Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1828

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
543205 / HA RK 18-59 en 544419 / HA RK 18-116
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van rechters van de wrakingskamer door die rechters zelf afgedaan vanwege kennelijke niet-ontvankelijkheid. Wrakingsverzoek in twee (van de 18) bestuursrechtelijke procedures afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid omdat de wrakingskamer in deze procedures reeds had bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Wrakingsverzoek jegens mr. Braam en mr. Van Strien afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid, omdat zij niet belast zijn of belast zijn geweest met de behandeling van de zaken van verzoeker. Verzoeker niet-ontvankelijk in verzoek tot wraking van mr. Rop, nu het verzoek niet is gedaan zodra de feiten en omstandigheden, waarop de wraking is gegrond, aan verzoeker bekend zijn geworden. Bepaling dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze procedures niet in behandeling wordt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummers / rekestnummers: 543205 / HA RK 18-59 en 544419 / HA RK 18-116

Beslissing van 9 februari 2018

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [adres],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. A.C. Rop, rechter in de rechtbank Rotterdam, team bestuur 1 (hierna: mr. Rop),

mr. drs. H.M. Braam, senior rechter in de rechtbank Rotterdam, tevens voorzitter van team bestuur 3 (hierna: mr. Braam) en

mr. A. van Strien, rechter in de rechtbank Rotterdam, tevens waarnemend voorzitter van team bestuur 1 (hierna: mr. Van Strien).

1 Het procesverloop en de processtukken

In achttien beroepsrechtelijke procedures van verzoeker is de partijen bij brieven van de griffier meegedeeld dat het beroep door een enkelvoudige kamer wordt behandeld op de zitting van 16 januari 2018 te 13.00 uur door rechter mr. A.C. Rop.

Die procedures dragen als kenmerk: ROT 15-7004, ROT 16-209, ROT 16-8387, ROT 17-266, ROT 17-267, ROT 17-268, ROT 17-269, ROT 17-1170, ROT 17-2571, ROT 17-2573, ROT 17-2574, ROT 17-3832, ROT 17-3833, ROT 17-3835, ROT 17-3907, ROT 17-3908, ROT 17-3920 en ROT 17-4482.

Bij brief van 16 januari 2018 heeft verzoeker wraking verzocht van mr. Rop en de voorzitter van team bestuur 3.

Bij brief van 25 januari 2018 heeft verzoeker meegedeeld dat de wraking tevens is gericht tegen mr. Van Strien en mr. Braam.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de dossiers van de hiervoor omschreven bestuursrechtelijke procedures.

Verzoeker, alsmede de drie genoemde rechters en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Albrandswaard en Ridderkerk zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt en wel als volgt:

mr. Rop bij e-mailbericht van 16 januari 2018; mr. Braam bij e-mailbericht van 17 januari 2018 en mr. Van Strien bij brief van 30 januari 2018.

Ter zitting van 5 februari 2018, waar het wrakingsverzoek is behandeld, is niemand verschenen. De rechters hebben in hun respectieve reacties meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Van verzoeker is geen bericht van verhindering of verzoek om uitstel ontvangen.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van de brieven van verzoeker aan de rechtbank, gedateerd:

  • -

    23 januari 2018;

  • -

    29 januari 2018, waarin hij andermaal wraking verzoekt van mr. Rop;

  • -

    30 januari 2018, waarin hij andermaal wraking verzoekt van mr. Van Strien en

  • -

    31 januari 2018.

Bij brief van 5 februari 2018, ingekomen ter griffie op 6 februari 2018, heeft verzoeker wraking verzocht van de rechters van de wrakingskamer.

2 Het verzoek tot wraking van de rechters van de wrakingskamer

2.1

In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden – zoals artikel 8:16 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht vereist.

2.2.

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende. Het verzoek is gebaseerd op de omstandigheid dat de rechters van de wrakingskamer de hiervoor genoemde brieven van verzoeker van 29 januari 2018 en 31 januari 2018 niet in behandeling hebben genomen of hebben doen nemen als nieuwe wrakingsverzoeken, doch die brieven hebben toegevoegd aan het dossier van de reeds lopende wrakingsprocedure. Voorts is het verzoek gebaseerd op handelingen en beslissingen van de wrakingskamer in eerdere door verzoeker geïnitieerde wrakingsprocedures in december 2016 en mei 2017.

