Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1800

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
10/994532-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van het feitelijke leidinggeven aan het niet doorgeven van oorzaken en oplossing ten gevolge van een incident op 14 oktober 2009 bij het bedrijf [naam bedrijf]. Er kan namelijk niet vastgesteld worden dat er sprake is geweest van opzet van het bedrijf.

Vrijspraak, artikel 18.18 wet milieubeheer, verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 10/994532-14

Datum uitspraak: 7 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Rotterdam meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

wonende op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Boogert en van wat verdachte en zijn raadslieden mr. G.J.K. Elsen en mr. F. Ahlers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

[naam verdachte rechtspersoon] op of omstreeks 14 oktober 2009, in ieder geval in of omstreeks de periode van 14 oktober 2009 tot en met 29 oktober 2009 te Rotterdam,

opzettelijk,

als drijver van een inrichting voor de opslag in tanks van voornamelijk organische chemicaliën, minerale olieproducten en (gevaarlijke) afvalstoffen, gelegen aan de [adres] te Rotterdam, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1.3, 2.6, 4.1, 5.1, 5.3, 6.1, 27.1 en/of 28.4 van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit

milieubeheer,

waarin zich op of omstreeks 14 oktober 2009 een ongewoon voorval voordeed en/of had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of dreigden te ontstaan, namelijk een lekkage van methanol, zijnde een gevaarlijke en/of vergiftige en/of licht ontvlambare stof, bij het beladen van een wagon,

dat voorval niet, in ieder geval niet zo spoedig mogelijk, aan Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland heeft gemeld;

tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[naam verdachte rechtspersoon] in de periode van 14 oktober 2009 tot en met 26 juli 2013 te Rotterdam,

opzettelijk,

als drijver van een inrichting voor de opslag in tanks van voornamelijk organische chemicaliën, minerale olieproducten en (gevaarlijke) afvalstoffen, gelegen aan de [adres] te Rotterdam, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1.3, 2.6, 4.1, 5.1, 5.3, 6.1, 27.1 en/of 28.4 van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

waarin zich op of omstreeks 14 oktober 2009 een ongewoon voorval voordeed en/of had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of dreigden te ontstaan, namelijk een lekkage van methanol, zijn een gevaarlijke en/of vergiftige en/of licht ontvlambare stof, bij het beladen van een wagon,

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland niet,

zodra zij bekend waren (onder andere door onderzoek waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een memorandum van 23 oktober 2009 [pv: [proces-verbaalnummer] , pag. 131-138]),

de gegevens heeft verstrekt met betrekking tot

- de oorzaken van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan en/of

- de ten gevolge van het voorval vrijgekomen stoffen, alsmede hun eigenschappen en/of

- andere gegevens die van belang zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor het milieu van het voorval te kunnen beoordelen en/of

- de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken en/of

- de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval zich nogmaals kan voordoen,

tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven.

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank is van oordeel dat waar in het ten laste gelegde feit 2 de zinsnede “…(onder andere door onderzoek waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een memorandum van 23 oktober 2009 [pv: [proces-verbaalnummer] , pag. 131-138])” is opgenomen, de dagvaarding – in het licht van het dossier – ten aanzien van die zinsnede niet voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde eisen. Onduidelijk is immers op welke andere gegevens dan de gegevens uit het genoemde memorandum het verwijt ziet.

De dagvaarding zal dan ook voor wat betreft het onderdeel “onder andere” nietig worden verklaard.

De dagvaarding is voor het overige geldig.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, onder verwijzing naar de pleitnota preliminaire verweren, aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Verjaring

Het recht tot strafvordering is komen te vervallen voor feit 1 (zowel voor het impliciet primair ten laste gelegde misdrijf als voor de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding) en voor de bij feit 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding.

Met betrekking tot de impliciet ten laste gelegde overtredingen geldt, dat het recht tot strafvordering ten aanzien van feit 1 en feit 2 in ieder geval respectievelijk op 30 oktober 2012 en 26 juli 2016 door verjaring is komen te vervallen. Het betreft overtredingen waarvoor een verjaringstermijn van drie jaren geldt, welke termijn aanvangt na de dag waarop de feiten zouden zijn gepleegd.

Ook het bij feit 1 impliciet primair ten laste gelegde misdrijf is verjaard en wel op 30 oktober 2015. Voor dat feit geldt een verjaringstermijn van zes jaren, aangezien dat feit bedreigd is met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Om die reden dient de officier van justitie voor deze feiten niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging.

Verbod van willekeur/gelijkheidsbeginsel

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat voor het resterende deel van de tenlastelegging het volgende geldt. Het Openbaar Ministerie behoort in zijn strafvervolging (volledig) niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat de strafrechtelijke vervolging van verdachte in strijd is met het beginselen van een goede procesorde en meer in het bijzonder met het verbod van willekeur, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Een vervolging van een natuurlijk persoon voor het feitelijk leiding geven aan een overtreding van artikel 17.2. Wet milieubeheer (Wm) komt niet vaak voor. In het bijzonder niet als de drijver van de inrichting (zijnde de normadressaat van de ten laste gelegde overtredingen) voor de overtredingen niet vervolgd wordt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen de zaak tegen [naam verdachte rechtspersoon] te seponeren. Gelet daarop is de beslissing verdachte we te vervolgen in strijd met de Aanwijzing handhaving milieurecht en met het gelijkheidsbeginsel. .

