Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1904

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
18/131-132 FT EA
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek moratorium

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 22 februari 2018

[naam 1] en [naam 2]

[adres]

[woonplaats] ,

verzoekers.

1 De procedure

Verzoekers hebben op 22 januari 2018, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 22 januari 2018 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 februari 2018.

Ter zitting van 19 februari 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekers;

  • -

    mevrouw P.R. Suvaal-Laurens, beschermingsbewindvoerder, werkzaam bij Modus Vivendi (hierna: beschermingsbewindvoerder).

De stichting Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 26 februari 2018 en heden, bij vervroeging, uitgesproken.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2017 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.

Verzoekers hebben ter terechtzitting verklaard dat de huurachterstand is ontstaan toen zij de ziektewetuitkering van verzoeker nog op een aparte rekening ontvingen en de beschermingsbewindvoerder, die daar geen weet van had, onvoldoende ruimte had om met de inkomsten van verzoekers de vaste lasten te betalen. De ziektewetuitkering ging op aan de reiskosten naar hun uithuisgeplaatste kinderen. Verzoekers hebben met de hulp van hun maatschappelijk werkster, mevrouw [naam 3] , een urgentieverklaring aangevraagd voor een benedenwoning. Verzoekers hebben ernstige rugklachten en komen thans met moeite de trappen naar hun huidige bovenwoning op.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat de maatschappelijk werkster van verzoekers haar op de hoogte heeft gesteld van de ziektewetuitkering. Verzoekers waren zo druk met hun uithuisgeplaatste kinderen, dat zij vergaten om te melden dat zij ook een ziektewetuitkering ontvingen; volgens de beschermingsbewindvoerder was hier geen opzet in het spel om de schuldeisers te benadelen. Sinds januari 2018 maakt het UWV de ziektewetuitkering over naar de beheerrekening. De beschermingsbewindvoerder beschikt nu over voldoende inkomsten om de vaste lasten te kunnen voldoen. De huur wordt sinds januari 2018 weer tijdig betaald. Op 16 februari 2018 heeft zij zelfs een aflossing van € 500,00 aan verweerster kunnen doen.

3 Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2017 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 20 december 2017 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 januari 2017 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 4 augustus 2017 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De beschermingsbewindvoerder ontvangt de ziektewetuitkering inmiddels op de beheerrekening en hiermee heeft zij de lopende huur weer kunnen voldoen. Op 16 februari 2018 heeft de beschermingsbewindvoerder zelfs een bedrag van € 500,00 kunnen overmaken naar verweerster als aflossing op de huurschuld. De rechtbank is van oordeel dat verzoekers de intentie hebben een behoorlijke schuldregeling aan te bieden aan hun schuldeisers. Zij worden niet alleen door hun beschermingsbewindvoerder, maar ook door een maatschappelijk werkster ondersteund. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 4 augustus 2017 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;

- bepaalt dat SHV die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van R.I. Buitenwerf-Don, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018.