrekend. De uitkering wordt als voorschot betaald en na afloop van een periode worden de betaalde voorschotten vergeleken met de inkomstengegevens zoals die worden geregistreerd bij de Belastingdienst (het zogenoemde SV-loon). Op basis van de informatie die verweerder heeft wordt ervan uitgegaan dat de inkomsten van eiseres gemiddeld € 1.141,73 per maand bedragen. Vanaf

1 januari 2016 wordt met deze inkomsten rekening gehouden en zal het voorschot € 171,02 bruto per maand bedragen. Tot en met 31 december 2015 blijft de WAO-uitkering € 342,13 bruto per maand.

1.3

Eiseres heeft tegen het besluit van 14 oktober 2015 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 4 februari 2016 het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het voorschot vanaf 1 januari 2016 ongewijzigd vastgesteld op € 342,13 bruto per maand. Verweerder heeft in dit besluit uiteengezet dat er per 1 juli 2015 aanpassingen zijn in de regelgeving met betrekking tot inkomstenverrekening. In de situatie van eiseres moet een periodeloonvergelijking worden toegepast in plaats van een uurloonvergelijking. Tevens is in dit besluit vastgesteld dat eiseres valt onder de groep uitkeringsgerechtigden, die ten gevolge van deze andere berekeningswijze minstens één (fictieve) arbeidsongeschiktheidsklasse zullen dalen. Voor deze groep is overgangsrecht opgenomen in de vorm van één jaar uitgestelde inwerkingtreding, zodat de wijzigingen voor deze groep pas per 1 juli 2016 gaan gelden. Het voorschot had derhalve niet mogen worden verlaagd.

1.4

In het primaire besluit heeft verweerder besloten dat vanaf 1 juli 2016, na afloop van de voor eiseres geldende overgangstermijn, zal worden uitgegaan van een voorschot op basis van inkomsten van € 1.309,45 per maand. Omdat de inkomsten van eiseres naar verwachting hoger zullen zijn dan het voorschot, komt eiseres vanaf 1 juli 2016 niet meer in aanmerking voor een WAO-uitkering. De uitkering van eiseres wordt daarom vanaf 1 juli 2016 niet meer uitbetaald.

1.5

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hierbij overwogen dat eiseres per 1 juli 2016 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is en dat om die reden de WAO-uitkering niet meer tot uitbetaling komt. Verweerder vergelijkt de inkomsten van eiseres van € 1.309,45 per maand met het maatmanloon en concludeert dat eiseres voor 2,56 % arbeidsongeschikt is.

2. Standpunten van partijen

2.1

Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat de wijziging van de uurloonvergelijking, die tot 1 juli 2015 werd toegepast bij feitelijke arbeid, in een periodevergelijking, niet past in het systeem van de WAO en in strijd is met artikel 18, eerste lid, van de WAO.

2.2

Vervolgens doet eiseres een beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Verweerder heeft in het bestreden besluit alleen maar gewezen op de gebonden wet- en regelgeving; dit is volgens eiseres onvoldoende. Er is sprake van ontneming van eigendom in de zin van artikel 1 EP. Deze ontneming van eigendom is niet gerechtvaardigd. Er is geen sprake van proportionaliteit tussen de belangen van eiseres en het algemeen belang. Verder heeft toenmalig minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de Tweede Kamer van 3 april 2015 gesteld dat er een maximaal nadeel van € 3.650,- per jaar zou kunnen zijn. Het nadeel voor eiseres bedraagt
€ 5.893,88. Eiseres heeft dit bedrag toegelicht in haar bezwaarschrift (gedingstuk 14.2). Een deel van het nadeel ziet op het gegeven dat - als eiseres geen WAO-uitkering meer ontvangt - ook de aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering niet tot uitkering komt. Verder zal eiseres van het UWV ook geen tegemoetkoming meer ontvangen.

2.3

Verweerder blijft bij het ingenomen standpunt zoals verwoord in het bestreden besluit. Inbreuken op het EP door wetgeving zijn geoorloofd, mits een evenwichtige afweging wordt gemaakt tussen de gemeenschapsbelangen en de vereisten die voortvloeien uit het ingeroepen fundamentele recht en er een redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. De gestelde ontneming van eigendom heeft bij wet plaatsgevonden en blijkens de Nota van Toelichting hebben de vereiste afwegingen plaatsgevonden en heeft eiseres zich voldoende kunnen voorbereiden op de nieuwe situatie. Dit is conform de geldende rechtspraak (zie bijvoorbeeld een uitspraak van de CRVB van 18 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680). Van vermeende onredelijkheid is geen sprake, volgens verweerder.

3. Wettelijk kader

3.1

In artikel 44, eerste lid, van de WAO is het volgende bepaald: Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien doch wordt de uitkering:

a. niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is dat als die arbeid wel in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of

b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

Na afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.

