Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1822

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
ROT-17_05088
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand, eenmalig ontvangen bedrag aanmerken als inkomen, uitleg begrip "herkomst"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

Zaaknummer: ROT 17/5088

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. F. Özer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Keyser.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2017 (primair besluit 1) heeft verweerder het recht van eiseres op uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 1 augustus 2016 tot en met 30 november 2016 herzien en de ten onrechte ontvangen bijstand over die periode ter hoogte van in totaal € 2.422,50 (netto) van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 8 maart 2017 (primair besluit 2) is de vordering van € 2.422,50 verhoogd met de over de uitkering afgedragen loonheffing en premies tot een bedrag van € 3.817,86 (bruto).

Bij besluit van 11 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt sinds 30 december 2013 een bijstandsuitkering. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstandsverlening heeft eiseres afschriften van de op haar naam gestelde bankrekeningen overgelegd. Uit de afschriften blijkt dat in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 30 november 2016 bijschrijvingen en stortingen op de bankrekening hebben plaatsgevonden.

2. Met het bestreden besluit handhaaft verweerder zijn standpunt dat de bijschrijvingen en stortingen - met uitzondering van een drietal bijschrijvingen in de maand september 2016 tot een totaalbedrag van € 800,-, die afkomstig waren van de spaarrekening van eiseres - als inkomen in de zin van artikel 32 van de Pw zijn te beschouwen en als zodanig in mindering dienen te worden gebracht op de bijstand. Rekening houdend met het ten onrechte in aanmerking genomen bedrag over de maand september 2016, heeft verweerder bij het bestreden besluit de vordering verlaagd naar € 1.805,- netto (€ 2.844,68 bruto).

3. In reactie op hetgeen in beroep door eiseres is aangevoerd, heeft verweerder in het verweerschrift erkend dat het in het bestreden besluit teruggevorderde bedrag niet correct en inzichtelijk is vastgesteld. Het besluit op bezwaar dient te worden aangepast in die zin dat de periode waarover verweerder de bijstand herziet wordt beperkt tot de maanden waarin de geldtransacties hebben plaatsgevonden, te weten de maanden augustus, oktober en november 2016. De terugvordering is door verweerder nader berekend op een bedrag van € 1.622,50 netto (€ 2.557,06 bruto). Tevens heeft verweerder erkend dat de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar ad € 1.002,- hadden moeten worden vergoed.

4. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd verklaard zich te kunnen vinden in deze laatste berekening, behalve voor zover daarin een bedrag van € 300,- als inkomen in aanmerking is genomen. Dit bedrag betreft een storting (overboeking) op 30 augustus 2016 op de bankrekening van eiseres door haar dochter. Eiseres betwist het door verweerder ingenomen standpunt dat zij het bedrag van € 300,- vrij kon besteden, nu dit tijdelijk door haar dochter aan haar in bewaring was gegeven. Bovendien gaat het om een eenmalige storting, die daarom niet als inkomen kan worden aangemerkt, aldus eiseres.

5. In zijn uitspraken van 7 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1055) en 18 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1518) heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) overwogen dat ook een eenmalig ontvangen bedrag als inkomen kan worden aangemerkt. Voor de vraag of een middel als inkomen kan worden aangemerkt, is onder meer van belang of de bron naar zijn aard overeenkomt met de in artikel 32, eerste lid, van de Pw genoemde inkomensbronnen. Bij kasstortingen is sprake van contante bedragen waarvan de herkomst en daarmee de inkomensbron in beginsel onduidelijk is. Indien het bedrag van de kasstorting kan worden aangewend voor de voorziening in het levensonderhoud, moet het bedrag daarom in beginsel worden aangemerkt als inkomen. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen, aldus de Raad.

6. Naar het oordeel van de rechtbank dient het begrip “herkomst” in dit verband aldus te worden begrepen, dat niet alleen duidelijk moet zijn van wie een bepaalde storting afkomstig is, maar ook met welk doel de storting is gedaan. De rechtbank ziet geen grond om in geval van een overboeking anders te oordelen, met dien verstande dat dan doorgaans duidelijk zal zijn van wie de overboeking afkomstig is. Eiseres is er echter niet in geslaagd duidelijkheid te verschaffen over de reden waarom het bedrag van € 300,- op haar bankrekening is overgemaakt. Eiseres heeft haar verklaringen daarover niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd en bovendien heeft zij hierover verschillend verklaard. In bezwaar heeft eiseres verklaard dat het geld door de dochter in bewaring is gegeven in verband met schoolkosten, terwijl zij zich in het beroepschrift op het standpunt stelt dat het bedrag bestemd is voor het verlovingsfeest van de dochter.

7. Het voorgaande betekent dat de storting van € 300,- op de bankrekening van eiseres als inkomen in aanmerking moet worden genomen en dat eiseres deze aan verweerder had moeten melden. Door dat niet te doen heeft zij de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan aan haar te veel bijstand is verstrekt. Verweerder was daarom gehouden de bijstand te herzien door alsnog met het ontvangen inkomen rekening te houden. Hieruit vloeit voort dat het verweerder tevens gehouden was de als gevolg van de herziening gemaakte kosten van bijstand van eiseres terug te vorderen.

8. Nu het teruggevorderde bedrag pas in het verweerschrift juist is vastgesteld en artikel 32 van de Pw in het bestreden besluit dus onjuist is toegepast, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit behalve wat betreft de ontbrekende kostenvergoeding ook op deze punten te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door de herzieningsperiode te bepalen op de maanden augustus, oktober en november 2016, de hoogte van de terugvordering vast te stellen op € 1.622,50 netto (€ 2.557,06 bruto) en alsnog een kostenvergoeding in bezwaar toe te kennen.

9. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand begroot op € 2.004,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de periode waarover verweerder het recht op bijstand heeft herzien, de hoogte van het teruggevorderde bedrag en de ontbrekende kostenvergoeding;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit en stelt de herzieningsperiode vast op de maanden augustus, oktober en november 2016 en de hoogte van de terugvordering op € 1.622,50 netto (€ 2.557,06 bruto);

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, aanwezigheid van

mr. S.M. Joseph, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.