Zoals blijkt uit het verzoek was verzoeker op 1 februari 2018 op de hoogte van het feit dat de wrakingskamer de genoemde twee brieven van verzoeker vooralsnog niet beschouwde als nieuwe verzoeken tot wraking van rechters mr. Rop en mr. Van Strien, waarmee nieuwe wrakingsprocedures worden ingeleid, maar dat deze brieven werden toegevoegd aan het dossier van de reeds lopende wrakingsprocedure.

Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wraking dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.

In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. De gewraakte gedragingen van de rechters van de wrakingskamer waren immers voor verzoeker kenbaar op 1 februari 2018 – en de overige feiten en omstandigheden, die aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd nog aanmerkelijk langere tijd – terwijl het verzoek tot wraking eerst is ingediend op 6 februari 2018, zijnde de dag na de behandeling ter zitting van de verzoeken tot wraking van rechters mr. Rop, mr. Braam en mr. Van Strien.

2.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek wegens kennelijke niet ontvankelijkheid dient te worden afgewezen, zonder voorafgaande behandeling van het verzoek ter zitting.

3 Het verzoek tot wraking van de rechters en de reacties daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Rechter mr. Rop is voornemens om in 18 beroepszaken van verzoeker tegen drie verschillende bestuursorganen uitspraak te doen. De feiten en omstandigheden geven aanleiding om aan te nemen dat mr. Rop en mr. Braam zich schuldig maken aan partijdigheid. De rechter voert simpelweg een partijdige opdracht uit van zijn teamleider.

Een substantieel deel van de beroepen is een gevolg van uitspraken van de Raad van State en deze rechtbank. Verzoeker moest verweerders dwingen om aan die uitspraken gevolg te geven. Bij alle zaken kan worden gesteld dat beroep onvermijdelijk was en conform de plannen van verweerders die gebaat zijn bij het zo groot mogelijk opblazen van het conflict met verzoeker om de vooringenomenheid bij de rechtbank te voeden. Verweerders zijn

niet bepaald juridisch competent te noemen maar zijn wel zeer geslepen in het manipuleren van de rechtbank met het algemeen belang. De teamleider lijkt in die val vast te zitten.

Dat verweerders te kwader trouw zijn blijkt uit de diverse ontmaskeringen door verzoeker. Ook bij de voorliggende zaken leverde verzoeker bewijs aan de rechter dat hij door verweerders gemachtigden wordt misleid met feitelijke onwaarheden. Daarnaast is door verzoeker hard bewijs overgelegd dat juristen van verweerder zich schuldig maken

aan strafrechtelijke overtredingen en dat verzoeker zelfs met zulke zaken niet terecht kan hij de burgemeester en de gemeenteraad. Sterker nog: de juristen van de verweerders plegen fraude met de postontvangst om verzoeker te beletten om zaken aanhangig te maken bij gemeentelijke bestuursorganen.

Dit alles maakt niets uit voor de rechter. Hij weigert om legitieme vragen van verzoeker te beantwoorden en blijft de verweerders een voorkeursbehandeling geven. Verzoeker wordt doodgezwegen maar verweerder krijgt wel steeds antwoord en stukken van verweerder die ruim na de 10 dagen termijn voor de zitting zijn ontvangen worden zonder meer geaccepteerd. Stukken die een 180 graden ommezwaai in de standpunten betekenen nog wel.

Bij brief van 4 januari 2018 is de rechter verzocht om de zitting van 16 januari 2018 uit te stellen omdat de rechtbank bij het beroep R0T17/3835 het verkeerde bestuursorgaan heeft verzocht om verweer. Alle verweren en ingediende stukken zijn daardoor niet-ontvankelijk. Het rechtmatige bestuursorgaan waartegen verzoeker beroep aantekende heeft nooit kunnen reageren op de beroepsgronden. Tot op het moment van dit schrijven is er door mr. Rop niet gereageerd op het verzoek om de zitting uit te stellen.

Reeds op 26 juli 2017 is de rechtbank erop gewezen dat uit haar brieven van 27 juli 2017 (ontvangstbevestiging en nota griffierecht) blijkt dat zij het verkeerde bestuursorgaan heeft aangemerkt als verwerende partij, en is het verzoek gedaan om deze omissie te herstellen. Op dit schrijven is nimmer gereageerd door de rechtbank. Uit de verweren blijkt dat het verkeerde bestuursorgaan is verzocht om verweer en het dossier.

