Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1830

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
543842 / HA RK 18-93
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen. Wraking RC naar aanleiding van afwijzing verzoek van raadsvrouw tot uitstel getuigenverhoor vanwege ziekte. Bij verzoeker kon, op het moment van ontvangst en lezing van het bericht van de RC de vrees is ontstaan dat de RC jegens hem een vooringenomenheid koesterde in die zin, dat voorrang werd gegeven aan het laten doorgaan van het geplande getuigenverhoor boven het belang van de verdediging bij dat verhoor aanwezig te kunnen zijn en aldaar vragen te doen stellen. Naar objectieve maatstaven was die vrees op dat moment gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 543842 / HA RK 18-93

Beslissing van 9 februari 2018

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verzoeker,

advocaat mr. T. Arkesteijn,

strekkende tot wraking van:

mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam, team kabinet RC (hierna: de rechter-commissaris).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 17 oktober 2017 is de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak met parketnummer 10/148824-17 verwezen naar de rechter-commissaris, teneinde [naam getuige 1] en [naam getuige 2] te horen als getuigen.

Per e-mailbericht van 4 december 2017 heeft de griffier van de rechter-commissaris aan de advocaat van verzoeker meegedeeld dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op 26 januari 2018 te 09.30 uur en 10.45 uur.

Per e-mailbericht van 26 januari 2018 te 09.20 uur aan de griffier van de rechter-commissaris heeft de advocaat van verzoeker het volgende meegedeeld:

Geachte griffier, rechter-commissaris,

Sinds vannacht heb ik griep. Ik had vanochtend al gemaild maar kennelijk verkeerd. Ik verzoek u de getuigenverhoren te verplaatsen naar een andere dag.

In afwachting van uw bericht,

Per e-mailbericht van 26 januari 2018 te 09.38 uur heeft de griffier van de rechter-commissaris aan de advocaat van verzoeker het volgende meegedeeld:

Geachte raadsvrouw,

De rechter-commissaris heeft bepaald dat de getuigenverhoren wel vandaag zullen plaatsvinden, aangezien de eerste getuige reeds aanwezig is. De getuigenverhoren zullen over een kwartier beginnen. Ik stel u hierbij in de gelegenheid om in die tussentijd uw schriftelijke vragen naar mij, en mijn collega’s in de cc te sturen, zodat de rechter-commissaris die vragen namens u kan stellen.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Per e-mailbericht van 26 januari 2018 te 09.47 uur aan de griffier van de rechter-commissaris heeft de advocaat van verzoeker het volgende meegedeeld:

Geachte rechter-commissaris,

Ik ben ziek dus ook niet in staat vragen te maken. Ik heb ook geen dossier op mijn slaapkamer. Ik wraak u omdat u alleen vanwege de aanwezigheid van de getuige beslist om de verhoren doorgang te laten vinden. U stelt de efficiency boven het belang van de verdediging om de getuige vragen te kunnen stellen.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de hiervoor genoemde stukken.

Verzoeker, zijn advocaat, de rechter-commissaris, alsmede de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter-commissaris is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter-commissaris heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 31 januari 2018. Zij heeft tevens een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt van diezelfde datum.

Ter zitting van 5 februari 2018, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, is verschenen

mr. M.B. Braanker, die waarnam voor de advocaat van verzoeker. Verzoeker, de rechter-commissaris en de officier van justitie zijn – de twee laatstgenoemden met bericht van verhindering – niet verschenen.

Mr. Braanker heeft aan de hand van een pleitnotitie het standpunt van de advocaat van verzoeker nader toegelicht.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van:

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris, alsmede de aangepaste versie van dat proces-verbaal, gedateerd 31 januari 2018;

  • -

    de brief van mr. Arkesteijn aan de rechter-commissaris, gedateerd 1 februari 2018.

2 Het verzoek en de reactie daarop

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

De rechter-commissaris wist dat de advocaat griep had en om die reden om uitstel van het getuigenverhoor had verzocht. De rechter-commissaris heeft alleen vanwege de aanwezigheid van een getuige beslist om de geplande twee getuigenverhoren doorgang te laten vinden. De rechter-commissaris heeft hiermee de efficiency gesteld boven het belang van de verdediging om de getuigen vragen te kunnen stellen. Het belang van de verdediging om de getuigen vragen te stellen is hierin niet meegewogen. Het feit dat de advocaat nog 15 minuten tijd kreeg om schriftelijk vragen op te geven, voordat het verhoor zou beginnen, doet geen recht aan dit belang en dat belang wordt op die manier niet serieus genomen. Daardoor is bij de verdediging een objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat de rechter-commissaris jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert.

2.1.2

Het belang van de verdediging bij haar bevragingsrecht wordt geborgd door artikel 6 van het EVRM en de artikelen 185 e.v. en 291 e.v. Sv. Artikel 186a Sv vervat de bevoegdheid van de raadsman om de verhoren van de rechter-commissaris bij te wonen, teneinde dit bevragingsrecht te kunnen effectueren. In casu werd de verdediging ook toegelaten tot het getuigenverhoor.

Weliswaar wordt juncto lid 3 186 lid 3 van overeenkomstige toepassing verklaard, maar de

(strategische afweging en) keuze daarbij om de vragen op voorhand schriftelijk op te geven is alsdan nog steeds aan de verdediging. Het op voorhand opgeven van de vragen draagt zijdens de verdediging doorgaans niet de voorkeur nu zich dit niet combineert met haar verhoorplan en strategie en - zeker buiten haar afwezigheid - via deze weg niet ingespeeld kan worden op de antwoorden van de getuigen met nadere verfijningsvragen. De verdediging heeft nu eenmaal geen glazen bol ter zake van de proceshouding van de getuigen en de beantwoording van de vragen. Bovendien leidt het schriftelijk opgeven van vragen voor een getuigenverhoor buiten de aanwezigheid van de advocaat, tot een gegronde tuchtrechtelijke klacht zo de cliënt daarin niet is gekend geweest, noch de daarbij voor te leggen vragen ter instemming zijn voorgelegd aan de cliënt. Dan zit de advocaat in een wurggreep. In dit geval was de advocaat ziek en kon zij geen vragen opgeven, laat staan over die vragen nog overleggen met verzoeker.

2.1.3

Dat de rechter-commissaris kennelijk blijkens de telefonische reactie en schriftelijke reactie op de wraking, in haar hoofd wel rekening had gehouden met de verdediging en had bedacht dat de getuige later opnieuw nog zou kunnen worden opgeroepen was niet kenbaar op het moment van wraking. Dit was pas kenbaar nadat de vrees voor vooringenomenheid objectief gezien al gewekt was door de mail waarin werd meegedeeld dat de rechter-commissaris had bepaald dat de getuigenverhoren gewoon zouden doorgaan, aangezien de eerste getuige reeds aanwezig was en de verdediging 15 minuten had om de vragen op te geven voordat dit verhoor zou aanvangen. Bovendien laat de mail van de griffier geen enkele ruimte over om te veronderstellen dat de verdediging achteraf, na het horen van de getuigen, alsnog de mogelijkheid zou krijgen om vragen te stellen, zoals de rechter-commissaris thans stelt.

2.1.4

Voor zover er zou worden aangenomen dat de griffier de opdracht van de rechter-commissaris verkeerd heeft doorgegeven, zoals wordt gesuggereerd door de RC, dan komt dit voor rekening van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris is voor de berichtgeving naar buiten verantwoordelijk en er staat immers ook: “De rechter-commissaris heeft bepaald …”. Als verdediging mag je er dus vanuit gaan dat dit een bericht is van de rechter-commissaris.

2.2

De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust.

De rechter-commissaris bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.2.1

Op vrijdag 26 januari 2018 stond in de zaak tegen verzoeker het verhoor van twee getuigen gepland, die waren opgeroepen na een daartoe strekkend (en door de rechtbank toegewezen) verzoek van de verdediging. De eerste getuige was verzocht om 9.30 uur te verschijnen. Bij mailbericht van 9.20 uur liet de advocaat van verzoeker aan mijn griffier weten wegens ziekte niet te kunnen verschijnen. Deze gaf mij dat bericht door, tegelijkertijd met het bericht dat de eerste getuige zich inmiddels had aangemeld bij onze Frontoffice. Ik heb mijn griffier gezegd dat ik deze getuige zou gaan horen, nu deze eenmaal was verschenen, mijn tijd ervoor was ingeruimd en ik op grond van het verzoek wist in welke richting de getuige bevraagd zou moeten worden. Zou de verdediging vervolgens menen dat dit verhoor niet afdoende was of dat er om andere redenen iets aan het verhoor schortte, dan zou de getuige altijd opnieuw kunnen worden opgeroepen.

2.2.2

Mijn griffier vroeg mij of hij de advocaat nog zou vragen of zij voorafgaand aan het verhoor schriftelijke vragen wilde indienen en ik heb hem gezegd dat dit een goed idee was en dat hij haar hiertoe de gelegenheid kon bieden. Hij heeft haar aldus bericht en gezegd dat zij hiervoor een kwartier de tijd had. Hierop heeft de advocaat mij gewraakt.

2.2.3

Ik heb direct telefonisch contact met de advocaat opgenomen om haar te zeggen dat er waarschijnlijk een miscommunicatie speelde. Er was immers geen sprake van dat het belang van de verdediging om de getuigen vragen te kunnen stellen door mij ondergeschikt was geacht aan het belang van de efficiency. Overwegingen van efficiency hadden mij inderdaad doen besluiten van de gelegenheid gebruik te maken om de verschenen getuige(n) te bevragen. Het bevragingsrecht van de verdediging bleef evenwel onverlet. Indien na het verhoor alsnog zou blijken van enig verdedigingsbelang zou(den) de getuige(n) wederom kunnen worden opgeroepen. Het door de verdediging voorafgaand aan het onderhavige verhoor wel of niet indienen van schriftelijke vragen zou hierin ook geen verschil maken.

