Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1820

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
6141062 vz verz 17-18314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vaststelling van schade wegens slecht bewind door de bewindvoerder. Verzoek is afgewezen. Artikel 1:444, 1:445 lid 5 en 1:362 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6141062 VZ VERZ 17-18314

bm-nummer: BM 17512

uitspraak: 5 maart 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [plaatsnaam],

verzoekster,

gemachtigde: mr. K. Hoesenie,

tegen

1 [gedaagde 1], h.o.d.n. Ambulante Begeleiding Rotterdam (ABR) B.V.,

en

2. ABR B.V.,

kantoorhoudende en gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. A.D. Lachman.

Partijen worden hierna ook aangeduid als “[verzoekster]”, “[gedaagde 1]”, “ABR” en [gedaagde 1] en ABR gezamenlijk als “ABR c.s.”.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- de klacht / verzoekschrift met producties, ter griffie ontvangen op 22 juni 2017;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 22 september 2017;

- het verweerschrift met producties, ter griffie ontvangen op 16 oktober 2017.

1.2.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft uiteindelijk op 5 februari 2018 plaatsgevonden. [verzoekster] is in persoon verschenen vergezeld van haar gemachtigde. Namens ABR c.s. is de gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3.

De kantonrechter heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam d.d. 26 maart 2015 is het vermogen van [verzoekster] onder bewind gesteld met benoeming van [gedaagde 1] h.o.d.n. Ambulante Begeleiding Rotterdam (ABR) tot bewindvoerder.

2.2.

Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam d.d. 23 maart 2016 heeft de kantonrechter [gedaagde 1] h.o.d.n. Ambulante Begeleiding Rotterdam (ABR) op eigen verzoek ontslagen als bewindvoerder en ABR tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

2.3.

Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam d.d. 9 mei 2016 is naar aanleiding van het wijzigingsverzoek van [verzoekster] ABR per 15 mei 2016 ontslagen en F4 Advies B.V. per 15 mei 2016 benoemt tot bewindvoerder over de goederen van [verzoekster].

2.4.

Bij ambtshalve beschikkingen van de kantonrechter te Rotterdam d.d. 29 november 2017 is F4 Advies B.V. ontslagen als bewindvoerder en is Stichting CAV als tijdelijke bewindvoerder benoemd.

2.5.

Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam d.d. 9 februari 2018 is Stichting CAV definitief tot bewindvoerder benoemd.

3 Het verzoek

3.1.

Het verzoek van [verzoekster] strekt er toe, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) voor recht te verklaren dat ABR en [gedaagde 1] in de zorg van een goed bewindvoerder toerekenbaar tekort geschoten zijn, en jegens [verzoekster] aansprakelijk zijn;

b) ABR en [gedaagde 1], hoofdelijk, te veroordelen tot betaling van het verschil tussen de reguliere zorgverzekeringspremie en de premie van het CAK welke schade tot aan 1 juni 2017 € 344,34 bedraagt, en een door de kantonrechter naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding;

c) ABR en [gedaagde 1], hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan het verzoek heeft [verzoekster], samengevat en voor zover van belang het volgende ten grondslag gelegd. Hoewel het bewind op 26 maart 2015 is uitgesproken kon [verzoekster] pas op 6 mei 2015 bij de bank langsgaan om haar leefgeld op te nemen. [verzoekster] heeft daardoor ruim een maand geen leefgeld gehad. Ook eind juli 2015 en in de maand augustus 2015 kon [verzoekster] ondanks de gemaakte afspraak met ABR c.s. pas later dan afgesproken beschikken over het leefgeld. In mei 2016 kon [verzoekster] wederom niet tijdig beschikken over het leefgeld.

