Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1772

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
10/712033-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige leerlinge van de school waar hij als onderwijzer werkte. Het slachtoffer was destijds 16 jaar oud en zat op een Cluster 4 school voor leerlingen met een leerachterstand en gedragsmoeilijkheden.

De verdachte heeft door zijn handelen een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte had beter moeten weten. Hij heeft misbruik gemaakt van de uit hoofde van zijn functie als onderwijzer bestaande bijzondere gezagsverhouding ten opzichte van het slachtoffer. De verdachte heeft zijn positie gebruikt om zijn eigen verlangens te bevredigen. De verdachte heeft daardoor het vertrouwen dat het slachtoffer - een in die periode zeer kwetsbare puber met de nodige problematiek - in hem mocht stellen geschaad. Veroordeling tot een taakstraf voor de duur van 120 uren met aftrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/712033-15

Datum uitspraak: 8 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. M. Jansen, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 februari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

Standpunt verdediging

De raadsman heeft - overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnotities - bepleit dat de verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman - kort samengevat - aangevoerd dat de verdachte op 23 januari 2015 om 16.00 uur van school is vertrokken, dat hij rond 16.30 uur bij twee winkels in Rotterdam is geweest en dat hij toen dus niet bij aangeefster [naam slachtoffer] was, zoals zij heeft verklaard.

Tevens is door de raadsman aangevoerd dat de ten laste gelegde feitelijke handelingen niet als ontucht zijn te kwalificeren.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster als betrouwbaar kan worden aangemerkt en dat voor die aangifte ook voldoende steunbewijs is. Daartoe wordt het volgende redengevend geacht.

Aangeefster heeft verklaard dat toen zij buiten het schoolgebouw stond te roken, de verdachte - een docent van haar school - haar voorstelde samen iets te gaan drinken waarop hij zijn telefoonnummer aan haar gaf. Als zij thuis was moest zij hem bellen. Aangeefster heeft ook verklaard dat zij op 23 januari 2015 door de verdachte met zijn auto werd opgehaald en dat de verdachte vervolgens bij de Albert Heijn in Spijkenisse een fles Amaretto heeft gekocht. Daarop zijn zij, volgens de verklaring van aangeefster, naar het appartement van een vriend van de verdachte gegaan en eenmaal daar zette de verdachte een glas Amaretto aan haar mond wat zij moest opdrinken. Ongeveer een kwartier later begon de verdachte haar billen te betasten en trok hij haar op zijn schoot, aldus aangeefster.

De verklaring van aangeefster vindt steun in de verklaring van getuige [naam getuige 1] , een schoolgenoot van aangeefster. Hij heeft verklaard dat hij buiten met aangeefster stond te roken toen een docent aan aangeefster voorstelde samen bij hem thuis iets te gaan drinken. De getuige heeft gezien dat die docent heel stiekem zijn telefoonnummer aan aangeefster gaf. Ook heeft de getuige verklaard dat hij weet dat die docent aangeefster heeft opgehaald, omdat aangeefster hem - toen ze thuis was - heeft geappt dat zij naar die docent toe ging.

Daarnaast vindt de verklaring van aangeefster, dat zij het 06-telefoonnummer van de verdachte kreeg, steun in het feit dat dit 06-telefoonnummer in de contactenlijst van de telefoon van de verdachte is aangetroffen. De stelling van de verdediging dat dit telefoonnummer bij een andere leraar in gebruik zou kunnen zijn, is niet aannemelijk. Immers, niet valt in te zien waarom de verdachte dat 06-telefoonnummer dan niet onder de naam van die leraar had opgeslagen, maar onder de naam ‘Werk Tel’. Bovendien heeft ook de getuige [naam getuige 1] verklaard dat de verdachte heel stiekem zijn telefoonnummer aan aangeefster gaf.

De verklaring van aangeefster vindt ook steun in de verklaring van getuige [naam getuige 2] . Zij heeft verklaard dat aangeefster ’s avonds bij haar aan de deur is gekomen en toen heeft verteld over een docent die haar dronken had gevoerd en haar had aangeraakt. Het verhaal dat getuige [naam getuige 2] van aangeefster heeft gehoord, komt overeen met de aangifte. Getuige [naam getuige 2] heeft bovendien verklaard over de gemoedstoestand waarin aangeefster verkeerde toen zij haar verhaal deed. Volgens getuige [naam getuige 2] was er een verschil tussen het gedrag van aangeefster die dag en hoe ze op andere dagen was.

Ten slotte is in de telefoon van de verdachte een screenshot van een pintransactie bij de Albert Heijn in Spijkenisse aangetroffen. De pintransactie heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015 om 16:13 uur en betrof een bedrag van € 4,15. Uit onderzoek is gebleken dat dit bedrag exact de prijs is van een fles Amaretto bij deze Albert Heijn, waarover aangeefster heeft verklaard. Ook past het tijdstip van 16:13 uur in de verklaring van aangeefster dat zij denkt vanaf 16.30 uur tot 18.00 uur in het appartement van de vriend van de verdachte te zijn geweest.

