Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1825

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-01-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
542291 / HA RK 18-5
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Uit het niet laten registreren van de nevenfunctie, zoals is voorgeschreven, is niet af te leiden dat de rechter in deze specifieke zaak jegens verzoeker niet onpartijdig is, althans vormt die omstandigheid geen zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de vrees van verzoeker dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 542291 / HA RK 18-5

Beslissing van 4 januari 2018

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [adres],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. H.J.M. van der Kaaij, rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 4 januari 2018 is door de meervoudige kamer voor wrakingszaken in deze rechtbank, van welke kamer de rechter deel uitmaakt (hierna: de eerste wrakingskamer), een aanvang gemaakt met de behandeling van het verzoek van verzoeker tot wraking van rechter mr. S.W. Kuip. Die procedure draagt als kenmerk C/10/541320 / FR RK 17-1200.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoeker wraking van de rechter verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    het dossier van de hiervoor omschreven wrakingsprocedure;

  • -

    de door de griffier van de eerste wrakingskamer ter zitting gehouden aantekeningen.

Ter zitting met gesloten deuren van 4 januari 2018, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen: verzoeker, de gewraakte rechter, alsmede mr. W.J.J. Wetzels en mr. A.A. Kalk, die eveneens deel uitmaakten van de eerste wrakingskamer.

Verzoeker en de rechter hebben hun standpunten nader toegelicht.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

De rechter heeft een betaalde nevenfunctie, te weten voorzitter van de klachtencommissie van de politie eenheid Rotterdam Rijnmond. Die nevenfunctie staat niet vermeld in het register van nevenfuncties van rechters.

2.1.2

De rechter is als zodanig werkzaam sinds 2003. In de media is herhaaldelijk aandacht geweest voor het door rechters niet opgeven van hun bijbanen. Datzelfde gaat overigens ook ten aanzien van politici wel eens mis. Als je al zolang mee loopt als rechter en daarvoor werkzaam bent geweest als officier van justitie, moet je beter weten. De mogelijke sanctie op het door een rechter niet melden van een nevenfunctie is ontslag. Dat is heftig. Als je dat register niet serieus neemt, dan kan verzoeker de rechter ook niet serieus nemen.

2.1.3

In een e-mailbericht van de algemeen secretaris van de wrakingskamer aan verzoeker heeft de rechter doen meedelen dat het hier hoogstwaarschijnlijk gaat om een omissie. Dat woord “omissie” is in deze een beetje flauw. Als verzoeker de supermarkt verlaat zonder zijn boodschappen te betalen, is het ook geen omissie.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter heeft te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren.

Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.2.1

De rechter heeft haar functie van voorzitter van de klachtencommissie van de politie inderdaad niet gemeld. Dat is een omissie, een verzuim en de rechter betreurt dat en zij biedt daarvoor haar excuses aan. De veronderstelling van verzoeker dat de rechter misschien nog meer te verbergen heeft en dat haar integriteit ter discussie staat, werpt de rechter ver van zich af.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

De wrakingskamer is van oordeel dat een en ander niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.3

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is. Evenmin leveren de door verzoeker aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, een zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. De opvatting van verzoeker is daarbij van belang, maar deze is niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer merkt daarbij op dat de rechter niet is gehouden tot het geven van een inhoudelijk oordeel over de zaak, waarin verzoeker rechter mr. Kuip heeft gewraakt, maar slechts is geroepen te oordelen over de door verzoeker geopperde partijdigheid – of schijn van partijdigheid – van de rechter die de bewuste zaak behandelt en daarin een beslissing moet gaan nemen.

3.5

De wrakingskamer laat in het midden wat de consequenties zouden moeten zijn van het abusievelijk niet melden door de rechter van haar functie van voorzitter van de klachtencommissie van de politie bij het register van nevenfuncties van de rechtspraak. In ieder geval is uit het niet laten registreren van deze nevenfunctie, zoals is voorgeschreven, niet af te leiden dat de rechter in deze specifieke zaak jegens verzoeker niet onpartijdig is, althans vormt die omstandigheid geen zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de vrees van verzoeker dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de nevenfunctie, die niet in het register is vermeld, inhoudelijk niet in rechtstreeks verband staat met de problemen die verzoeker heeft met Jeugdzorg, zoals door hem uitvoerig ter zitting van de wrakingskamer geschetst.

3.6

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. H.J.M. van der Kaaij.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. J.H. de Wildt en

mr. F.W. van Lottum, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2018 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker

- mr. H.J.M. van der Kaaij