Voorts hebben ABR c.s. verzuimd te controleren of de uitkeringsinstantie de wijziging van het bankrekeningnummer had ontvangen, waardoor de uitkering nog op het oude rekeningnummer werd gestort. Daarnaast hebben ABR c.s. ten aanzien van de schuld bij Oxxio het treffen van een betalingsregeling niet goed opgepakt en ook verzuimd ten aanzien van de tandartsrekening (Famed) een regeling te treffen. Evenmin hebben ABR c.s. de incasso van Ohra goed opgepakt en zelfs zonder overleg met [verzoekster] een andere verzekering afgesloten. ABR c.s. hebben de zorgpremie niet betaald, waardoor [verzoekster] vanaf 1 juni 2016 een hogere premie moest betalen. Tot juni 2017 is dat een bedrag van € 344,34. ABR c.s. hebben evenmin zorggedragen voor een goede overdracht naar F4 Advies B.V. die per 15 mei 2016 tot bewindvoerder was benoemd. Tot slot is gebleken dat ABR c.s. op de schuldenlijst een schuld van € 4.000,00 hebben opgenomen, terwijl [verzoekster] met deze schuld niet bekend is. Naast vergoeding van de materiële schade ad € 344,34 heeft [verzoekster] tevens aanspraak op vergoeding van immateriële schade. Door het handelen van ABR c.s. is [verzoekster] in haar eer of goede naam geschaad of op andere wijze in haar persoon aangetast.

3.3.

ABR c.s. hebben de verwijten gemotiveerd weersproken en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

3.4.

Bij de beoordeling zal nader op het verweer worden ingegaan.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

In artikel 1:444 BW is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is, als hij tekortschiet in de zorg van een goed bewindvoerder, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Dit betekent dat de handelwijze van de bewindvoerder, ook al is hierdoor schade ontstaan, niet automatisch leidt tot aansprakelijkheid. Gekeken zal moeten worden of de bewindvoerder heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een zorgvuldig handelende bewindvoerder verwacht mag worden.

4.2.

Op grond van artikel 1:362 BW, dat ingevolge artikel 1:445 lid 4 BW van overeenkomstige toepassing is bij bewind, kan de kantonrechter de schade vaststellen, die de rechthebbende door slecht bewind van de bewindvoerder heeft geleden en de bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen.

Niet betalen zorgpremie

4.3.

Naar aanleiding van de stelling van [verzoekster] dat ABR c.s. de zorgpremie niet hebben betaald en [verzoekster] hierdoor vanaf juni 2016 een hoger premie verschuldigd is, hebben ABR c.s. als productie 6 een transactieoverzicht in het geding gebracht. ABR c.s. hebben onder verwijzing naar dit overzicht betwist dat zij hebben verzuimd de zorgpremie te betalen en aangevoerd dat zij tot het einde van het bewind de premie hebben voldaan. Uit het overzicht kan worden afgeleid dat vanaf juni 2015 tot en met april 2016 maandelijks de zorgpremie is betaald en voorts dat over deze periode maandelijks een bedrag van € 25,00 ter aflossing van de achterstand is voldaan. [verzoekster] heeft de juistheid van dit overzicht niet betwist, noch feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de zorgpremie niet is voldaan. Nu niet gebleken is dat ABR c.s. hebben verzuimd de zorgpremie te voldoen in de periode dat zij bewindvoerder waren over het vermogen van [verzoekster], kan niet worden geoordeeld dat ABR c.s. op dit punt zijn tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder. De gevorderde betaling van de hogere premie tot en met juni 2017 ad € 344,34 komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

4.4.

Voorts hebben ABR c.s. terecht opgemerkt dat zij ten aanzien van het verhogen van de premie geen actie hebben kunnen ondernemen omdat de daarop betrekking hebbende brief van het Zorginstituut Nederland waarin de verhoging van de premie wegens een betalingsachterstand is aangekondigd van 6 juni 2016 dateert. ABR c.s. waren op dat moment geen bewindvoerder meer over het vermogen van [verzoekster], nu zij per 15 mei 2016 zijn ontslagen als bewindvoerder.

Te laat beschikken over bankrekening

4.5.

Naar aanleiding van de stelling van [verzoekster] dat zij lang heeft moeten wachten voordat zij kon beschikken over een bankrekening waardoor zij een maand lang geen leefgeld heeft gehad, hebben ABR c.s. aangevoerd dat er een verwerkingstijd geldt bij de bank voordat een en ander administratief is geregeld. Voorts hebben ABR c.s. aangevoerd dat zij [verzoekster] erop hebben gewezen dat, ondanks dat zij het bankpasje nog niet had ontvangen, zij met een geldig legitimatiebewijs bij het bankfiliaal geld zou kunnen opnemen. Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] langer dan gebruikelijk heeft moeten wachten voordat zij kon beschikken over de bankrekening waarop het leefgeld wordt gestort. Er zijn de kantonrechter evenmin feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan geoordeeld moeten worden dat ABR c.s. op dit punt tekortgeschoten zijn in de zorg van een goed bewindvoerder.