Op 6 september 2017 stelt de rechtbank dat het vooronderzoek inzake het beroep ROT 17/3835 is afgerond en dat het naar haar oordeel niet nodig is om een zitting te houden. Verzoeker wordt verzocht om binnen vier weken aan te geven of hij op een zitting gehoord wil worden. Op 3 oktober 2017 is door verzoeker aangegeven dat hij op dat moment niet kan instemmen met het afzien van zijn recht om gehoord te worden omdat op dat moment schier onmogelijk is om een afweging te maken ten aanzien van het bepaalde bij artikel 8:57 Awb. Bij deze reactie is de rechtbank er tevens op gewezen dat verzoeker nog steeds geen antwoord heeft gegeven op het schrijven van 26 juli 2017 (verkeerde bestuursorgaan/herstel emissie). Ook op dit schrijven is nimmer door de rechtbank gereageerd.

Hoewel een wraking niet bedoeld is om inhoudelijk in te gaan op de onderhavige beroepen wil verzoeker wel kwijt dat het bij wet aan de eisende partij is om te bepalen tegen wie hij beroep instelt en niet aan de rechter. Verzoeker bepaalde dat dit de Commissie Bezwaarschriften Kamer 1 van de gemeente Ridderkerk was. Saillant detail is daarbij

dat verzoeker zich tot voornoemd bestuursorgaan richtte naar aanleiding van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 18 maart 2016 waarbij de rechtbank oordeelde dat bepaalde informatie betreffende een bezwaarprocedure onder de bevoegdheid van de desbetreffende bezwarencommissie valt en dat verzoeken om informatie daarom aan dat bestuursorgaan moeten worden gedaan.

De weigerachtigheid van de rechter om te reageren op eisers verzoek - terwijl zonneklaar is dat op dit schrijven gereageerd moet worden - geeft aanleiding om aan te nemen dat de rechter verzoekers zaak kapot wenst te maken, hetgeen getuigt van partijdigheid.

De weigerachtigheid van de rechter om te reageren op eisers verzoek geeft ook reden om aan te nemen dat de rechter zijn uitspraak klaar heeft zonder kennis te nemen van de verweren van de andere partij. Het is de rechter kennelijk om het even welk Nederlands bestuursorgaan reageert en wat die verkondigt, want hij oordeelt toch niet op de feiten. De rechter geeft blijk van een vooringenomen oordeel dat al maanden geleden is gevormd.

Blijkens de feiten was de rechtbank reeds weigerachtig om op eisers brieven te reageren voordat de zaak was toegewezen aan de rechter. Daarmee heeft ook de teamleider de schijn op zich geladen vooringenomen en partijdig te zijn bij verzoekers zaken.

De rechter gedraagt zich hetzelfde als de teamleider. Beiden zwijgen verzoeker dood bij het beantwoorden van zeer belangrijke vragen. Dat geeft aanleiding tot de aanname dat de rechter slechts een opdracht uitvoert die hij krijgt van zijn teamleider. Daarmee is de rechter niet die onafhankelijke en onpartijdige rechter die art. 6 EVRM voorschrijft.

Bij het beroep ROT 17/3835 is er sprake van valsheid in geschrifte met als motief om een dwangsom te neutraliseren. De fraude is gepleegd door juristen van de BAR-organisatie (samenwerkingsverband gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk). Op de voet van artikel 226 lid 2 Sr. is de Commissie Bezwaarschriften Kamer 1 van de gemeente Ridderkerk - het juiste bestuursorgaan - medeplichtig hieraan.

In de context van de weigerachtigheid van de rechter om verzoeker antwoord te geven op zeer belangrijke vragen bij beroep ROT 17/3835, waar er nota bene sprake is van strafrechtelijke overtredingen waarvan de rechter kennis nam, en welke fraude onuitwisbare invloed heeft op de geloofwaardigheid van alle voorliggende beroepen (zelfde juristen), kunnen incidenten van eerdere datum bij de voorliggende beroepen ook niet anders worden uitgelegd als partijdigheid en vooringenomenheid van de rechter en de teamleider. Voortschrijdend verzoekers kennis en inzicht worden deze hierna daarom ook opgevoerd als wrakingsgronden.