3.2

In de Nota van Toelichting bij het Besluit van 17 juni 2015 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Staatsblad 2015, 253) is vermeld dat het met de aanpassing van het Schattingsbesluit mogelijk is gemaakt dat het UWV bij loon uit dienstbetrekking niet langer een uurloonvergelijking toepast maar een periodeloonvergelijking. Het (fictieve) arbeidsongeschiktheidspercentage wordt daarbij bepaald door het maatmaninkomen per tijdvak te vergelijken met de in het aangiftetijdvak genoten inkomsten (SV-loon). Hierbij maakt het niet langer uit in welk tijdvak de arbeid is verricht en op welk tijdvak deze inkomsten betrekking hebben. Volgens artikel 44, tweede lid, WAO wordt het inkomen genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever aangifte doet.

3.3

Dit is verder uitgewerkt in artikel 10a van het Schattingsbesluit dat als volgt luidt:

“Artikel 10a. Vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage waarnaar uitbetaald wordt bij anticumulatie

1. Dit artikel is van toepassing bij de uitvoering van de artikelen 44, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,(…) indien er sprake is van loon als bedoeld in het tweede lid van de genoemde artikelen.

2. De artikelen 9 en 10 zijn niet van toepassing.

3. Het maatmaninkomen per uur, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 1, wordt herleid naar een maatmaninkomen per aangiftetijdvak. Dit gebeurt door het maatmaninkomen per uur te vermenigvuldigen met:

a. de urenomvang per week van de maatgevende arbeid en het quotiënt van 52,2 en 12, indien het aangiftetijdvak een kalendermaand betreft; of

b. de urenomvang per week van de maatgevende arbeid en 4, indien het aangiftetijdvak vier weken betreft.

4. Het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt als volgt berekend:

(M–L) / M * 100%

Hierbij staat:

L voor het loon, bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (…) per aangiftetijdvak; en M voor het maatmaninkomen zoals berekend op grond van het derde lid.”

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 17 januari 2017 definitief heeft beslist op het recht op uitkering van eiseres over de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 december 2016. Het beroep heeft dan ook van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Het besluit van 20 juli 2017 heeft betrekking op een andere beoordelingsperiode, zodat de rechtbank dit besluit verder buiten bespreking zal laten.

4.2

Gelet op de beroepsgronden en op hetgeen ter zitting is verhandeld, stelt de rechtbank vast dat eiseres de genoemde bedragen aan sv-loon en het maatmanloon, zoals verwoord in het primaire besluit, het bestreden besluit en het besluit van 17 januari 2017, niet betwist.

4.3

Eiseres is bij besluit van 14 oktober 2015 geïnformeerd dat haar WAO-uitkering op voorschotbasis wordt uitbetaald. Uit de beslissing op bezwaar van 4 februari 2016 is af te leiden dat de wijziging van de wet- en regelgeving per 1 juli 2015 voor eiseres pas per 1 juli 2016 effect zou hebben. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres de systematiek in de wet- en regelgeving, zoals per 1 juli 2015 gewijzigd, kan betwisten in de onderhavige procedure en hier ook belang bij heeft.

4.4

De beroepsgrond dat de wijziging van de uurloonvergelijking in een periodeloonvergelijking niet past in het systeem van de WAO en in strijd is met artikel 18, eerste lid, van de WAO faalt. De aanpassing van het Schattingsbesluit maakt het mogelijk dat het UWV bij loon uit dienstbetrekking niet langer een uurloonvergelijking toepast maar een periodeloonvergelijking. Door de overstap van een uurloonvergelijking naar een periodeloonvergelijking wordt niet meer gekeken naar het aantal gewerkte uren, maar alleen naar het werkelijk verdiende inkomen. Bij de uurloonvergelijking werd het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend door het maatmanloon per uur te vergelijken met het verdiende inkomen per uur, terwijl bij de periodeloonvergelijking het (fictieve) arbeidsongeschiktheidspercentage wordt bepaald door het maatmaninkomen per tijdvak te vergelijken met de in het aangiftetijdvak genoten inkomsten. Deze wijziging in de systematiek heeft volgens de Nota van Toelichting een correctere vaststelling van het fictieve arbeidsongeschiktheidspercentage van WAO-gerechtigden tot gevolg, omdat wordt gekeken naar de mate van inkomensderving als gevolg van het arbeidsongeschikt raken, los van het aantal uren dat men werkt. De rechtbank volgt daarmee niet de stelling van eiseres dat het systeem van de maatman op de helling wordt gezet en artikel 10a van het Schattingsbesluit in strijd moet worden geacht met artikel 18, eerste lid, van de WAO.

4.5.

Eiseres heeft aangevoerd dat vanwege strijd met artikel 1 van het EP artikel 10a van het Schattingsbesluit onverbindend dient te worden verklaard, dan wel buiten toepassing dient te worden gelaten.

4.5.1

Artikel 1 van het EP luidt (vertaald):

“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belasting of andere heffingen of boeten te verzekeren.”

4.5.2

Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer de uitspraak van 29 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR3541), moet onder de term “eigendom” (of “possessions”) in artikel 1 van het EP ook vermogensbestanddelen worden verstaan, met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe een betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd. De WAO-uitkering is een zodanige aanspraak en kan daarom worden aangemerkt als “eigendom” in de zin artikel 1 van het EP.

4.5.3

Nu sprake is van “possessions” en daarmee van ontneming van eigendom, als bedoeld in de tweede zin van artikel 1 van het EP, dient te worden getoetst of aan de in dat artikel geformuleerde voorwaarden voor eigendomsontneming is voldaan. Daarbij dient allereerst te worden beoordeeld of de inbreuk op de bestaande aanspraken bij wet is voorzien. Verder dient te worden beoordeeld of de inmenging van het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en of er een behoorlijk evenwicht is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inmenging van het eigendomsrecht een onevenredig zware last (‘an individual and excessive burden’) moet dragen.

4.5.4

De rechtbank is van oordeel dat de inmenging bij wet is voorzien en dat de inmenging in het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wordt de lagere regelgeving, zoals bijvoorbeeld het Schattingsbesluit, ook als wet aangemerkt. Naar vaste rechtspraak van het EHRM heeft een staat ruime beoordelingsvrijheid bij het aanpassen van socialezekerheidswetten als het gaat om algemene maatregelen van economische aard. Het is dan niet aan de rechter om te treden in die politieke keuzes zelf, maar slechts om te beoordelen of die keuzes in redelijkheid gemaakt kunnen of konden worden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval.

4.5.5

Volgens eiseres wordt niet voldaan aan het proportionaliteitsvereiste (fair balance) zoals genoemd in overweging 4.5.3. Eiseres heeft hiertoe aangevoerd dat zij een urenbeperking van twintig uren per week heeft en dat zij in de zestien uren die zij per week werkzaam is € 1.309,45 inclusief alle emolumenten kan verdienen. Haar maatmanloon is
€ 1.343,90. Voor 1 juli 2016 had eiseres een arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Eiseres ontving een uitkering van
€ 376,29 per maand. Daarnaast ontving eiseres een aanvullende uitkering van € 117,66 die eiseres niet ontvangt als er geen WAO-uitkering tot uitbetaling komt. Verder ontving eiseres een tegemoetkoming van € 211,- per jaar (€ 18,- per maand). Het inkomen van eiseres bedroeg € 1.821,50. Nu resteert er uitsluitend een inkomen van € 1.309,45. Dit is ruim
€ 500,- per maand minder. De minister heeft in zijn brief aan de Tweede Kamer van 3 april 2015 aangegeven dat het nadeel maximaal € 3.650,- per jaar kan bedragen. Voor eiseres bedraagt dit nadeel € 5.893,88 bruto per jaar (gedingstuk 14.2). Een dergelijke inkomstenachteruitgang is volgens eiseres kennelijk niet voorzien.

4.5.6

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van dwingend recht dat verweerder dient uit te voeren, dat de gestelde ontneming van eigendom bij wet heeft plaatsgevonden, de vereiste afwegingen hebben plaatsgevonden en eiseres zich heeft kunnen voorbereiden op de nieuwe situatie. De rechtbank acht dit onvoldoende. Bij toetsing aan artikel 1 van het EP mag niet worden volstaan met een verwijzing naar een al door de wetgever verrichte belangenafweging. Of sprake is van ‘an individual and excessive burden’ moet van geval tot geval op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beoordeeld. De rechtbank verwijst in dat kader naar vaste jurisprudentie van het EHRM, bijvoorbeeld het arrest van 15 september 2009 nr. 10373/05 (Moskal-Polen) en het arrest van 4 december 2012 nr. 10368/05 (Migalska-Polen). Een dergelijk individueel feitenonderzoek heeft verweerder niet verricht. Verweerder dient zich over de individuele situatie van eiseres uit te laten op basis van het kader zoals genoemd in rechtsoverweging 4.5.3. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.5.7

De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen. Dat herstellen kan in dit geval door alsnog een eigen individueel feitenonderzoek te verrichten ten aanzien van de gestelde individuele last van eiseres. Verweerder dient zich bij deze beoordeling ook uit te laten over de vraag of de situatie van eiseres dat zij maximaal twintig uur per week mag werken vanwege een medische urenbeperking is betrokken.

4.5.8

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

4.5.9

Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen binnen twee weken meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

4.5.10

De rechtbank overweegt dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak. Zij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht.

4.5.11

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op, indien hij van deze gelegenheid geen gebruik maakt, dit binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk kenbaar te maken;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. J.D.M. Nouwen, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Waal-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.