Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1960

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
C/10/541756 / FT EA 17/2563
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek toelating tot de schuldsaneringsregeling, vanwege niet te goeder trouw ontstane schulden en schulden in de vaste lasten, artikel 284 jo. 288 Faillissementswet.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 284
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 23 februari 2018

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 22 december 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 16 februari 2018.

2 De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 86.223,86.

3 De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Verzoeker heeft schulden gemaakt die duiden op overbesteding. Daaronder verstaat de rechtbank schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk was en waarvan verzoeker op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij niet in staat zou zijn om deze te betalen. Het betreft hier onder meer schulden aan KPN (in totaal € 1.548,27), [naam 2] ( € 121,00) en Direct Pay Services (in totaal € 2.434,39). Deze laatste schuld is ontstaan toen verzoeker uit detentie was ontslagen en (bij Otto) lakens, beddengoed, kleding en dergelijke heeft besteld. Verzoeker stelt nooit bij sportschool [naam 2] te hebben gesport, maar hij heeft niet aangetoond dat hij protest heeft aangetekend tegen het feit dat [naam 2] hem aanmerkt als schuldenaar. Deze schulden zijn niet te goeder trouw ontstaan en staan aan toelating in de weg.

Verzoeker heeft schulden bij het CJIB van in totaal € 8.902,47. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat deze alle na 2016 zijn ontstaan, maar hij heeft niet kunnen verklaren waar deze schulden betrekking op hebben. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.

Op de schuldenlijst van verzoeker staat een fraudeschuld aan de gemeente Rotterdam van
€ 7.094,70 en aan de gemeente Den Haag van € 7.179,22. Volgens verzoeker is deze schuld ontstaan omdat hij in de jaren 2000, 2008 en 2016 een uitkering heeft ontvangen terwijl hij daar geen recht op had. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoeker om er voor zorg te dragen dat de uitkeringsinstantie juist en volledig is geïnformeerd. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Dit valt verzoeker te verwijten. Voorts valt het verzoeker te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.

Verzoeker heeft een schuld aan de Belastingdienst van € 2.028,-. Volgens verzoeker heeft deze schuld betrekking op ten onrechte ontvangen huur- en zorgtoeslag in 2016. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoeker om er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Verzoeker heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat hem ten aanzien van het verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Voorts valt het verzoeker te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Verzoeker heeft het geld gebruikt om schulden mee te betalen. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.

Tot slot heeft verzoeker schulden in zijn vaste lasten laten ontstaan. Het betreft hier een schuld aan verhuurder SOR van € 5.207,89 en aan Menzis. Desgevraagd heeft verzoeker verklaard dat hij soms maanden zonder werk zat waardoor hij schulden in zijn vaste lasten heeft laten ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop gevreesd moet worden dat verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal kunnen nakomen, meer in het bijzonder de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan.

Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het voorgaande niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

Tot slot dient opgemerkt te worden dat als verzoeker zich onder beschermingsbewind zal stellen hij bij een toekomstig verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vermoedelijk meer kans van slagen zal hebben.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, en in aanwezigheid van
M. Hashemi, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018. 1

De griffier is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen.

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.