Oxxio

4.6.

Naar aanleiding van de stelling van [verzoekster] dat ABR c.s. het treffen van een betalingsregeling met Oxxio niet goed hebben opgepakt, hebben ABR c.s. aangevoerd dat de achterstand in de betaling al bestond voor het bewind werd ingesteld en Oxxio haar vordering al voorafgaand aan de onderbewindstelling uit handen had gegeven. Voorts hebben ABR c.s. aangevoerd met het incassobureau contact te hebben gehad, maar dat Oxxio met geen enkele betalingsregeling wilde instemmen. Toen Oxxio dreigde de energie af te sluiten als niet de gehele achterstand werd voldaan, hebben ABR c.s. [verzoekster] bij Essent aangemeld. Pas na de overstap naar Essent heeft Oxxio met een betalingsregeling ingestemd.Tegenover deze betwisting lag het op de weg van [verzoekster] haar stelling dat ABR c.s. het treffen van de betalingsregeling met Oxxio niet goed hebben opgepakt nader te onderbouwen. [verzoekster] heeft dat verzuimd, zodat onvoldoende gesteld is om aan te nemen dat ABR c.s. het treffen van een betalingsregeling niet goed hebben opgepakt. Daar komt bij dat indien een schuldeiser niet met een betalingsregeling wil instemmen dat niet zonder meer aan ABR c.s. kan worden verweten. Schuldeisers zijn immers niet verplicht in te stemmen met een betalingsregeling.

Geld naar oude bankrekening

4.7.

Dat ABR c.s. niet hebben gehandeld als van een zorgvuldig bewindvoerder mag worden verwacht kan evenmin worden afgeleid uit het feit dat de uitkering van [verzoekster] nog op de oude bankrekening is gestort. ABR c.s. hebben aangevoerd de wijziging te hebben doorgegeven en geen invloed te hebben op de verwerkingstijd bij de bank. Nu gesteld noch gebleken is dat de uitkering van [verzoekster] gedurende langere tijd op de oude bankrekening is gestort en dat ABR c.s. zou hebben verzuimd dit tijdig te corrigeren, is de kantonrechter van oordeel dat ABR c.s. niet tekort zijn geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder.

Betaling Ohra

4.8.

Naar aanleiding van de stelling van [verzoekster] dat ABR c.s. de incasso ten behoeve van Ohra niet goed hebben opgepakt en zelfs zonder overleg de verzekering hebben beëindigd, hebben ABR c.s. aangevoerd dat zij wel degelijk zorg hebben gedragen voor betaling en [verzoekster] pas in september 2015 een brief van Ohra heeft doorgestuurd waarvan achteraf is gebleken dat het niet de eerste brief van Ohra is geweest. De betreffende brief betrof een verzoek tot betaling van € 221,06. Volgens ABR c.s. was het saldo niet toereikend om deze betaling te verrichten en hebben daarom met [verzoekster] contact opgenomen om een andere verzekering af te sluiten. Daarop heeft [verzoekster] te kennen gegeven zelf een andere verzekering te zullen afsluiten, aldus ABR c.s. Uit het e-mailbericht van Ohra van 7 oktober 2015 (zie productie 5 van het verzoekschrift) waarin te kennen wordt gegeven dat de verzekeringen zijn beëindigd kan echter niet worden afgeleid of dat op verzoek van ABR c.s. heeft plaatsgevonden, danwel dat Ohra dit om andere redenen heeft gedaan. Voorts kan uit de door ABR c.s. als productie 3 overgelegde stukken worden afgeleid dat ABR c.s. bij aanvang van het bewind met Ohra contact op hebben genomen en voor betaling hebben zorggedragen. Gelet op deze producties en gelet op het gemotiveerde verweer van ABR c.s. had het op de weg van [verzoekster] gelegen haar stellingen nader te onderbouwen. Nu [verzoekster] dit heeft verzuimd is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat ABR c.s. de betaling van Ohra niet goed hebben opgepakt en zonder overleg de verzekering bij Ohra hebben beëindigd.