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de aan de verdachte verweten gedragingen bestaande uit het betasten van de billen van aangeefster en het trekken van aangeefster op zijn schoot, mede gelet op de context waarin deze handelingen zich hebben afgespeeld, als ontuchtige handelingen zijn te kwalificeren.

Conclusie

Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. Het verweer wordt dus verworpen, met dien verstande dat de verdachte van het tweede gedachtestreepje, te weten het trachten de borsten te betasten, zal worden vrijgesproken, omdat dit geen voltooide ontuchtige handeling oplevert. Immers, aangeefster heeft verklaard dat de verdachte weliswaar met zijn hand naar haar borsten ging, maar dat hij deze niet heeft aangeraakt.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij,

op 23 januari 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, als onderwijzer,

met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1998, ontucht heeft gepleegd,

namelijk het:

- betasten van de (met kleding bedekte) billen van die [naam slachtoffer] en

- op zijn, verdachtes, schoot en/of (met kleding bedekte) penis trekken van die [naam slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige leerlinge van de school waar hij als onderwijzer werkte. Het slachtoffer was destijds 16 jaar oud en zat op het [naam school] in Rotterdam, een Cluster 4 school voor leerlingen met een leerachterstand en gedragsmoeilijkheden. Hij heeft haar meegenomen naar een besloten appartement waar hij, in bijzijn van een vriend, geprobeerd heeft haar dronken te voeren en haar op ontuchtige wijze heeft betast.

De verdachte heeft door zijn handelen een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte had beter moeten weten. Hij heeft misbruik gemaakt van de uit hoofde van zijn functie als onderwijzer bestaande bijzondere gezagsverhouding ten opzichte van het slachtoffer. De verdachte heeft zijn positie gebruikt om zijn eigen verlangens te bevredigen. De verdachte heeft daardoor het vertrouwen dat het slachtoffer - een in die periode zeer kwetsbare puber met de nodige problematiek - in hem mocht stellen geschaad. De rechtbank neemt hem dit kwalijk.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 februari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 januari 2017. Dit rapport houdt - voor zover hier van belang - het volgende in.

De verdachte heeft een belaste voorgeschiedenis waarbinnen sprake zou zijn geweest van seksueel misbruik. Hij ontkent dat dit van invloed is geweest op zijn verdere seksuele ontwikkeling en het is niet duidelijk of er binnen zijn huidige ambulante behandelcontact bij I-psy ook aandacht wordt besteed aan dit onderwerp. Gezien het feit dat de verdachte niet verder wil ingaan op het ten laste gelegde - hij stellig ontkent dat sprake is van enig afwijkend seksueel gedrag en de reclassering geen nieuwe informatie vanuit referentencontacten heeft weten te verkrijgen - kan geen directe relatie worden gelegd tussen zijn strafbaar handelen - indien bewezen - en eventueel beïnvloedende factoren. Om die reden kan evenmin het risico op recidive worden ingeschat.

Geadviseerd wordt - indien de verdachte schuldig wordt bevonden aan het hem ten laste gelegde - een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarde dat de verdachte een ambulante behandeling voor zedendaders voltooit. Deze behandeling wordt geadviseerd met name vanwege het feit dat de verdachte wederom binnen het onderwijs werkt en daarmee de omstandigheden niet zijn gewijzigd. Binnen een dergelijke behandeling zal de verdachte wel openheid moeten geven over het ten laste gelegde, waardoor de risicofactoren helder worden. Ter controle op de naleving van de behandelverplichting acht de reclassering tevens een meldplicht geïndiceerd.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank zal in het voordeel van de verdachte rekening houden met de omstandigheden dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld, dat het strafbare feit inmiddels ruim drie jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat de verdachte daarna niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Dit maakt dat de rechtbank, evenals de officier van justitie, geen aanleiding ziet een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering is geadviseerd, aan de verdachte op te leggen. Ten slotte houdt de rechtbank ook rekening met het gegeven dat de verdachte wegens het onderhavige strafbare feit is ontslagen en dat het voor hem met een veroordeling voor dit strafbare feit op zijn documentatie moeilijk, zo niet feitelijk onmogelijk, zal zijn om in het onderwijs voor minderjarigen werkzaam te zijn.

Slotsom

Alles afwegend acht de rechtbank de straf die door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 500,00 aan immateriële schade.

Standpunt verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat vrijspraak van het ten laste gelegde is bepleit.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Aangezien de verdediging de gevorderde schadevergoeding inhoudelijk niet heeft weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2015.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 118 (honderdachttien) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 59 (negenenvijftig) dagen;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde], te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 500,00 (hoofdsom, zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 500,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. B.A. Cnossen en L. Amperse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij,

op of omstreeks 23 januari 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, als onderwijzer,

met een aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1998, ontucht heeft gepleegd,

namelijk het:

- betasten van en/of wrijven over de (met kleding bedekte) billen van die [naam slachtoffer] en/of

- ( meermalen) trachten de borsten van die [naam slachtoffer] te betasten en/of

- naar zich toe trekken en/of op zijn, verdachtes, schoot en/of (met kleding bedekte) penis trekken en/of plaatsen van die [naam slachtoffer] ;

art. 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht