Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1797

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
10/994512-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het niet volgens de vergunningsvoorschriften laden van een treinwagon met de stof methanol. Er kan namelijk niet vastgesteld worden dat het bedrijf, waar verdachte werkzaam was, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde feiten.

Vrijspraak, artikel 18.18 wet milieubeheer, verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2018/75 met annotatie van M. Velthuis, V. Lampers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 10/994512-14

Datum uitspraak: 7 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Boogert en van wat verdachte en zijn raadsman mr. C.N.G.M. Starmans naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegde dat

1.

[naam verdachte rechtspersoon] op of omstreeks 14 oktober 2009 te Rotterdam, althans in Nederland,

opzettelijk,

zich heeft gedragen in strijd met voorschrift 20.9 dat verbonden is aan een krachtens de Wet milieubeheer aan haar voor de inrichting gelegen aan de [adres] verleende vergunning, te weten de beschikking/het besluit, met kenmerk [kenmerknummer] , op 21 december 2004 verleend door/namens Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland,

aangezien in strijd met dat voorschrift,

het laden van een railwagon niet lekvrij geschiedde, immers vond bij het laden van een railwagon op spoor 7B een lekkage van methanol plaats;

tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[naam verdachte rechtspersoon] op of omstreeks 14 oktober 2009 te Rotterdam, althans in Nederland,

opzettelijk,

zich heeft gedragen in strijd met voorschrift 20.11 dat verbonden is aan een krachtens de Wet milieubeheer aan haar voor de inrichting gelegen aan de [adres] verleende vergunning, te weten de beschikking/het besluit, met kenmerk [kenmerknummer] , op 21 december 2004 verleend door/namens Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland,

aangezien in strijd met dat voorschrift,

het laden van een ketel- en/of tankwagen (wagon) met methanol niet geschiedde volgens een/de interne, vooraf opgestelde, schriftelijke procedure, immers, geschiedde het (be)laden van een ketel- en/of tankwagen (wagon) met methanol op spoor 7B niet met een laadarm die was voorzien van een overvulbeveiliging en/of

werden de vrijkomende dampen tijdens het (be)laden van een ketel- en/of tankwagen (wagon) met methanol op spoor 7B niet afgevoerd naar het dampcondensatie-systeem (DVS-2);

tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

[naam verdachte rechtspersoon] op of omstreeks 14 oktober 2009 te Rotterdam, althans in Nederland,

opzettelijk,

zich heeft gedragen in strijd met voorschrift 20.16 dat verbonden is aan een krachtens de Wet milieubeheer aan haar voor de inrichting gelegen aan de [adres] verleende vergunning, te weten de beschikking/het besluit, met kenmerk [kenmerknummer] , op 21 december 2004 verleend door/namens Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland,

aangezien in strijd met dat voorschrift,

de beëindiging van de belading van een wagon met methanol op spoor 7B niet automatisch geschiedde door het bereiken van een ingesteld gewicht op de weegbrug;

tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

4.

[naam verdachte rechtspersoon] op of omstreeks 14 oktober 2009 te Rotterdam,

als degene die beroepshalve (een) stof(fen) en/of prepara(a)t(en) vervaardigt en/of in Nederland invoert en/of toepast en/of bewerkt en/of verwerkt en/of aan een ander ter beschikking stelt,

en wist en/of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door haar handelingen met die stof(fen) en/of (dat) prepara(a)t(en) gevaren konden optreden voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu,

opzettelijk,

niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, ten einde die gevaren zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beperken,

aangezien,

het (be)laden van een wagon met methanol geschiedde zonder overvulbeveiliging en/of de bij de belading van een wagon met methanol vrijkomende dampen niet werden afgevoerd naar een dampcondensatie- en/of dampverwerkingssysteem;

tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

5.