Leefgeld

4.9.

Niet in geschil is dat [verzoekster] een aantal keer pas op een later moment over het afgesproken leefgeld kon beschikken en dat zij een enkele keer minder leefgeld heeft ontvangen dan was afgesproken.

4.10.

ABR c.s. hebben naar aanleiding van deze klacht te kennen gegeven dat [verzoekster] hierover al eerder had geklaagd en er toen tot een gezamenlijke oplossing is gekomen. Voor ABR c.s. is het daarom niet begrijpelijk dat deze klacht opnieuw wordt aangevoerd. Voorts hebben ABR c.s. aangegeven dat op enig moment het saldo op de bankrekening onvoldoende was waardoor de uitbetaling van het leefgeld niet automatisch was uitgevoerd. ABR c.s. hebben toen handmatig een bedrag van € 30,00 overgemaakt zodat [verzoekster] toch beschikking had over een bedrag aan leefgeld. Voorts hebben ABR c.s. te kennen gegeven dat [verzoekster] zich niet aan de afspraak heeft gehouden en zonder overleg met ABR c.s. een nieuwe schuld heeft gemaakt. Doordat er al met alle schuldeisers regelingen waren getroffen was er geen ruimte om nieuwe rekeningen/schulden te betalen en waren ABR c.s. daardoor genoodzaakt in te houden op het leefgeld.

4.11.

De kantonrechter begrijpt heel goed dat de momenten waarop [verzoekster] niet op tijd kon beschikken over het leefgeld of minder leefgeld kreeg voor [verzoekster] en haar dochter uiterst vervelend waren. In het licht van de toelichting die ABR c.s. hebben gegeven heeft [verzoekster] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat ABR c.s. hebben gehandeld in strijd met hetgeen van een zorgvuldig handelende bewindvoerder verwacht mag worden. Hoe vervelend de situaties voor [verzoekster] ook zijn geweest, kan een en ander niet tot het oordeel leiden dat ABR c.s. in deze een verwijt kan worden gemaakt op grond waarvan ABR c.s. gehouden is tot vergoeding van schade.

Geen regeling getroffen met Famed

4.12.

Naar aanleiding van de stelling van [verzoekster] dat ABR c.s. hebben verzuim ten aanzien van de tandartsrekening een regeling te treffen en zonder overleg een deel van het leefgeld hebben aangewend om de factuur te voldoen, hebben ABR c.s. aangevoerd dat [verzoekster] zonder overleg met ABR c.s. naar de tandarts is gegaan en ABR c.s. ineens met een nieuwe rekening werd geconfronteerd. Omdat ABR c.s. al met de schuldeisers regelingen had getroffen was er gelet op de financiële situatie van [verzoekster] geen ruimte om nieuwe rekeningen/schulden te betalen en dit is ook aan [verzoekster] uitgelegd. Voorts hebben ABR c.s. onder verwijzing naar de tussen ABR c.s. en [verzoekster] gesloten overeenkomst waarin is opgenomen dat voor het maken van nieuwe schulden eerst overlegd moet worden, betwist dat het [verzoekster] niet bekend was dat zij geen nieuwe schulden mocht maken. Tot slot hebben ABR c.s. aangevoerd dat de rekening is betaald. Hoewel het begrijpelijk is dat [verzoekster] een afspraak bij de tandarts heeft gemaakt, had het gelet op de afspraak met ABR c.s. op haar weg gelegen eerst met ABR c.s. te overleggen. Door dit niet te doen werden ABR c.s. geconfronteerd met een nieuwe rekening/schuld en was het aan ABR c.s. te bezien op welke wijze zij de rekening konden betalen. Dat het inkomen van [verzoekster] naast de reeds bestaande betalingsregelingen en de te betalen vaste lasten ruimte bood voor betaling is de kantonrechter niet gebleken. Evenmin is het de kantonrechter gebleken dat ABR c.s. al in de gelegenheid waren geweest een reserve op te bouwen voor dergelijke situaties. Naar het oordeel van de kantonrechter is de keuze van ABR c.s. begrijpelijk en is de handelwijze niet in strijd met hetgeen van een zorgvuldig handelend bewindvoerder verwacht mag worden.

