Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1784

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
6290507 CV EXPL 17-31097
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

treintje rijden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 6290507 CV EXPL 17-31097

Uitspraak: 16 februari 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS II B.V.,

gevestigd te Maastricht,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 21 augustus 2017,

gemachtigde: mr. Ch.F.P.M. Spreksel te Maastricht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam],

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Q-Park’ respectievelijk ‘[gedaagde]’.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de aantekeningen van de griffier van de ter rolzitting van 7 september 2017 door [gedaagde] mondeling gegeven reactie;

 de conclusie van antwoord;

 de conclusie van repliek, met producties, waarbij Q-Park ook een DVD met videobeelden in het geding heeft gebracht;

 de conclusie van dupliek.

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1

Q-Park heeft gevorderd [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan haar te betalen € 500,-, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en in de nakosten, al deze kosten eveneens vermeerderd met wettelijke rente.

2.2

Aan die vordering heeft Q-Park -samengevat en voor zover nu van belang- ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op 1 oktober 2016 met zijn voertuig ([merk en kenteken]) gebruik heeft gemaakt van de aan Q-Park toebehorende parkeergarage ‘Nieuwendijk-Amsterdam’ en zich toen bij het verlaten daarvan, rond 17.47 uur, schuldig heeft gemaakt aan zogenaamd ‘treintje rijden’, dat wil zeggen dat hij heel kort achter zijn voorganger is gaan staan of gaan rijden om zo zonder te betalen de parkeergarage te (kunnen) verlaten, door gebruik te maken van de ten behoeve van zijn voorganger nog openstaande slagboom. Op grond van de toepasselijke voorwaarden is [gedaagde] hierdoor aan Q-Park verschuldigd geworden het tarief van een verloren kaart ad € 150,- alsook een bedrag van € 300,- als aanvullende schadevergoeding. Naast de hoofdsom ad € 450,- en de wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) daarover maakt Q-Park jegens [gedaagde] aanspraak op een bedrag van € 67,50 aan buitengerechtelijke kosten, één en ander met dien verstande dat zij de vordering om haar moverende redenen beperkt tot € 500,-.

2.3

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het door Q-Park gevorderde, met veroordeling van Q-Park in de proceskosten. Op hetgeen hij ter zake naar voren heeft gebracht en op hetgeen Q-Park overigens nog heeft aangevoerd, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, teruggekomen.

3 De beoordeling

3.1

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van de vordering van Q-Park vereist is dat komt vast te staan dat [gedaagde] de auto in de betreffende parkeergarage heeft geparkeerd en deze op de hiervoor omschreven wijze zonder te betalen heeft verlaten. Q-Park heeft immers gesteld dat zij met hem als bestuurder van de auto een overeenkomst heeft gesloten waarbij zij aan hem een parkeerplaats ter beschikking heeft gesteld, terwijl [gedaagde] heeft betwist dat hij de bewuste gedraging heeft verricht. Volgens hem moet dat de heer [X.] zijn geweest, die op de onderhavige dag in bezit was van zijn auto, terwijl het, zo heeft [gedaagde] aangevoerd, ook mogelijk is dat er sprake is van kentekendiefstal.

3.2

Overwogen wordt dat Q-Park bij repliek een DVD met daarop videobeelden in het geding heeft gebracht. Daarop is -inderdaad- te zien dat de bestuurder van een [merk en kenteken] zich schuldig maakt aan het door Q-Park aldus beschreven ‘treintje rijden’, hetgeen [gedaagde] op zich ook niet heeft bestreden.

3.3

[gedaagde] heeft aangevoerd het voor mogelijk te houden dat hier sprake is geweest van kentekendiefstal, maar hij heeft dat verweer met niets onderbouwd, terwijl het verstrekken van een dergelijke onderbouwing hier toch van hem mocht worden verlangd. Daarbij valt te denken aan een proces-verbaal van aangifte, waaruit blijkt dat hij aangifte heeft gedaan van het feit dat, zo begrijpt de kantonrechter, er een soortgelijk voertuig met dezelfde (valse) kentekenplaten zou rondrijden. In zoverre wordt het door [gedaagde] gevoerde verweer dan ook verworpen.

3.4

Verder geldt als uitgangspunt dat de kentekenhouder, hier dus [gedaagde], wordt vermoed de bestuurder van de auto te zijn geweest toen de onderhavige gedraging werd verricht. Het is dan aan [gedaagde] dit (bewijs)vermoeden te ontkrachten, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat hij op de bewuste dag en tijd niet in Amsterdam was of door een verklaring in het geding te brengen van degene die de gedraging volgens hem (wel) heeft verricht. Het enkele noemen van een naam, zoals [gedaagde] hier (eerst) bij conclusie van dupliek heeft gedaan, is niet toereikend. Nu [gedaagde] voor het overige niets naar voren heeft gebracht dat afbreuk kan doen aan voormeld bewijsvermoeden, ook niet de door hem bij conclusie van antwoord (onder punt 3) nog aangekondigde -maar niet overgelegde- bewijsstukken waaruit blijkt dat hij die dag niet in Amsterdam zou zijn geweest, wordt er bij de verdere beoordeling van uitgegaan dat [gedaagde] het is geweest die zich als bestuurder van onderhavige voertuig op genoemde datum en tijd schuldig heeft gemaakt aan het door Q-Park aldus beschreven ‘treintje rijden‘. Het andersluidende verweer van [gedaagde] wordt dan ook, als onvoldoende feitelijk onderbouwd, verworpen.

3.5

Q-Park maakt jegens [gedaagde] aanspraak op het tarief ‘verloren kaart’, door haar gesteld op een bedrag van € 150,-. In dat verband heeft zij erop gewezen dat in (artikel 6.3 van) de toepasselijke algemene voorwaarden is opgenomen dat ingeval van ‘treintje rijden’ de parkeerder, naast een aanvullende schadevergoeding van € 300,- (waarover hierna meer), het voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief ‘verloren kaart’ is verschuldigd, dat afhankelijk van de parkeerfaciliteit één, twee of driemaal het dagtarief bedraagt. In dat verband heeft zij bij dagvaarding foto’s van onder meer het informatiebord bij de ingang van de onderhavige parkeerfaciliteit in het geding gebracht, waarop volgens haar wordt gewezen op de (financiële) gevolgen van het uitrijden zonder te betalen.

3.6

[gedaagde] heeft ten aanzien hiervan weliswaar gesteld dat uit de algemene voorwaarden niet valt op te maken hoe hoog het tarief ‘verloren kaart’ in dit geval is (één, twee of driemaal het dagtarief), maar daarmee miskent hij dat uit de toelichting van Q-Park volgt dat de hoogte van het hier geldende tarief ‘verloren kaart’ is vermeld op het informatiebord bij de ingang van de parkeerfaciliteit (en dus niet wordt bepaald door de algemene voorwaarden).

3.7

Voorts heeft [gedaagde], maar eerst bij conclusie van dupliek, aangevoerd dat de door

Q-Park bij dagvaarding overgelegde foto’s dermate onduidelijk zijn dat op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat de hoogte van het hier geldende tarief ‘verloren kaart’ daadwerkelijk kenbaar is gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter zou het echter op de weg van [gedaagde] hebben gelegen zijn beroep op de onduidelijkheid van bedoelde foto’s direct bij antwoord te doen, opdat Q-Park dan nog de gelegenheid zou hebben gehad bij conclusie van repliek duidelijke(re) foto’s in het geding te brengen. Door dit verweer eerst bij zijn laatste processtuk op te werpen, zonder dit overigens te onderbouwen met stukken (zoals foto’s) waaruit blijkt dat het tarief ‘verloren kaart’ onvoldoende duidelijk wordt kenbaar gemaakt bij de ingang van de onderhavige parkeerfaciliteit, heeft [gedaagde] Q-Park deze mogelijkheid ontnomen. Dat heeft thans tot gevolg dat dit verweer als tardief en onvoldoende onderbouwd wordt verworpen.

3.8

Eén en ander betekent dat het door Q-Park gevorderde bedrag van € 150,- ter zake van het tarief ‘verloren kaart’ toewijsbaar is.

3.9

Q-Park maakt voorts aanspraak op de aanvullende schadevergoeding van € 300,- waarmee ‘treintje rijden’ in genoemde algemene voorwaarden wordt gesanctioneerd. [gedaagde] heeft zich tegen dit deel van de vordering verzet, daartoe stellende dat Q-Park de vermeende schade niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd en geen inzicht geboden heeft in de werkelijke schade van dit geval. Hij heeft ook een beroep op matiging gedaan.

3.10

In dat verband stelt de kantonrechter voorop dat zij op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie en de Hoge Raad (ook) ambtshalve dient te beoordelen of een beding in algemene voorwaarden behorend bij een, zoals hier, met een consument aangegane overeenkomst, onredelijk bezwarend is. Indien dan wordt vastgesteld dat het beding ‘oneerlijk’ in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG jo. punt e van de bij die richtlijn behorende bijlage is, mag de kantonrechter de boete niet matigen maar is zij verplicht dat beding voor de consument buiten beschouwing te laten (tenzij de consument zich daartegen verzet). Van een oneerlijk beding als hier bedoeld is sprake indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voorvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, zoals bedingen die tot doel of gevolg hebben de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

3.11

Q-Park heeft gemotiveerd bepleit dat de onderhavige bedingen niet oneerlijk in de zin van gemelde richtlijn zijn. Deze beogen volgens Q-Park primair ‘treintje rijden’ tegen te gaan door middel van een boete waarvan de hoogte een voldoende afschrikkende werking heeft. Het ‘treintje rijden’ leidt tot gevaarlijke situaties in en buiten de parkeergarage en tot schade voor Q-Park. Niet alleen loopt zij hierdoor inkomsten mis maar ook heeft zij kosten moeten maken door investeringen in camerasystemen voor detectie van het ‘treintje rijden’. Zij heeft derhalve groot belang bij het tegengaan van deze vorm van parkeerfraude. Ter bestrijding van dit probleem heeft zij in artikelen 5.9 en 6.3 van de algemene voorwaarden een boetebepaling opgenomen om het ongeoorloofd gebruik van de parkeergarage tegen te gaan. De inkomsten van het boetebeding worden ook gebruikt om maatregelen te nemen ter voorkoming en vervolging van ‘treintje rijden’. De boete is ook redelijk ten opzichte van de in het verleden gedane en in de toekomst nog noodzakelijke investeringen, aldus Q-Park.

3.12

De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de toelichting van Q-Park omtrent de preventieve werking die uitgaat van het boetebeding, de gevaarzetting van ‘treintje rijden’ voor andere verkeersdeelnemers (en zaken) binnen en buiten de parkeergarage en de omstandigheid dat [gedaagde] er hier bewust voor heeft gekozen de parkeergarage op deze ongebruikelijke en contractueel niet toegestane wijze te verlaten, een beding wat zulk gedrag, bij wege van (afschrikwekkende) prikkel tot nakoming, sanctioneert met een boete van € 300,- niet oneerlijk in de zin van gemelde richtlijn is, ook niet als de werkelijke schade van Q-Park door dit gedrag in dit geval lager zou zijn. Tegen het licht van het voorgaande bezien ziet de kantonrechter evenmin aanleiding de boete op de voet van artikel 6:94 BW te matigen.

3.13

Dat betekent dat de door Q-Park gevorderde hoofdsom van € 450,- wordt toegewezen, inclusief de ter zake gevorderde wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) vanaf de dag van verzuim tot die der algehele voldoening, welke nevenvordering immers op de wet is gegrond en ook niet afzonderlijk is betwist.

3.14

De door Q-Park gevorderde buitengerechtelijke kosten worden echter afgewezen, nu niet gebleken is (ook niet uit de door Q-Park bij dagvaarding overgelegde sommaties) dat [gedaagde] schriftelijk werd aangemaand waarbij hem een termijn van veertien dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, één en ander conform de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW. In dat verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704).

3.15

[gedaagde] wordt, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure veroordeeld, inclusief de ter zake gevorderde wettelijke rente, als hierna gemeld.

3.16

De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. Ook de ter zake gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar, als hierna gemeld.

4 De beslissing

De kantonrechter:

 veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen € 450,-, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van algehele voldoening;

 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Q-Park:

 vastgesteld op € 200,51 aan verschotten en € 120,- aan salaris voor haar gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening,

 én, indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 15,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, één en ander voor zover van toepassing inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654