Bij elk van de onderhavige beroepen was de rechtbank telkens voordat er een rechter aan de zaken was toegewezen en heel kort nadat een verweerschrift was ontvangen van oordeel dat het vooronderzoek voltooid was en een zitting niet nodig was. Zelfs voordat de stukken waren ontvangen waarom de rechtbank verweerder vroeg oordeelde de rechtbank dat het vooronderzoek klaar was. Zo ontving de rechtbank bij ROT 17/3907 op 17 augustus

2017 nadere stukken van verweerder op haar eigen verzoek, maar stuurde op 16 augustus 2017 een brief dat het vooronderzoek klaar was en dat een zitting achterwege kon blijven. Bij dezelfde zaak stelde verzoeker dat hij kon aantonen dat hij de Bob van 6 januari 2018 + advies + verslag nooit had ontvangen en verzocht hij om een redelijke termijn voor het indienen van nadere gronden. Ook deze brief is nooit beantwoord en de rechtbank was naar eigen zeggen klaar met het vooronderzoek voordat verzoeker kon reageren.

Verzoeker kan talloze voorbeelden opsommen waarbij hetzelfde patroon zichtbaar is:

  1. de rechtbank was telkens zonder dat een rechter aan de zaak was toegewezen kort na het verweer of zelfs voordat stukken zijn ontvangen vermeend klaar met het vooronderzoek.

  2. vragen van verzoeker werden nooit beantwoord.

  3. de teamleider besloot over het sluiten van het vooronderzoek en het houden van een zitting.

Tevens kan worden gesteld dat het oordeel van de teamleider over de onderhavige zaken al vaststond voordat er onderzoek was gedaan, hetgeen getuigt van vooringenomenheid.

De rechter heeft zich aan dit alles klakkeloos geconformeerd. Hieruit kan worden opgemaakt dat de rechter slechts een opdracht uitvoert van zijn teamleider en dus niet de onafhankelijke rechter is die artikel 6 EVRM voorschrijft.

De rechter accepteerde 18 zaken van verzoeker inzake drie verschillende bestuursorganen,

hetgeen ferm in strijd is met de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties van de rechter. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt zelfs dat een rechter reeds voorzichtig moet zijn om zaken aan te nemen waarbij iets soortgelijks speelde als bij zaken waarover hij eerder uitspraak deed - zelfs wanneer het andere partijen betreft. Niet valt in te zien hoe de rechter genoemde leidraad en jurisprudentie naast zich neer kon leggen.

De rechter accepteerde achttien 18 zaken van verzoeker inzake drie verschillende bestuursorganen terwijl hoger beroep aanhangig is tegen zijn uitspraak van 29 mei 2017 in zeven beroepszaken van verzoeker (ROT 16/2310, ROT 16/2359, ROT 16/2384, ROT 16/5770, ROT 16/5771, ROT 16/5819, ROT 16/5872). Onderwerp van dat hoger beroep is de partijdigheid van de rechter. Omdat de rechter op de hoogte is van het hoger beroep

diende hij elke nieuwe zaak van eiser voorlopig te weigeren, zeker gelet op het feit dat dezelfde aantijgingen als waarover hij uitspraak deed weer aan de orde zijn bij de onderhavige beroepen.

Ook de weigering van deze wrakingskamer om verzoekers wrakingsverzoek te behandelen is onderwerp van het genoemde hoger beroep zodat de vraag rijst of het voorliggende wrakingsverzoek dient te worden doorgezonden aan een ander gerecht.

Voor de behandeling van de onderhavige 18 zaken trekt de rechter 60 minuten uit wat neerkomt op 3.33 minuut per zaak wat verdeeld moet worden over de rechter en de partijen. Los van het feit dat een burger zich als niet-professional onmogelijk op zoveel zaken kan voorbereiden is het schier onmogelijk om de beroepen inhoudelijk te behandelen. Helder is daarom dat de rechter ledig tijd heeft ingeruimd voor één onderwerp: het onderwerp dat de verweerders in de ring gooiden teneinde onder de gevolgen van hun onrechtmatig handelen uit te komen: misbruik-van-recht. Daarmee is duidelijk dat de rechter een vooringenomen standpunt heeft ingenomen. Verzoeker kan dus onmogelijk rekenen op die onpartijdige rechter welke artikel 6 EVRM voorschrijft.

