Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1983

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
C/10/533663 / FT EA 17/1721
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek toelating schuldsaneringsregeling afgewezen. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld zich onder beschermingsbewind te laten stellen, maar heeft dit niet gedaan. Geen wending ten goede.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 284
Faillissementswet 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 8 maart 2018

[naam] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 21 augustus 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van

27 oktober 2017. Ter terechtzitting is de behandeling van het verzoekschrift pro forma aangehouden, laatstelijk tot 27 februari 2018, om verzoekster in de gelegenheid te stellen beschermingsbewind aan te vragen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

Verzoekster ontvangt inkomsten uit een uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 40.563,35.

3 De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Verzoekster heeft diverse schulden aan de Belastingdienst, in totaal € 41.061,--. Volgens het zich in het dossier bevindende overzicht van 1 november 2017 gaat het om:

  • -

    5 aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met 2015 van – in totaal – € 34.085,--;

  • -

    4 terugvorderingen toeslagen Zorgverzekeringswet over de jaren 2011 tot en met 2014 van – in totaal – € 6.596,--;

  • -

    1 terugvordering huurtoeslag 2015 van € 75,--;

  • -

    1 terugvordering zorgtoeslag 2015 van € 50,-- en

  • -

    1 aanslag motorrijtuigenbelasting 2015 van € 255,--,

één en ander exclusief rente en boete.

Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoekster om er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoekster heeft dit niet gedaan. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar ten aanzien van het verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Voorts valt het verzoekster te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus zijn deze schulden niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.

Verzoekster heeft ook een schuld bij het CJIB van € 315,--. Volgens de schuldenlijst is deze schuld ontstaan op 1 januari 2014. Deze schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw ontstaan.

Verzoekster heeft voorts schulden gemaakt die duiden op overbesteding. Daaronder verstaat de rechtbank schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk was en waarvan verzoekster op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij niet in staat zou zijn om deze te financieren. Het betreft hier schulden aan DirectPay Services B.V. van € 58,45, ontstaan op 6 maart 2015 en Bonprix van € 211,67, ontstaan op

1 november 2016. De omstandigheid dat verzoekster toentertijd al een forse schuldenlast had, had haar ervan behoren te weerhouden deze schulden aan te gaan. Ook deze schulden zijn derhalve niet te goeder trouw ontstaan.

Voormelde schulden staan, mede gelet op de gezamenlijke hoogte daarvan in relatie tot de totale schuldenlast en voor zover ontstaan of onbetaald gelaten in de laatste vijf jaar voor indiening van het verzoekschrift, aan toelating in de weg.

Daar komt nog het volgende bij.

Gedurende de schuldsaneringsregeling rusten op een schuldenaar voortdurend zware verplichtingen en van hem worden in deze periode forse inspanningen gevergd. Met deze verplichtingen en beperkingen verdraagt zich niet dat een schuldenaar psychosociale problemen heeft, of deze zeer onlangs heeft overwonnen terwijl een reële kans bestaat op een terugval. In de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling is hierover het volgende bepaald:

“Toelating tot de schuldsaneringsregeling in geval van psychosociale problematiek

Een verzoeker met psychosociale problemen wordt in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weten te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.”

In het verzoek staat dat verzoekster psychische klachten heeft. Zij is een borderliner, heeft slaappillen, antidepressiva en heeft last van paniekaanvallen. Desgevraagd heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij sinds circa 3-5 maanden niet meer onder behandeling is bij een psychiater. Een verklaring dat de psychosociale problemen thans beheersbaar zijn heeft zij, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de oproepbrief, niet overgelegd.

Verzoekster heeft daarnaast, eveneens ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de oproepbrief, geen sollicitaties overgelegd. Dat zij vanwege haar zwangerschap van 28 weken niet zou hoeven te solliciteren van de Sociale Dienst komt de rechtbank niet zonder meer aannemelijk voor. Een onderbouwing ontbreekt. Gevreesd moet daarom worden dat zij de verplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven niet naar behoren zal nakomen.

Verzoekster heeft bovendien in de periode 2014 tot en met 2016 voor een bedrag van in totaal € 17.266,84 schulden in haar vaste lasten laten ontstaan. Het betreft hier schulden aan:

  • -

    ZIN/CAK van € 9.040,44, ontstaan op 1 januari 2014;

  • -

    Woonplus Schiedam van € 671,42, ontstaan op 1 december 2015;

  • -

    VGZ van € 5.116,12, ontstaan op 1 januari 2016;

  • -

    Zorgverzekeraar DSW van € € 2.438,86, ontstaan op 15 september 2016.

