Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1771

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
6294848 CV EXPL 17-31395
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

treintje rijden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 6294848 CV EXPL 17-31395

Uitspraak: 23 februari 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS II B.V.,

gevestigd te Maastricht,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 16 oktober 2017,

gemachtigde: mr. Ch.F.P.M. Spreksel te Maastricht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna verder aangeduid als ‘Q-Park’ en ‘[gedaagde]’.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de aantekeningen van de griffier van de ter rolzitting van 12 september 2017 door [gedaagde] mondeling gegeven reactie;

 de schriftelijke reactie van 13 oktober 2017 van [gedaagde];

 de brief van 26 oktober 2017 van de gemachtigde van Q-Park en de daarbij gevoegde DVD met beeldmateriaal, waarvan een akte van depot werd opgemaakt;

 de rolbeslissing van 17 november 2017;

 de conclusie van repliek, met producties,

 de aantekeningen van de griffier van de ter rolzitting van 11 januari 2018 door [gedaagde] mondeling gegeven reactie.

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1

Q-Park heeft gevorderd [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen aan haar te betalen € 356,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van pleging, althans van verzuim, althans vanaf een andere door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten alsook in de nakosten, deze kosten eveneens vermeerderd met wettelijke rente.

2.2

Aan die vordering heeft Q-Park -samengevat en voor zover nu van belang- ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op 16 oktober 2016 met haar voertuig ([kenteken]) gebruik heeft gemaakt van de aan Q-Park toebehorende parkeergarage ‘Alexandrium 3-Rotterdam’ en zich toen bij het verlaten daarvan, rond 17.02 uur, schuldig heeft gemaakt aan zogenaamd ‘treintje rijden’, dat wil zeggen dat zij heel kort achter haar voorganger is gaan staan of gaan rijden om zo zonder te betalen de parkeergarage te (kunnen) verlaten, door gebruik te maken van de ten behoeve van haar voorganger nog openstaande slagboom.

Op grond van de toepasselijke voorwaarden is [gedaagde] hierdoor aan Q-Park verschuldigd geworden het tarief van een verloren kaart van € 10,- alsook een bedrag van € 300,- als aanvullende schadevergoeding. Naast de hoofdsom van € 310,- en de wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) daarover maakt Q-Park jegens [gedaagde] aanspraak op een bedrag van € 46,50 aan buitengerechtelijke kosten, deze kosten eveneens vermeerderd met rente.

2.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd, dat zich als volgt laat samenvatten. Als eerste is het zo dat wel degelijk is betaald voor het onderhavige parkeerbezoek. [gedaagde] heeft het bewijs daarvan eerder ook toegestuurd aan de gemachtigde van Q-Park. Verder bestuurde bij het verlaten van de parkeergarage niet [gedaagde] maar haar partner het voertuig en hij heeft zich toen niet schuldig gemaakt aan ‘treintje rijden’. Het is namelijk zo dat de slagboom open stond zodat [gedaagde] erop vertrouwde dat het parkeersysteem, zoals bij andere parkeergarages het geval, haar kenteken had herkend waarop haar partner is doorgereden. [gedaagde] was zich er dan ook niet van bewust dat hiermee een overtreding zou zijn begaan en acht het door Q-Park ter zake gevorderde bedrag van € 310,- ook buitenproportioneel.

2.4

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, wordt hierna teruggekomen.

3 De beoordeling

3.1

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van de vordering van Q-Park vereist is dat komt vast te staan dat [gedaagde] de auto in de betreffende parkeergarage heeft geparkeerd en deze op de hiervoor omschreven wijze zonder te betalen heeft verlaten. Q-Park heeft immers gesteld dat zij met haar als bestuurder van de auto een overeenkomst heeft gesloten waarbij zij aan haar een parkeerplaats ter beschikking heeft gesteld.

3.2

Overwogen wordt dat Q-Park bij repliek een DVD met daarop videobeelden in het geding heeft gebracht. Daarop is -inderdaad- te zien dat de bestuurder van een voertuig [kenteken] zich schuldig maakt aan het door Q-Park aldus beschreven ‘treintje rijden’, door direct, en met relatief hoge snelheid, achter zijn voorganger aan te rijden om zo zonder te betalen de parkeergarage te (kunnen) verlaten, door gebruik te maken van de ten behoeve van zijn voorganger nog openstaande slagboom. Uit deze beelden, waarvan de authenticiteit niet is bestreden, blijkt in het geheel niet van de door [gedaagde] beschreven situatie waarin zij danwel haar partner erop mocht vertrouwen dat de slagboom ten behoeve haar voertuig omhoog was gegaan of omhoog was blijven staan omdat het parkeersysteem het kenteken zou hebben herkend. In zoverre wordt het verweer van [gedaagde] dan ook verworpen.

3.3

Datzelfde geldt voor de door [gedaagde] betrokken stelling dat voor dit parkeerbezoek werd betaald, nu zij die -door Q-Park gemotiveerd bestreden- stelling, hoewel dat toch op haar weg zou hebben gelegen, niet heeft onderbouwd met enig stuk, meer bepaald een betaalbewijs, waaruit blijkt dat kort voor het verlaten van de(ze) parkeergarage werd betaald. Hierna wordt er dan van uitgegaan dat juist is dat, naar Q-Park heeft gesteld, voor dit parkeerbezoek niet werd betaald.