[naam verdachte rechtspersoon] in of omstreeks de periode van 14 oktober 2009 tot en met 29 oktober 2009 te Rotterdam,

opzettelijk,

als drijver van een inrichting voor de opslag in tanks van voornamelijk organische chemicaliën, minerale olieproducten en (gevaarlijke) afvalstoffen, gelegen aan de [adres] te Rotterdam, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1.3, 2.6, 4.1, 5.1, 5.3, 6.1, 27.1 en/of 28.4 van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

waarin zich op of omstreeks 14 oktober 2009 een ongewoon voorval voordeed en/of had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of dreigden te ontstaan, namelijk een lekkage van methanol, zijnde een gevaarlijke en/of vergiftige en/of licht ontvlambare stof, bij het beladen van een wagon, dat voorval niet, in ieder geval niet zo spoedig mogelijk, aan Gedeputeerde

Staten van de provincie Zuid-Holland heeft gemeld;

tot welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

opdracht heeft gegeven, en/of aan welke verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven.

3 Voorvragen

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, onder verwijzing naar de pleitnota, aangevoerd dat de officier van justitie om verschillende redenen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd

Verbod van willekeur

Door de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van strijd met het verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel. In de onderhavige zaak wordt niet de rechtspersoon strafrechtelijk vervolgd, maar de natuurlijke persoon, terwijl de milieuvoorschriften zich richten tot de rechtspersoon. Het Openbaar Ministerie heeft in het verleden altijd gekozen voor de vervolging van de rechtspersoon en nooit voor de vervolging van natuurlijke personen. Enige uitleg heeft de officier van justitie daar niet voor gegeven en daarmee is de grens van het opportuniteitsbeginsel bereikt. Daarnaast is de positie van verdachte naar de mening van de verdediging gelijk te stellen met andere personen binnen [naam verdachte rechtspersoon] die ook betrokken zijn bij de ten laste gelegde feiten. Dat deze personen in strafrechtelijke zin niet in beeld zijn gekomen is ook in strijd met het verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel.

Overschrijding van de redelijke termijn

In combinatie met de bovengenoemde argumenten om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake is van een grote overschrijding van de redelijke termijn.

Negatieve beïnvloeding van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM

De verdediging is van mening dat de materiële waarheidsvinding schade is aangedaan doordat het memorandum van Luteyn aan de getuigen is voorgelegd vóór hun verhoor bij de politie. Op het moment dat de getuigen zijn gehoord door de politie was het incident al lange tijd geleden en het lezen van het memorandum kan de herinneringen van de getuigen hebben gekleurd.

Een aanknopingspunt daarvoor is dat de getuigen in hun verhoren regelmatig verwijzen naar wat er in het memorandum staat. Het zo eminent gebruiken van het memorandum kan zonder meer als een valse start van het onderzoek gekwalificeerd worden en in die zin tevens als een vormverzuim. Gelet op het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, dient het verzuim te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Vervolging in strijd met de Aanwijzing handhaving Milieurecht

Strafrechtelijke vervolging kan op basis van de Aanwijzing slechts tegen bedrijven/ondernemingen, niet tegen individuele personen. Voor zover er sprake is van een kernbepaling dan heeft verdachte daar niet doelbewust mee in strijd gehandeld, Het is een incident dat gering van omvang is. Bovendien is het inmiddels ruim acht jaar verder en is niet van andere incidenten gebleken aan de zijde van verdachte.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde is sprake van verjaring. De opzettelijke overtreding van artikel 17.2 van de Wet Milieubeheer is bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Ingevolge artikel 70, sub 1 van het Wetboek van Strafrecht verjaart een dergelijk misdrijf na zes jaren. De ten laste gelegde periode omvat de periode van 14 oktober 2009 tot en met 29 oktober 2009. Dat betekent dat er sprake zou zijn van verjaring op 15 oktober 2015 of in het uiterste geval op 30 oktober 2015.

Het verhoor van medeverdachte [naam medeverdachte] bij de rechter-commissaris

Tijdens de terechtzitting op 20 september 2017 is door de rechtbank bepaald dat het verhoor van medeverdachte [naam medeverdachte] niet gevoegd zal worden in het dossier van verdachte.
De verklaring van [naam medeverdachte] kan daarom niet gebruikt worden in de zaak tegen verdachte.
Door het verhoor van [naam medeverdachte] achter zijn op schrift gestelde requisitoir te voegen als bijlage heeft de officier van justitie naar de mening van de verdediging geprobeerd om via een omweg de verklaring alsnog in het dossier te voegen. Dit moet, aldus de verdediging, gezien worden als minachting van de rechtbank. en dit dient tot gevolg te hebben dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van verjaring ten aanzien van de overtredingen in de ten laste gelegde feiten 1 en 2. Ter zake daarvan is de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de misdrijf variant in het ten laste gelegde feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat er een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. De officier van justitie heeft half maart 2014 besloten de thans gedagvaarde verdachten te vervolgen. Dit is bij brief van 14 maart 2014 kenbaar gemaakt aan de verdediging. Bij die brief is een concept-tenlastelegging verstrekt. Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging onderzoekswensen ex artikel 182 Sv ingediend bij de rechter-commissaris. In april 2014 heeft de officier van justitie zijn zienswijze op dit verzoek kenbaar gemaakt aan de rechter-commissaris. Het instemmen van de officier van justitie met het verrichten van onderzoek door de rechter-commissaris dient, aldus de officier van justitie, dan ook als een daad van vervolging gezien te worden analoog aan het instellen van een vordering ex artikel 181 Sv. De verjaring is daarmee gestuit.

Ten aanzien van de beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan heeft de officier van justitie aangevoerd dat [naam verdachte rechtspersoon] reeds in andere zaken is vervolgd, In deze zaak is er sprake van een bijzondere rol van verdachte. In het kader van generale preventie is er voor vervolging van verdachte gekozen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht geen schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde aanwezig omdat de officier van justitie in redelijkheid tot de beslissing is kunnen komen om verdachte en niet de vennootschap te vervolgen. In zijn afwegingen heeft de officier van justitie betrokken dat de vennootschap kort voordien strafrechtelijk voor soortgelijke feiten is vervolgd en daarvoor een zware straf opgelegd heeft gekregen, terwijl in de visie van de officier van justitie verdachte tegen de uitdrukkelijke wens van andere werknemers in opdracht tot het plegen van de milieuovertreding heeft gegeven.

De rechtbank acht het vormverzuim door de getuigen van te voren het memorandum van Luteyn te tonen, indien dit al als een vormverzuim kan worden aangemerkt, gerepareerd doordat de verdediging deze getuigen ten overstaan van de rechter-commissaris heeft kunnen ondervragen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer dat vervolgd is in strijd met de ‘Aanwijzing handhaving milieurecht’, dat daarin is vermeld dat “naarmate hun” (bedoeld zijn: functionarissen van de rechtspersoon) “als feitelijk leidinggevers een groter verwijt kan worden gemaakt” reden kan zijn ook natuurlijke personen te vervolgen, het hier gaat om overtreding van zogenoemde kernbepalingen van de milieuwetgeving, namelijk handelen in strijd met vergunningvoorschriften en in de visie van de officier van justitie verdachte hier een ernstig verwijt treft. Van strijd met de aanwijzing is dus geen sprake.

Het sturen van een brief door de officier van justitie met daarin de mededeling dat hij voornemens is om verdachte te vervolgens geldt niet als een daad van vervolging. Het bijvoegen van een concept-tenlastelegging maakt dat niet anders (HR 13 juli 2010, LJN BN1028).

Evenmin is als een daad van vervolging aan te merken de zienswijze van de officier van justitie op een verzoek ex artikel 182 Sv van de verdediging tot het verrichten van nader onderzoek door de rechter-commissaris. Voor analoge toepassing met het doen van een vordering als bedoeld in artikel 181 Sv is geen plaats.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het sturen van de dagvaarding aan verdachte in augustus 2017 op als eerste daad van vervolging heeft te gelden. Deze datum ligt na 30 oktober 2015 waardoor het onder 1 ten laste gelegde is verjaard.

Ook de overtredingsvarianten van de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten zijn verjaard omdat er in die gevallen sprake is van een overtreding welke ingevolge artikel 70 lid 1, sub 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) verjaren na drie jaar. Dat betekent dat de overtredingsvariant van het onder 1 ten laste gelegde is verjaard op 30 oktober 2012 en die van het onder 2 ten laste gelegde op 26 juli 2016.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn is aangevangen op het moment dat verdachte voor het eerst bij de FIOD is gehoord. Dat was op 14 oktober 2013. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is overschreden.

Volgens vaste jurisprudentie kan een enkele overschrijding van de redelijke termijn geen reden zijn voor niet-ontvankelijkheid (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Het verweer wordt dan ook verworpen aangezien er geen sprake is van een ‘optelsom’ van vormverzuimen waardoor de overschrijding van de redelijke termijn als een extra argument voor niet-ontvankelijkheid moet worden gezien.

Ook het verweer dat verklaring van [naam medeverdachte] bij de rechter-commissaris door de officier van justitie op slinkse wijze is ingebracht, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. In de zaak van verdachte zal de rechtbank hierop geen acht slaan, in lijn met haar eerdere beslissing dat dit stuk niet in het dossier van verdachte mag worden gevoegd.

De slotsom is dat uitsluitend het verjaringsverweer slaagt. De officier van justitie is niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde. De officier van justitie is wel ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van de overige feiten voor zover deze de misdrijfvariant betreffen.

De rechtbank stelt voor het overige vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

Vast staat dat op 14 oktober 2009 bij [naam verdachte rechtspersoon] , op spoor 7b van het Rail Chemie Centrum (verder: RCC) een wagon is geladen met methanol. In verband met een storing van het centrale computersysteem is de wagon niet geladen met een laadarm met een overvulbeveiliging, maar werd de wagon handmatig geladen met slangen. Daarbij werden vrijkomende dampen niet afgevoerd naar het dampcondensatie-systeem. Tijdens het vullen van de wagon met slangen is er teveel methanol naar de wagon gepompt waardoor, naar schatting, ongeveer 3000 liter methanol in de lekbak onder de wagon terecht is gekomen. De gemorste methanol is via de waterzuiveringsinstallatie afgevoerd naar het oppervlaktewater. Zowel het niet lekvrij laden van de wagon, als het niet gebruiken van een laadarm met overvulbeveiliging is in strijd met de voorschriften van of behorende bij de aan [naam verdachte rechtspersoon] verleende vergunning.

De vraag die de rechtbank eerst moet beantwoorden is of door [naam verdachte rechtspersoon] opzettelijk is gehandeld in strijd met vergunningsvoorschrift 20.9 (feit 1: het niet lekvrij laden), voorschrift 20.11 (feit 2: laden in strijd met interne procedures) of voorschrift 20.16 (feit 3: beëindiging belading niet automatisch). Vervolgens komt, uitsluitend indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, de vraag aan de orde of verdachte daar opdracht toe of feitelijk leiding aan heeft gegeven. Daarbij geldt dat opzet van een opdrachtgever/feitelijk leidinggevende onder omstandigheden kan worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Feit 1 en 2: het niet lekvrij laden en laden in strijd met interne procedures

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, op aanraden van medeverdachte [naam medeverdachte] , opdracht heeft gegeven om voorbereidingen te treffen om de wagon met slangen te laden. Voordat er is besloten om over te gaan tot het daadwerkelijk laden met deze slangen is verdachte gaan onderzoeken wat de technische oorzaak was van het mankement. Gebleken is dat de weegcomputers, waarmee de totale belading van de wagon gemeten kon worden, naar wens werkten, maar dat de centrale computer niet werkte. De rol van deze centrale computer kon ook overgenomen worden door een operator. Verdachte heeft hierna, in overleg met het technisch personeel, een instructie laten opstellen zodat de correcte werkwijze, met gebruik van de weegcomputers en de automatische laadarm en zonder het gebruik van de slangen, vastgelegd zou worden en zou worden gevolgd. Met de wetenschap dat er een veilig alternatief voorhanden was om de wagon met gebruik van de weegcomputer te laden heeft verdachte, naar eigen zeggen, aan medeverdachte [naam medeverdachte] opdracht gegeven om toch niet met de slangen te laden. Hierna is verdachte vertrokken, in de wetenschap dat het probleem was opgelost.

Deze verklaring van verdachte vindt steun in de verklaringen van getuigen. Zo verklaart getuige [naam getuige 1] bij de rechter-commissaris dat hij samen met verdachte is vertrokken voordat het laden met de slangen plaatsvond. Daarnaast verklaart hij dat verdachte expliciet tegen medeverdachte [naam medeverdachte] heeft gezegd dat er niet met slangen geladen diende te worden omdat dit een veiligheidsrisico met zich bracht. Ook getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3] verklaren dat verdachte niet aanwezig was tijdens het laden met de slangen. Voorts verklaart getuige [naam getuige 4] dat hij samen met verdachte, op verzoek van verdachte, tekst en uitleg heeft gegeven aan de operators over de alternatieve beladingsmethode (zijnde niet de methode met belading met slangen). De rechtbank acht de verklaring van verdachte daarom geloofwaardig en zal bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten dan ook uitgaan van de verklaring van verdachte.

