Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1720

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
C/10/526887 / HA ZA 17-465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering medewerking beëindiging huwelijk naar islamitisch recht en afgifte bruidsschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/526887 / HA ZA 17-465

Vonnis van 28 februari 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende op een geheim adres,

eiseres,

advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. V.T.E. Kuijpers te Capelle aan den IJssel.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties

- de conclusie van antwoord

  • -

    de brief van de rechtbank aan partijen van 13 september 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd op 7 februari 2009 te Mashad, Iran.

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 29 januari 2016 is de echtscheiding naar Nederlands recht tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van 2 juni 2016.

3 De standpunten van partijen

Ten aanzien van de vordering tot beëindiging van het huwelijk naar islamitisch recht

3.1.

Op de eerste plaats vordert de vrouw dat de man wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan het bewerkstelligen van de echtscheiding van partijen naar islamitisch recht, doordat de man zijn recht op talaq aan de vrouw geeft, waardoor de vrouw zelf de echtscheiding naar islamitisch recht kan bewerkstelligen door het uitspreken van de talaq, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de man in gebreke blijft aan voornoemd gebod te voldoen.

De vrouw legt hieraan ten grondslag dat de man jegens de vrouw onrechtmatig handelt door te weigeren mee te werken aan de islamitische echtscheiding kennelijk door zijn recht op de talaq niet aan haar te geven. Hierbij handelt het om de variant van de beëindiging van een islamitisch huwelijk waarbij de vrouw haar recht op afgifte van de bruidsschat behoudt. Doordat het islamitisch huwelijk nog niet is beëindigd wordt de vrouw in haar recht om opnieuw een islamitisch huwelijk met een andere man aan te kunnen gaan geschaad, ook al heeft de vrouw op dit moment geen concreet plan om een nieuw huwelijk aan te gaan. Voorts wordt de vrouw in haar recht op vrijheid van beweging geschaad doordat de vrouw bij het voortbestaan van het huidige huwelijk naar islamitisch recht niet alleen naar een islamitisch land kan afreizen, omdat zij dan als overspelige echtgenote zal worden aangemerkt. De man dient de talaq aan de vrouw te geven omdat dit mogelijk is volgens de door de vrouw geciteerde artikelen uit het sjiitisch islamitisch recht waaruit blijkt onder welke omstandigheden, waarbij de vrouw onder druk komt te staan of in moeilijkheden komt en waaronder is begrepen de omstandigheid van het verlaten van het gezinsleven door de man gedurende een minimum tijd van negen maanden niet-achtereenvolgens binnen een jaar, de man op verzoek van de vrouw kan worden verplicht tot acceptatie van de echtscheiding. Partijen leven immers al twee jaar feitelijk van elkaar gescheiden.

3.2.

De man heeft hiertegen eerst ter zitting aangevoerd dat het islamitisch huwelijk tussen partijen reeds is ontbonden. Ter onderbouwing daarvan heeft de man een echtscheidingscertificaat in de Engelse taal getoond waaruit zou blijken dat de vrouw heeft ingestemd met de ontbinding van het islamitische huwelijk en dat zij daarbij afstand heeft gedaan van haar rechten op de bruidsschat. Daarna heeft hij zich het standpunt gesteld dat de vrouw mondeling heeft ingestemd met de inhoud van het echtscheidingscertificaat. De man stelt hiertoe dat partijen ter gelegenheid van de scheiding naar de moskee zijn gegaan en dat zij de scheiding bij de imam in het bijzijn van een aantal getuigen hebben geregeld. De bij die gelegenheid aanwezige personen kunnen verklaren dat de vrouw mondeling heeft ingestemd met de ontbinding van het islamitisch huwelijk en dat zij daarbij afstand heeft gedaan van haar rechten op de bruidsschat.

3.3.

Voorts stelt de man dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar vordering, nu de echtscheiding naar Nederlands recht reeds is voltrokken.

3.4.

Voor zover het islamitisch huwelijk tussen partijen nog niet reeds is ontbonden, erkent de man dat een religieuze echtscheiding nodig is, maar stelt dat dit niet dient te geschieden op de wijze die de vrouw voorstaat. Van een verstoting door de man (talaq) kan geen sprake zijn omdat de echtscheiding immers op initiatief van de vrouw heeft plaatsgevonden. Zij is immers de procedure opgestart. Aan een verstoting (talaq) wenst de man ook niet mee te werken omdat dit consequenties heeft voor de verplichtingen ten aanzien van de bruidsschat en hij daarmee bovendien zijn rechten met betrekking tot de boedelverdeling op zou geven. De man stelt dat voor een door de vrouw gewenste islamitische echtscheiding de zogenoemde khul procedure door haar moet worden gevolgd. Nu het in de macht van de vrouw is door de khul het islamitisch huwelijk tussen partijen te ontbinden, kan van de man niet worden gevergd dat hij in strijd met de waarheid verklaart dat hij de vrouw wil verstoten.