Ter terechtzitting heeft verzoekster gesteld dat de schuld aan Woonplus is betaald, maar deze stelling heeft zij niet onderbouwd. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de door verzoekster zelf voor akkoord ondertekende schuldenlijst. Over de schuld aan het CAK kon verzoekster geen informatie verstrekken. Dit leidt tot het oordeel dat gevreesd moet worden dat verzoekster de verplichting om gedurende de schuldsaneringsregeling geen nieuwe bovenmatige schulden te maken niet naar behoren zal nakomen.

Verder is nog van belang dat verzoekster volgens haar schuldenlijst niet meer dan twee schulden heeft bij de Belastingdienst, van respectievelijk € 141,-- en € 6.126,--, beiden volgens de schuldenlijst ontstaan op 1 januari 2007. Ter zitting heeft zij verklaard geen schulden te hebben bij de Belastingdienst. Eerst na het opvragen van een recent overzicht bij de Belastingdienst is gebleken dat zij wel degelijk schulden heeft bij de Belastingdienst en wel tot een bedrag van € 41.061,--, ontstaan in de periode 2011 tot en met 2015. Gevreesd moet ook worden dat verzoekster (te) weinig inzicht heeft in haar financiën om de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling naar behoren te kunnen nakomen.

Ook dit staat aan toelating in de weg.

De rechtbank heeft verzoekster ter terechtzitting van 27 oktober 2017 in overweging gegeven zich onder beschermingsbewind te laten stellen. Het laten instellen van beschermingsbewind zou kunnen worden aangemerkt als een omstandigheid die in een voor verzoekster positieve zin zou kunnen meewegen bij de beantwoording van de vraag of verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw). Bovendien zou de aanwezigheid van een beschermingsbewindvoerder bij de rechtbank de vrees kunnen wegnemen dat verzoekster de informatieverplichting, de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan en de afdracht van niet naar behoren zal kunnen nakomen. De rechtbank heeft bovendien laten meewegen dat schuldhulpverlening in het verzoekschrift het volgende heeft opgemerkt:

"Een bewindvoerder [naar de rechtbank aanneemt doelt schuldhulpverlening hier op een beschermingsbewindvoerder] zou voor mevrouw van toegevoegde waarde zijn. Budgetbeheer is een te lichte aanvulling. Budgetbeheer kan niet alle voorkomende juridisch financiële situaties oppakken voor mevrouw. Een bewindvoerder is daarvoor al gemachtigd de zaken op te pakken.”

Verzoekster heeft ter terechtzitting van 27 oktober 2017 verklaard bereid te zijn om zich onder beschermingsbewind te laten stellen. De rechtbank heeft het verzoek in afwachting daarvan aangehouden tot 26 januari 2018. Verzoekster diende uiterlijk op die datum de beschikking waarbij het beschermingsbewind is uitgesproken aan de rechtbank te hebben gestuurd dan wel te laten weten wat de stand van zaken is met betrekking tot de aanvraag. Dit is aan verzoekster bevestigd per brief van 27 oktober 2017. Verzoekster heeft de rechtbank op 22 januari 2018 verzocht om uitstel voor het aanvragen van budgetbeheer wegens bevalling. De rechtbank heeft daarop uitstel verleend tot 16 februari 2018. In de brief van de rechtbank van 25 januari 2018 waarbij dit uitstel aan verzoekster is bevestigd, is uitdrukkelijk aangegeven dat verzoekster in de gelegenheid is gesteld om “beschermingsbewind (geen budgetbeheer)” aan te vragen. De rechtbank heeft vervolgens niet tijdig een bericht van verzoekster ontvangen. Daarop is aan haar per brief van

20 februari 2018 medegedeeld dat zij nog een laatste uitstel krijgt tot 27 februari 2018. Ook in deze brief is bevestigd dat het uitstel was bedoeld om haar in de gelegenheid te stellen “beschermingsbewind (geen budgetbeheer)” aan te vragen.

De rechtbank heeft op 22 februari 2018 een e-mail ontvangen van budgetbeheer Zuid-Holland Zuid, waaruit blijkt dat verzoekster op 1 februari 2018 een overeenkomst tot budgetbeheer en budgetbegeleiding heeft gesloten. Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende is om toelating te rechtvaardigen. Voor toepassing van de hardheidsclausule is aldus geen reden.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van

S. den Hartog, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2018. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.