Verzoeker ontving nooit de gebruikelijke uitnodiging voor de hoorzitting waarin de rechtbank de identiteit van de rechter(s) bekend maakt. Deze brief wordt normaliter drie weken voor de zitting gestuurd. Een nadere bestudering van het dossier in het kader van het formuleren van het voorliggende wrakingsverzoek leerde dat de brief van 25 oktober 2017 geen vooraankondiging was voor de zitting maar daarentegen de hiervoor genoemde

uitnodiging. Exclusief voor verzoekers zaken week de rechtbank dus af van de bestendige gedragslijn door 11,86 weken voor de zitting de drie weken brief te sturen. Een controle van de in de brief genoemde rechter leerde verzoeker dat hij plaatsvervangend rechter is met ingang van 1 januari 2015 en dat hij in 2014 rechter in opleiding was.

Uit het afwijken van de bestendige gedragslijn / het beleid van de rechtbank om niet drie weken voor de zitting maar bijna 12 weken een uitnodiging van de hoorzitting te sturen valt af te leiden dat verzoekers zaken een speciale positie innemen bij de teamleider, hetgeen een uiting van vooringenomenheid is. Verzoekers zaken worden op afwijkende wijze behandeld en ‘voorgekookt’ door de teamleider.

De rechter is akkoord gegaan met de vooringenomen voorbereiding van de voorliggende zaken door de zaken te accepteren en er daarna geen zorg voor te dragen dat de rest van de procedure wel hetzelfde verliep als bij andere burgers. Hij is doorgegaan op de koers die de teamleider voor hem uitstippelde. Verzoeker kan dus niet rekenen op die onpartijdige rechter die artikel 6 EVRM voorschrijft.

Het is speculeren waarom de teamleider en de rechter afweken van het beleid van de rechtbank door zo ruim voor de zitting een uitnodiging daarvoor te sturen. Verzoeker kan niets anders bedenken dan dat de rechters zich schuldig maakten aan uitlokking/entrapment. Kennelijk was het de wens om in een zeer vroeg stadium van de procedure een reactie van verzoeker uit te lokken. Doordat verzoeker de betreffende brief in eerste linie aanzag

voor een vooraankondiging is dat mislukt.

Aansluitend op het onderdeel hiervoor merkt verzoeker op dat het merkwaardig is dat de teamleider zo ver voor de zitting al bekend was dat er een plaatsvervangend rechter nodig was op 16 januari 2018 nu op dat moment niet bekend kan zijn hoe druk de agenda van de rechtbank is. Het geeft aanleiding tot de gedachte dat de rechter de voorliggende zaken enkel kreeg toegewezen omdat hij op dezelfde partijdige golflengte zat als zijn teamleider.

Deze gedachte wordt verder bevestigd door eerdere uitspraken van de rechter in zaken van verzoeker en uit hoe de procedure is voortgezet nadat hij de onderhavige zaken kreeg toegewezen. De teamleider en de rechter zijn niet de onpartijdige rechter welke artikel 6 EVRM voorschrijft.

Bij de beroepen ROT 15/7004 en ROT 16/209 is door deze wrakingskamer uitgesproken dat verzoeker bij die zaken geen nieuwe wrakingsverzoeken mag indienen. Bijzondere omstandigheden leiden er echter toe dat er toch een nieuw verzoek tot wraking van de rechter kan worden ingediend. Of beter gesteld de wrakingskamer is verplicht om het wrakingsverzoek van 27 november 2016 alsnog inhoudelijk te behandelen nadat dit eerder niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de rechter zich tijdelijk terugtrok uit deze

zaken om de wraking te ontduiken. De rechter trok zich eerder terug om de wraking te ontduiken om vervolgens dezelfde zaken weer te accepteren nadat het wrakingsverzoek was behandeld. Dit ‘balletje-balletje’ kan niet anders worden uitgelegd als ontduiking van wraking.

Een andere reden om een nieuw verzoek in behandeling te nemen is het terugtreden van rechter mr. H. Bedee uit de beroepen ROT 15/7004 en ROT 16/209. Anders als de wrakingskamer oordeelde bestond er wel aanleiding voor mr. Bedee om zich terug te trekken, zij het waarschijnlijk omdat hij de partijdige opdracht van de teamleider weigerde uit te voeren. Of het handelen van mr. Bedee was ingegeven door partijdigheid of dat de omstandigheden bepaald waren door de teamleider was precies wat verzoeker boven water wilde krijgen bij zijn verzoek van 5 december 2016. Verzoeker is altijd eerlijk, open en feitelijk geweest bij elke zaak waar hij mr. Bedee trof en het wrakingsverzoek was niet anders. De uitleg van de wrakingskamer was onterecht en ingegeven door vooringenomenheid over verzoekers motieven. Een chique gebaar naar mr. Bedee is verkeerd uitgelegd.