Ten aanzien van de vordering tot afgifte van de bruidsschat

3.5.

Op de tweede plaats vordert de vrouw de man te veroordelen tot afgifte van de bruidsschat van een waarde van 12 goudstaven à 1 kilo voor € 30.000,= per goudstaaf en € 7.000,00 voor het maken van een pelgrimstocht naar Mekka en een pelgrimstocht naar Kerbela. De vrouw legt aan haar vordering kennelijk haar recht op het eigendom van de bruidsschat ten grondslag. In de door partijen gesloten huwelijksakte is de omvang van de bruidsschat overeengekomen. De vrouw verwijst naar het sjiitische islamitisch recht waarin is bepaald dat op het moment dat een huwelijk is voltrokken de vrouw de eigenaar van haar bruidsschat is en zij haar bruidsschat mag bezitten met alle rechten en profijten daarvan. Nu de man weigert de bruidsschat aan de vrouw af te geven, is de vrouw genoodzaakt de afgifte van de bruidsschat te vorderen bij de rechtbank. De vrouw stelt voorts dat de vordering tot afgifte van de bruidsschat direct opeisbaar is bij de man wanneer de scheiding naar islamitisch recht is bewerkstelligd.

3.6.

De man heeft niet betwist dat de vrouw eigenaar van de bruidsschat is en dat deze direct opeisbaar is bij de man wanneer de scheiding naar islamitisch recht is bewerkstelligd op de wijze die de vrouw voorstaat. Echter, de man heeft aangevoerd dat hij niet aan een talaq wenst mee te werken omdat dit onder meer gevolgen heeft voor verplichtingen ten aanzien van de bruidsschat. De man betwist bovendien de omvang van de bruidsschat.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de vrouw ter onderbouwing van haar vorderingen verwijst naar het sjiitische islamitisch recht, waarvan kennelijk het Afghaans recht deel uitmaakt, nu partijen zich ter zitting op het standpunt hebben gesteld dat het Afghaans recht van toepassing is op het tussen hen gesloten islamitisch huwelijk. De man heeft de toepassing en de inhoud van dit door de vrouw geciteerde sjiitische islamitisch recht beaamd.

Ten aanzien van de vordering tot beëindiging van het huwelijk naar islamitisch recht

4.2.

Op de eerste plaats dient het verweer van de man te worden beoordeeld dat het islamitisch huwelijk tussen partijen reeds is beëindigd alvorens aan de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering toe te komen.

Geoordeeld wordt dat het in het licht van de door de man aangevoerde omstandigheden op de weg van de man had gelegen om zijn standpunt met teksten en literatuur te onderbouwen dat een mondelinge instemming van de vrouw voldoende was om het islamitische huwelijk te beëindigen onder de voorwaarde die de man wenst, te weten dat de vrouw afstand doet van haar rechten op de bruidsschat.

Te meer nu de man zich ter zitting eerst op het standpunt stelde dat de vrouw een handtekening onder het echtscheidingscertificaat had gezet en hij zich nadat de vrouw aan de rechter haar handtekening op haar rijbewijs had getoond, zijn standpunt wijzigde en zich op de mondelinge overeenstemming beriep in het bijzijn van de imam en getuigen. In dat kader heeft hij ook nog aangevoerd dat de imam de vrouw heeft gebeld om de vrouw alsnog het certificaat te laten ondertekenen maar dat de vrouw hier geen gehoor aan heeft gegeven.

De man heeft niet aangetoond dat dit de juiste gang van zaken is en heeft zijn verweer derhalve onvoldoende onderbouwd. Een en ander nog daargelaten de betwisting van de vrouw dat zij mondeling heeft ingestemd met de beëindiging van het islamitische huwelijk. In dat licht heeft haar advocaat op zitting verklaard dat de vrouw hem ter gelegenheid van de bijeenkomst in de moskee heeft gebeld en dat hij haar heeft geadviseerd om weg te gaan. Het bewijsaanbod zal worden gepasseerd. Er wordt derhalve niet toegekomen aan het horen van getuigen.

4.3.