Uit het dossier, maar ook uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting komt naar voren dat verdachte de leidinggevende is geweest die bepaalde wat er zou gaan gebeuren. [naam medeverdachte] was zijn ondergeschikte, die op zijn beurt aan enige werknemers leiding gaf. Verdachte is de persoon geweest die opdracht heeft gegeven om voorbereidingen te treffen om de tankwagon met slangen te laden. De opdracht om ook daadwerkelijk met slangen te gaan laden heeft hij niet gegeven. Verdachte heeft daarentegen onderzocht of er een alternatieve manier van laden was met gebruik van de weegcomputers. Daarbij heeft hij niet alleen onderzocht of deze manier van laden ‘in theorie’ mogelijk was, maar heeft hij ook gekeken of dit in de praktijk mogelijk was. Toen bleek dat er een valide alternatief voorhanden was voor het laden met de slangen, heeft verdachte willen voorkomen dat er met slangen geladen zou worden. Dit heeft hij, naar eigen zeggen, maar ook volgens getuige [naam getuige 1] , uitdrukkelijk tegen medeverdachte [naam medeverdachte] gezegd. Dat medeverdachte [naam medeverdachte] uiteindelijk de tankwagon toch met slangen is gaan vullen is tegen de instructie van verdachte in gebeurd en kan daarom niet aan [naam verdachte rechtspersoon] worden toegerekend. Daaruit volgt dat het opzet van [naam verdachte rechtspersoon] op de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten ontbrak.

Feit 3

Onder feit 3 wordt verdachte verweten dat hij opdracht tot en feitelijk leiding heeft gegeven aan het in strijd met voorschrift 20.16 van de vergunning laden, aangezien de beëindiging van de belading van de wagon op spoor 7B niet automatisch geschiedde door het bereiken van een ingesteld gewicht op de weegbrug.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gesteld dat in het geheel geen gebruik is gemaakt van de weegbrug. Verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte] hebben verklaard dat er juist wel gebruik is gemaakt van de weegbrug, maar dat het gewicht onjuist werd weergegeven doordat de wagon niet goed op de sensoren van de weegbrug stond omdat de wagon een klein stukje was verschoven.

Dat [naam verdachte rechtspersoon] opzettelijk geen of onjuist gebruik heeft gemaakt van de weegbrug, kan niet worden vastgesteld op basis van het dossier. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte heeft opgedragen dat er gebruik moest worden gemaakt van de weegbrug. Ook hier ontbrak dus opzet van de vennootschap op overtreding van het voorschrift.

Waar de vennootschap niet het plegen van misdrijven kan worden verweten, kan verdachte daaraan geen feitelijk leidinggever zijn geweest zodat hij van deze feiten moet worden vrijgesproken.

De overtredingsvarianten van feiten 1 tot en met 3 zijn, zoals de rechtbank heeft overwogen, inmiddels verjaard.

Feit 4: schending zorgplicht van artikel 9.2.1.2. Wet Milieubeheer

Verdachte wordt verweten dat hij, namens [naam verdachte rechtspersoon] , niet alle maatregelen heeft genomen die als redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, ten einde die gevaren zoveel als mogelijk te voorkomen of te beperken. Titel 9.2. van de Wet Milieubeheer, waarin het ten laste gelegde artikel is opgenomen is, gezien artikel 22.1 lid 6 van de Wet Milieubeheer niet van toepassing op situaties waarin wagons worden geladen met gevaarlijke stoffen ten behoeve van transport. Het ten laste gelegde feit levert dus geen strafbaar feit op en verdachte zal voor dit feit dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

- Verklaart het Openbaar-Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder feit 1 tot en met 3 impliciet subsidiair ten laste gelegde en ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde.

- Verklaart het onder feit 4 ten laste gelegde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan

- Verklaart het onder feit 1 tot en met 3 impliciet primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. van der Putte, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 maart 2018.