Tot slot wenst verzoeker kenbaar te maken dat zijn zaken niet meer conform het EVRM kunnen worden behandeld door de sector 3 bestuursrecht. Ook bij doorzending naar een andere sector of een ander gerecht kan niet meer ongedaan gemaakt worden dat verzoekers zaken besmet zijn. Verzoekers zaken zijn inmiddels geladen met een algemeen belang dat zijn belangen dreigt te verpletteren. Hopelijk neemt de rechtbank de moeite om te onderzoeken wat het aandeel van verweerder is om in deze positie te geraken.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

door mr. Rop:

Het wrakingsverzoek is onder meer ingediend in de zaken met nummers ROT 15/7004 en

ROT 16/209. In die zaken heeft de wrakingskamer bij beslissing van 22 december 2016, op een eerder verzoek van verzoeker tot onder meer mijn wraking, beslist dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen. Het verzoek voor zover ingediend in de zaken met voornoemde nummers, dient dan ook buiten behandeling te blijven.

Verzoeker is bij brief van 25 oktober 2017 uitgenodigd voor de zitting. In de uitnodiging is vermeld dat mr. Rop de zaak zal behandelen. Niettemin heeft verzoeker het wrakingsverzoek eerst op de dag van de zitting, minder dan drie kwartier voor aanvang van de zitting, digitaal ingediend. De rechter heeft voor aanvang van de zitting geen kennis van het verzoek kunnen nemen en trof dat pas na afloop van de zitting aan. De door verzoeker aangevoerde gronden voor wraking rechtvaardigen niet een zodanig laat ingediend verzoek om wraking. Verzoeker had het wrakingsverzoek ruimschoots eerder kunnen indienen. Daarmee is het verzoek in strijd met artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet

bestuursrecht niet ingediend zodra de feiten of omstandigheden waarop dat berust aan verzoeker bekend zijn geworden. Het verzoek kan reeds daarom niet tot wraking leiden.

Bovendien getuigt de wijze van het hanteren van het wrakingsmiddel door verzoeker van

misbruik van die bevoegdheid. Verzoeker wacht kennelijk welbewust tot vlak voor de aanvang van de zitting met het indienen van het wrakingsverzoek om daarmee de procedure te vertragen. Voor obstructie van de procedure is het wrakingsmiddel echter niet bedoeld.

Verzoeker klaagt in het verzoekschrift over een aantal procesbeslissingen in het kader van het vooronderzoek. De wrakingsprocedure is niet bedoeld om de juistheid van die beslissingen aan de orde te stellen. Verder blijkt uit die beslissingen niet van vooringenomenheid. Voor zover verzoeker stelt dat ten onrechte niet op vragen van zijn zijde is gereageerd, is van belang dat een deel van de vragen zich uitsluitend leent voor beantwoording in een uitspraak. Daarnaast is de zitting bij uitstek geschikt om over een aantal van de door verzoeker opgeworpen vragen van gedachten te wisselen. Hier kan dan ook hoor en wederhoor plaatsvinden. Dat verzoeker nooit op een zitting verschijnt, ook niet als hij daartoe is opgeroepen, en uitsluitend schriftelijk wil procederen, maakt dat niet anders.

De rechter geeft de wrakingskamer in overweging het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat af te wijzen en te bepalen dat verdere verzoeken tot wraking niet in behandeling zullen worden genomen.

door mr. Braam:

De 18 beroepszaken waarvan verzoeker rept, zijn in behandeling bij team bestuur 1 en daar heb ik als teamvoorzitter van team bestuur 3 geen betrokkenheid bij gehad.

door mr. Van Strien:

In het wrakingsverzoek stelt verzoeker dat mr. Van Strien zich als teamvoorzitter schuldig zou maken aan partijdigheid en dat mr. Rop simpelweg een partijdige opdracht uitvoert van haar, als zijn teamvoorzitter. In reactie hierop bericht mr. Van Strien dat zij sinds 23 augustus 2017 waarnemend teamvoorzitter is van team bestuur 1 en dat zij als teamvoorzitter-rechter geen bemoeienis heeft gehad met de 18 bestuursrechtelijke procedures van verzoeker waarop het wrakingsverzoek ziet en die in behandeling zijn bij mr. Rop. Van opdrachten van de kant van mr. Van Strien om deze procedures op een bepaalde wijze te voeren is geen sprake.

Mr. Van Strien geeft de wrakingskamer in overweging het tegen haar gerichte wrakingsverzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat af te wijzen.

In zijn bovengenoemde brief van 29 januari 2018 reageert verzoeker – kort samengevat – aldus: dat mr Rop niet heeft kunnen vaststellen dat verzoeker nooit naar zittingen kwam of misbruik van procedures maakte, omdat steeds van een zitting werd afgezien.

En in zijn bovengenoemde brief van 30 januari 2018 reageert verzoeker – kort samengevat – aldus: dat zou zijn gebleken dat mr van Strien in zaken die speelden in 2013 en 2016 van vooringenomenheid blijk heeft gegeven.

4 Ontvankelijkheid van het verzoek

4.1

In de beschikking van de wrakingskamer van 22 december 2016 is bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de procedures met de kenmerken ROT 15/7004 en ROT 16/209 niet in behandeling wordt genomen.

Gelet hierop zal de wrakingskamer het verzoek – voor zover gedaan in de procedures met kenmerken ROT 15/7004 en ROT 16/209 – op grond van hetgeen is bepaald in artikel 9.1, aanhef en onder f. van het Wrakingsprotocol rechtbank Rotterdam wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid afwijzen. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd ter onderbouwing van zijn visie dat hij in beide procedures toch ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.2

Voor zover het wrakingsverzoek is gericht tegen rechters mr. Braam en mr. Van Strien moet uit de stukken van de bestuursrechtelijke procedures en de schriftelijke reacties van deze rechters worden afgeleid, dat zij niet zijn belast of op enig moment belast zijn geweest met de inhoudelijke behandeling van de zaken van verzoeker. Hetgeen verzoeker aanvoert als onderbouwing van zijn visie dat dit anders is, berust op speculatie en ontbeert feitelijke grondslag. Waar het gaat om mr. Van Strien leidt de stelling van verzoeker dat mr. Van Strien in zaken die in 2013 en 2016 van vooringenomenheid zou hebben blijkgegeven, niet tot een ander oordeel, alleen al omdat mr. Van Strien bij de 18 zaken waar het in de onderhavige procedure om gaat geen rol heeft gespeeld.

Gelet hierop zal de wrakingskamer het verzoek – voor zover gericht tegen rechters mr. Braam en mr. Van Strien – op grond van hetgeen is bepaald in artikel 9.1, aanhef en onder d. van het Wrakingsprotocol rechtbank Rotterdam wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid afwijzen.

4.3

Voor zover het verzoek is gericht tegen rechter mr. Rop is in de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden – zoals artikel 8:16 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht vereist.

4.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende.

4.5

Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd het door mr. Rop niet reageren op zijn brief van 4 januari 2018, waarin om uitstel werd verzocht van de zitting van 16 januari 2018.

Ook deze omstandigheid vormt geen zwaarwegende aanwijzing voor het ontbreken van onpartijdigheid bij mr. Rop, omdat een relatief kort voor de zitting gedaan verzoek om uitstel door de rechter niet zonder overleg met de betreffende verweerder(s) kan worden toe- of afgewezen, welk overleg – gelet op de korte termijn waarbinnen dat werd gedaan – eerst op de zitting zou kunnen plaatsvinden.

4.6

Voorts zijn door verzoeker aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd een aantal andere, eerder dan 4 januari 2018 door mr. Rop genomen processuele beslissingen in een of meer van de bodemzaken, te weten – kort samengevat – :

  • -

    beslissingen dat het vooronderzoek in een procedure is afgerond – terwijl dit naar de mening van verzoeker niet zo was – en het voorstel om de zaak zonder zitting af te doen;

  • -

    het aanmerken van een verkeerd bestuursorgaan als verweerder;

  • -

    het accepteren van stukken van een verweerder nadat een termijn van tien dagen voor de zitting reeds was verstreken en

  • -

    niet antwoorden op brieven van verzoeker.