Slechte overdracht aan nieuwe bewindvoerder

4.13.

Naar aanleiding van de stelling van [verzoekster] dat de overdracht naar de nieuwe bewindvoerder F4 Advies slecht is verlopen, hebben ABR c.s. aangevoerd dat zij het gehele dossier zowel per post als per e-mail aan F4 Advies hebben gestuurd en het F4 Advies is geweest die heeft verzuimd contact op te nemen met ABR c.s. Volgens ABR c.s. lag het op de weg van F4 Advies indien er vragen of eventuele onvolkomenheden waren contact op te nemen met ABR c.s. Voorts hebben ABR c.s. aangevoerd dat [verzoekster] hen niet vooraf in kennis heeft gesteld van de wens tot wijziging van bewindvoerder en ABR c.s. aldus werden verrast en niet hebben kunnen anticiperen op de aanstaande wisseling van bewindvoerder. ABR c.s. hebben daardoor geen maatregelen kunnen treffen ten aanzien van bijvoorbeeld het leefgeld. Vanaf het moment dat ABR c.s. bewindvoerder af waren konden zij geen financiële handelingen meer voor [verzoekster] verrichten. Gelet op de gemotiveerde betwisting lag het op de weg van [verzoekster] haar stelling met concrete feiten en omstandigheden nader te onderbouwen en heeft zij niet kunnen volstaan met de mededeling dat de overdracht niet soepel is verlopen. Dat er eind juni 2016 achterstanden waren kan ABR c.s. niet worden verweten, nu niet gebleken is dat die achterstanden zijn ontstaan ten tijde van het bewind van ABR c.s. tot 15 mei 2016. Uit de door [verzoekster] overgelegde producties 14 tot en met 19 kan evenmin worden afgeleid dat ABR c.s. niet hebben gehandeld als van een goed handelend bewindvoerder mag worden verwacht.

Onbekende schuld op schuldenoverzicht

4.14.

Naar aanleiding van de stelling van [verzoekster] dat ABR c.s. ten onrechte een schuld aan Huurmij van € 4.000,00 op de schuldenlijst van [verzoekster] hebben opgenomen, hebben ABR c.s. aangevoerd dat zij op basis van de informatie die [verzoekster] heeft gegeven navraag hebben gedaan bij Credifixx betreffende de schuld aan Huurmij. Uit de als productie 21 bij verzoekschrift overgelegde correspondentie blijkt dat ABR c.s. Credifixx hebben geïnformeerd over het ingestelde bewind en dat vervolgens Credifixx bij ABR c.s. heeft verzocht om een dossiernummer of oude adresgegevens. Nadat ABR c.s. deze gegevens had verstrekt heeft Credifixx laten weten dat er sprake was van een schuld van € 4.000,00 die mede op naam van [verzoekster] stond. Gelet op deze correspondentie ziet de kantonrechter geen aanleiding te oordelen dat ABR c.s. onzorgvuldig hebben gehandeld. Nu [verzoekster] heeft gesteld dat zij deze schuldeiser niet kent, dient dit nader te worden uitgezocht door de huidige bewindvoerder. Er zijn de kantonrechter geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat het ABR c.s. al eerder bekend was dat volgens [verzoekster] deze schuld niet juist was, zodat ABR c.s. niet kan worden verweten geen nader onderzoek naar deze schuld te hebben gedaan.

4.15.

Nu ten aanzien van de door [verzoekster] naar voren gebrachte punten niet is gebleken dat ABR c.s. hebben gehandeld in strijd met hetgeen van een zorgvuldig handelend bewindvoerder verwacht mag worden, komt de kantonrechter niet toe aan het vaststellen van schade. ABR c.s. zijn immers niet toerekenbaar tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder en aldus niet gehouden tot vergoeding van schade. Het verzoek van [verzoekster] zal daarom worden afgewezen.

4.16.

[verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van ABR c.s.

5 De beslissing

De kantonrechter

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van ABR c.s. worden vastgesteld op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

754

Ingevolge het bepaalde in artikel 806 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan van een beschikking hoger beroep worden ingesteld:

  • -

    door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • -

    door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.