De advocaat gaf mij te kennen wegens haar ziekte niet verder met mij in gesprek te kunnen

op dit punt. Ik heb dat gerespecteerd en het gesprek beëindigd. Vervolgens heb ik de getuigen laten weten dat het verhoor niet door zou kunnen gaan aangezien ik door de verdediging gewraakt was.

2.2.4

Dat de advocaat het niet eens is met mijn procedurele beslissing kan een wraking in elk geval niet dragen. Als rechter-commissaris heb ik de taak en de bevoegdheid de gang van zaken rond getuigenverhoren te bewaken. Als het zo zou zijn dat uit mijn beslissing aangaande het laten doorgaan van het verhoor moet worden afgeleid dat ik de efficiency zwaarder heb laten wegen dan de aanwezigheid van de advocaat bij het verhoor, heb ik hiermee nog niet het recht van de verdediging veronachtzaamd. Voor zover zij dit laatste uit het mailbericht van mijn griffier heeft afgeleid, heb ik haar in een verduidelijkend telefoongesprek verteld dat het laten doorgaan van het verhoor dit recht onverlet zou laten.

Er is dus geen enkele reden om aan mijn onbevangenheid te twijfelen en het wrakingsverzoek kan alleen maar worden afgewezen.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing. Het is niet aan de wrakingskamer om de beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.

3.3

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

De wrakingskamer ziet zich gesteld voor de vraag of het laten doorgaan van de getuigenverhoren buiten aanwezigheid van de advocaat met de mogelijkheid voor de advocaat van verdachte om binnen vijftien minuten schriftelijke vragen op te geven een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor een objectief gerechtvaardigde vrees bij de verdediging voor vooringenomenheid van de rechter. De wrakingskamer beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt:

3.5

Voorop moet worden gesteld dat de verdediging het in wet en verdrag verankerde recht heeft om aanwezig te zijn bij het verhoor van getuigen en om die getuigen vragen te doen stellen.

3.6

Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat een rechter-commissaris in strafzaken tot taak heeft te waken voor een correct en efficiënt verloop van het hem/haar opgedragen onderzoek, maar anderzijds ook voor de gerechtvaardigde belangen van verdediging en Openbaar Ministerie.

3.7

Het wettelijke uitgangspunt van aanwezigheid van de verdediging bij het getuigenverhoor dient het belang van de verdediging, omdat het verkrijgen van een persoonlijke indruk van de getuige, het direct kunnen aanhoren van de antwoorden van de getuige op bevraging, het waarnemen van de non-verbale communicatie van de getuige, het kunnen uitvoeren van een tevoren bedachte vraagstrategie en het kunnen inspringen op antwoorden die door de getuige worden gegeven, wezenlijk kunnen zijn voor de procespositie van de verdachte.

3.8

Weliswaar kent de wet ook de mogelijkheid dat de raadsman (en de officier van justitie) voorafgaande aan het getuigenverhoor de te stellen vragen opgeeft, doch dit is niet anders te beschouwen dan als een subsidiaire mogelijkheid en steeds ter beslissing aan de verdediging. Aan deze mogelijkheid wordt onvoldoende recht gedaan indien de – door ziekte verhinderde en om uitstel verzoekende – advocaat nog 15 minuten tijd krijgt voor het opstellen van te stellen vragen, temeer nu die te stellen vragen onder die omstandigheden niet tot stand kunnen komen in overleg met verzoeker.

3.9

Een tweede verhoor van de getuige – welk aanbod overigens niet voorafgaande aan het indienen van het wrakingsverzoek is gedaan – doet minder recht aan het hiervoor omschreven verdedigingsbelang, dat uitgaat van directe waarneming door de raadsman van hetgeen de getuige verklaart. Dat de raadsman niet bij het eerste verhoor aanwezig is geweest –en dus geen vragen heeft kunnen stellen of heeft kunnen doorvragen- is niet terug te draaien. Daar komt nog bij dat een eenmaal door de getuige afgelegde verklaring invloed kan hebben op de houding van de getuige in het verdere proces.

3.10

Dit alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat bij verzoeker, op het moment van ontvangst en lezing van het bericht van de rechter-commissaris van 26 januari 2018 te 09.38 uur, de vrees is ontstaan dat de rechter-commissaris jegens hem een vooringenomenheid koesterde in die zin, dat voorrang werd gegeven aan het laten doorgaan van het geplande getuigenverhoor boven het belang van de verdediging bij dat verhoor aanwezig te kunnen zijn en aldaar vragen te doen stellen. Naar objectieve maatstaven was die vrees op dat moment gerechtvaardigd.

3.11

De wraking is mitsdien gegrond. Het verzoek wordt toegewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst toe het verzoek tot wraking van mr. C.H. van Breevoort-de Bruin.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.J.M. van der Kaaij, voorzitter, mr. drs. E. van Schouten en mr. W.J. Roos-van Toor, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2018 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker

- mr. T. Arkesteijn

- mr. C.H. van Breevoort-de Bruin

- mr. D. van der Linde