3.4

Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat niet zij maar haar partner de gedraging heeft verricht. Dienaangaande overweegt de kantonrechter dat het, mede gelet op de omstandigheid dat vaststaat dat de gedraging op 16 oktober 2016 werd verricht met een voertuig dat op naam van [gedaagde] is gesteld, op de weg van [gedaagde] zou hebben gelegen feiten of omstandigheden aan te dragen, en die zoveel als mogelijk met stukken te onderbouwen, waaruit blijkt dat de gedraging door haar partner werd verricht, waarbij valt te denken aan een schriftelijke verklaring van zijn hand. Een dergelijke onderbouwing heeft [gedaagde] echter niet verstrekt.

3.5

Dat leidt de kantonrechter tot de slotsom dat [gedaagde] haar verweer dat niet zij maar haar partner de gedraging heeft verricht, onvoldoende heeft onderbouwd. Bij de verdere beoordeling wordt er dan ook van uitgegaan dat zij het is geweest die op genoemde datum en tijd ‘treintje heeft gereden’. Dat laat uiteraard onverlet dat het haar vrijstaat regres te nemen op haar partner.

3.6

Tot slot heeft [gedaagde] aangevoerd het door Q-Park gevorderde bedrag buitenproportioneel te achten. Daarmee heeft zij, naar de kantonrechter aanneemt, het oog op de aanvullende schadevergoeding van € 300,- en niet op het dagtarief van € 10,-, welk dagtarief overigens de kantonrechter niet bovenmatig voorkomt.

3.7

Met betrekking tot de gevorderde boete/aanvullende schadevergoeding van € 300,- stelt de kantonrechter voorop dat zij op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie en de Hoge Raad (ook) ambtshalve dient te beoordelen of een beding in algemene voorwaarden behorend bij een, zoals hier, met een consument aangegane overeenkomst, onredelijk bezwarend is. Indien dan wordt vastgesteld dat het beding ‘oneerlijk’ in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG jo. punt e van de bij die richtlijn behorende bijlage is, mag de kantonrechter de boete niet matigen maar is zij verplicht dat beding voor de consument buiten beschouwing te laten (tenzij de consument zich daartegen verzet). Van een oneerlijk beding als hier bedoeld is sprake indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voorvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, zoals bedingen die tot doel of gevolg hebben de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

3.8

Q-Park heeft bepleit dat de bedingen niet oneerlijk in de zin van gemelde richtlijn zijn. Deze beogen volgens Q-Park primair ‘treintje rijden’ te voorkomen en voor een voldoende preventieve werking is vereist dat het verschuldigde bedrag hoog genoeg is. Het ‘treintje rijden’ leidt tot gevaarlijke situaties in en buiten de parkeergarage en door dat gedrag lijdt Q-Park schade. Niet alleen loopt zij hierdoor inkomsten mis, maar ook heeft zij kosten moeten maken door investeringen in haar (camera)systemen. Zij heeft, aldus Q-Park, dus groot belang bij het tegengaan van deze vorm van parkeerfraude en ter bestrijding van dit probleem heeft Q-Park in de algemene voorwaarden een boetebepaling opgenomen om het ongeoorloofd gebruik van de parkeergarage tegen te gaan.

3.9

De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de toelichting van Q-Park omtrent de preventieve werking van het boetebeding, de gevaarzetting van ‘treintje rijden’ voor andere verkeersdeelnemers (en zaken) binnen en buiten de parkeergarage, de omstandigheid dat [gedaagde] er in dit geval bewust voor heeft gekozen de parkeergarage op deze ongebruikelijke en contractueel verboden wijze te verlaten en de gemotiveerde onderbouwing van Q-Park van haar kosten en schade door dergelijk gedrag, een beding wat zulk gedrag, bij wege van (afschrikwekkende) prikkel tot nakoming, sanctioneert met een boete van € 300,- niet oneerlijk in de zin van gemelde richtlijn is. Tegen het licht van het voorgaande bezien ziet de kantonrechter, voor zover het verweer van [gedaagde] ook in die zin moet worden verstaan, evenmin aanleiding de boete op de voet van artikel 6:94 BW te matigen.

3.10

Dat betekent dat de door Q-Park gevorderde hoofdsom van € 310,- wordt toegewezen, inclusief de ter zake gevorderde wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) vanaf de dag van verzuim tot die der algehele voldoening, welke nevenvordering immers op de wet is gegrond en ook niet afzonderlijk is betwist.

3.11

De door Q-Park gevorderde buitengerechtelijke kosten worden echter afgewezen, nu niet gebleken is dat [gedaagde] schriftelijk werd aangemaand waarbij haar een termijn van veertien dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dat verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704).

3.12

[gedaagde] wordt, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure veroordeeld, inclusief de ter zake gevorderde wettelijke rente, als hierna gemeld.

3.13

De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. Ook de ter zake gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar, als hierna gemeld.

4 De beslissing

De kantonrechter:

 veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen € 310,-, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van algehele voldoening;

 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Q-Park:

  • -

    vastgesteld op € 200,51 aan verschotten en € 120,- aan salaris voor haar gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening,

  • -

    én, indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 15,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, één en ander voor zover van toepassing inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.J. Smits en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654