Voor al deze omstandigheden geldt dat zij reeds geruime tijd voor 4 januari 2018 aan verzoeker bekend waren, terwijl hij tevens sinds de ontvangst van de oproepingen voor de zitting van 16 januari 2018 – welke oproepingen zijn verzonden op 25 oktober 2017 – ermee bekend was dat mr. Rop de zaken ter zitting zou gaan behandelen.

Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wraking dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.

In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. De gewraakte gedragingen van mr. Rop hebben zich immers voorgedaan voor 4 januari 2018, terwijl het verzoek tot wraking eerst is ingediend op 16 januari 2018.

4.7

Verzoeker heeft aangevoerd dat de hiervoor bedoelde termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat hij de oproepingen van 25 oktober 2017 aanvankelijk heeft beschouwd als een vooraankondiging van de zitting, gelijk hij die in het verleden ook in andere zaken heeft ontvangen.

Naar het oordeel van de wrakingskamer ligt het aanvankelijk verkeerd lezen of opvatten van de inhoud van toegezonden oproepingen in de risicosfeer van verzoeker en had ook binnen deze context van verzoeker mogen worden verwacht dat hij de inhoud van de oproepingen uiterlijk binnen enkele dagen alsnog op correctie wijze zou hebben gelezen en begrepen.

Het indienen van het verzoek na ommekomst van meer dan twee maanden kan niet worden aangemerkt als “zodra de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden”.

4.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek tot wraking van mr. Rop.

4.9

Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat voor zover het verzoek is gegrond op de omstandigheid dat mr. Rop op 29 mei 2017 uitspraak heeft gedaan in zeven andere beroepszaken van verzoeker, tegen welke uitspraak verzoeker hoger beroep heeft ingesteld, dit niet kan leiden tot gegrondverklaring van de wraking. Een rechter dient uit hoofde van zijn professionaliteit iedere individuele zaak met onbevangenheid en zonder belemmering door een eerdere uitspraak in het verleden te behandelen en te beoordelen. Die professionaliteit en onpartijdigheid worden bij de rechter

voorondersteld. Het enkele gegeven dat de rechter op 29 mei 2017 in andere zaken van verzoeker een voor verzoeker onwelgevallige uitspraak heeft gedaan en ter zitting van 16 januari 2018 opnieuw een aantal bestuursrechtelijke procedures zou gaan behandelen, levert op zichzelf geen grond op voor het oordeel dat er sprake is van partijdigheid en

evenmin vormt het een omstandigheid die - objectief bezien - grond geeft te vrezen dat het

bij de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.10

De wrakingskamer voegt hier het volgende aan toe. Met de wijze waarop verzoeker dit

verzoek heeft ingekleed en onderbouwd, maakt hij lichtvaardig gebruik van de wrakingsprocedure.

Mede gelet op de vergelijkbare wijze waarop verzoeker in het verleden eerdere verzoeken tot wraking, veelal als reactie op hem onwelgevallige procesbeslissingen, heeft ingekleed, welke verzoeken telkens zijn afgewezen, is de wrakingskamer van oordeel dat de verzoeker misbruik maakt van het wrakingsrecht. Op deze grond zullen verdere verzoeken tot wraking in de 18 genoemde procedures niet meer in behandeling worden genomen op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4 De beslissing

De rechtbank:

in wrakingsprocedure 544419 / HA 18-116:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. H.J.M. van der Kaaij, mr. drs. E. van Schouten en mr. W.J. Roos-van Toor wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid;

in wrakingsprocedure 543205 / HA RK 18-59:

in de procedures met kenmerken ROT 15/7004 en ROT 16/209:

- wijst af het verzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid;

in de procedures met kenmerken ROT 16-8387, ROT 17-266, ROT 17-267, ROT 17-268, ROT 17-269, ROT 17-1170, ROT 17-2571, ROT 17-2573, ROT 17-2574, ROT 17-3832, ROT 17-3833, ROT 17-3835, ROT 17-3907, ROT 17-3908, ROT 17-3920 en ROT 17-4482:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. drs. H.M. Braam wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid;

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. A. van Strien wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. A.C. Rop;

- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze procedures niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.J.M. van der Kaaij, voorzitter, mr. drs. E. van Schouten en mr. W.J. Roos-van Toor, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2018 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker

- mr. A.C. Rop

- mr. drs. H.M. Braam

- mr. A. van Strien

- het college van B & W van de gemeente Albrandswaard

- het college van B & W van de gemeente Ridderkerk