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van verjaring ten aanzien van de overtredingen in de ten laste gelegde feiten 1 en 2. Ter zake daarvan is de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de misdrijf variant in het ten laste gelegde feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat er een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. De officier van justitie heeft half maart 2014 besloten de thans gedagvaarde verdachten te vervolgen. Dit is bij brief van 14 maart 2014 kenbaar gemaakt aan de verdediging. Bij die brief is een concept-tenlastelegging verstrekt. Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging onderzoekswensen ex artikel 182 Sv ingediend bij de rechter-commissaris. In april 2014 heeft de officier van justitie zijn zienswijze op dit verzoek kenbaar gemaakt aan de rechter-commissaris. Het instemmen van de officier van justitie met het verrichten van onderzoek door de rechter-commissaris dient, aldus de officier van justitie, als een daad van vervolging gezien te worden analoog aan het instellen van een vordering ex artikel 181 Sv. De verjaring is daarmee gestuit.

Ten aanzien van de beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan heeft de officier van justitie aangevoerd dat [naam verdachte rechtspersoon] reeds in andere zaken is vervolgd, In deze zaak is er sprake van een bijzondere rol van verdachte. In het kader van generale preventie is er voor vervolging van verdachte gekozen.

Het oordeel van de rechtbank

Het sturen van een brief door de officier van justitie met daarin de mededeling dat hij voornemens is om verdachte te vervolgen geldt niet als een daad van vervolging. Het bijvoegen van een concept-tenlastelegging maakt dat niet anders (HR 13 juli 2010, LJN BN1028).

Evenmin is als een daad van vervolging aan te merken de zienswijze van de officier van justitie op een verzoek ex artikel 182 Sv van de verdediging tot het verrichten van nader onderzoek door de rechter-commissaris. Voor analoge toepassing met het indienen van een vordering ex artikel 181 Sv is geen plaats. De eerste stuitingshandeling vond daarom plaats door het uitbrengen van de dagvaarding, eind augustus 2017. Voordien, op 30 oktober 2015, was het onder 1 ten laste gelegde feit verjaard.

Ook de overtredingsvarianten van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zijn verjaard omdat er in die gevallen sprake is van overtredingen die ingevolge artikel 70 lid 1, sub 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) verjaren na drie jaar. De overtredingsvariant van het onder 1 ten laste gelegde is verjaard op 30 oktober 2012 en die van het onder 2 ten laste gelegde op 26 juli 2016.

Dit betekent dat de officier van justitie ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde en van de onder 2 ten laste gelegde overtredingsvariant niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

De afwegingen van de officier van justitie om tot vervolging van niet de rechtspersoon maar één van haar managers te besluiten zijn niet van dien aard dat geen redelijk denkend officier van justitie tot deze beslissing zou zijn gekomen. [naam verdachte rechtspersoon] was kort voordien wegens andere milieuovertredingen strafrechtelijk vervolgd en had zware straffen opgelegd gekregen, terwijl in de visie van de officier van justitie in deze zaak de manager opzettelijk de hier gepleegde overtreding onder de pet had gehouden. Van strijd met de aanwijzing is geen sprake en de beslissing getuigt niet van willekeur.

De rechtbank stelt voor het overige vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2. Verdachte heeft, nadat hem het incident was gebleken, slechts intern, maar niet extern actie ondernomen, hoewel dat van hem als managing director van een bedrijf dat begin 2009 door de toezichthoudende autoriteiten als achterblijver is aangemerkt op het gebied van veiligheid- en milieuperformance had moeten worden verwacht. Er is daarom minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet op het niet nakomen door de vennootschap van de meldingsplicht van artikel 17.2 lid 2 van de Wet Milieubeheer zodat verdachte leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

De verdediging bestrijdt dit en bepleit vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt het ervoor dat de melding als bedoeld in genoemde wetsbepaling is uitgebleven, gelet op de op pagina 130 van het dossier opgenomen brief. Daaruit leidt de rechtbank af dat de bevoegde autoriteiten op geen enkele wijze, dus ook niet door een melding als bedoeld in artikel 17.2 lid 2 van de Wet Milieubeheer op de hoogte waren gesteld van het voorval.

De rechtbank heeft in het dossier, daaronder begrepen het door de rechter-commissaris verrichte onderzoek, niets aangetroffen waaruit blijkt dat onderzoek is gedaan naar de vraag of een melding in de zin van lid 2 van artikel 17.2 Wet Milieubeheer inderdaad niet is gedaan en, zo dat het geval is geweest, wie binnen het bedrijf [naam verdachte rechtspersoon] daarvoor de verantwoordelijkheid droegen en welke redenen of oorzaken kunnen worden aangewezen voor het uitblijven van de melding. Opvallend is daarbij dat zelfs aan verdachte niets over dit specifieke onderwerp is gevraagd.

Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank niet kan vaststellen, aangenomen dat de melding is uitgebleven, of de vennootschap dit opzettelijk heeft nagelaten. Evenmin kan worden vastgesteld welke rol verdachte, die binnen het bedrijf verantwoordelijk was voor onder meer compliance, daarbij heeft gespeeld.

Dat betekent dat verdachte moet worden vrijgesproken van de misdrijfvariant van het ten laste gelegde.

De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat de overtredingsvariant van het ten laste gelegde is verjaard.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

  • -

    Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder feit 2 primair ten laste gelegde nietig voor wat betreft de zinsnede “onder andere”.

  • -

    Verklaart de officier van justitie ter zake van het ten laste gelegde onder feit 1 en het onder feit 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde niet ontvankelijk in de strafvervolging.

- Verklaart het onder feit 2 primair ten laste gelegde voor het overige niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. van der Putte, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 maart 2018.