Voorts wordt het verweer dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar vordering, nu de echtscheiding naar Nederlands recht reeds is voltrokken, gepasseerd. Niet duidelijk is wat de relevantie is van het feit dat partijen naar Nederlands recht niet meer met elkaar gehuwd zijn voor de beoordeling van de vraag of de man dient mee te werken aan de beëindiging van hun huwelijk naar islamitisch recht op de wijze die de vrouw voorstaat. Het (beëindigde) huwelijk naar Nederlands recht tussen partijen houdt immers geen verband met het huwelijk naar islamitisch recht tussen partijen.

4.4.

Nu niet is komen vast te staan dat de echtscheiding naar islamitisch recht is voltrokken, ligt thans de vordering van de vrouw ter beoordeling voor.

4.5.

De vrouw vordert dat de man wordt veroordeeld om mee te werken aan de beëindiging van hun huwelijk naar islamitisch recht op de wijze die haar voorstaat, te weten de talaq. De man betwist op de eerste plaats dat die vorm van beëindiging mogelijk is. De man stelt dat van een verstoting door de man (talaq) geen sprake kan zijn omdat het verzoek tot echtscheiding op initiatief van de vrouw heeft plaatsgevonden. De vrouw verwijst naar islamitisch recht waaruit blijkt dat er omstandigheden kunnen zijn waarin de man op verzoek van de vrouw kan worden verplicht tot acceptatie van de echtscheiding en dat hiervan sprake is, gelet op de omstandigheid dat de man en vrouw al feitelijk twee jaar gescheiden van elkaar leven. De man heeft dit verder niet weersproken. Derhalve wordt aangenomen dat in de onderhavige situatie sprake kan zijn van een talaq.

4.6.

Thans is aan de orde de vraag of de man kan worden veroordeeld tot medewerking aan de beëindiging van het islamitische huwelijk op de wijze die de vrouw voorstaat. De man heeft immers aangegeven niet aan een talaq te willen meewerken omdat hij in dat geval verplicht is tot afgifte van de van de bruidsschat aan de vrouw.

4.7.

Een weigering van de man het nodige te doen om een religieuze echtscheiding tot stand te brengen kan jegens de vrouw onrechtmatig zijn, immers kan in strijd komen met de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van de persoon van zijn gescheiden echtgenote in acht behoort te nemen. Of van onrechtmatigheid sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin de vrouw bij uitblijven van een zodanige echtscheiding na de ontbinding van het burgerlijk huwelijk in haar verdere levensmogelijkheden wordt beperkt, de aard en het gewicht van de bezwaren die bij de man tegen deze medewerking bestaan en de kosten die aan die medewerking zijn verbonden, zulks mede in verband met de vermogenspositie van partijen en de eventuele bereidheid van de vrouw deze kosten ten dele of geheel voor haar rekening te nemen. Vgl. HR 22 januari 1982, NJ 1982/489.

4.8.

Vast staat dat het huwelijk tussen partijen reeds naar Nederlands recht is ontbonden en dat de man niet heeft weersproken dat partijen al twee jaar feitelijk gescheiden leven, zodat dit feit is vast komen te staan. Nu het huwelijk naar islamitisch recht tussen partijen nog bestaat, wordt de vrouw in haar belang geschaad om haar leven voort te zetten volgens haar islamitische opvattingen, waarbij zij door het voortbestaan van het huidige huwelijk naar islamitisch recht wordt beperkt in haar recht om opnieuw een huwelijk naar islamitisch recht aan te gaan en wordt beperkt in haar recht op vrijheid van beweging, nu zij niet alleen kan afreizen naar een islamitisch land. De vrouw heeft derhalve een gerechtvaardigd belang bij haar vordering. De man heeft als bezwaar tegen de medewerking aan de ontbinding van het huwelijk naar islamitisch recht op de wijze die de vrouw voorstaat aangegeven dat die wijze niet mogelijk is en dat hij niet wenst te worden verplicht tot afgifte van de bruidsschat aan de vrouw. Het bezwaar dat de talaq niet mogelijk is, is hiervoor reeds besproken en gepasseerd. Resteert het bezwaar dat de man niet wenst te worden verplicht tot afgifte van de bruidsschat aan de vrouw. Dit bezwaar weegt niet op tegen het hiervoor reeds aangevoerde belang van de vrouw bij beëindiging van het huwelijk naar islamitisch recht. Er is derhalve sprake van onrechtmatig handelen van de man. Immers de weigering van de man om het nodige te doen om een religieuze echtscheiding tot stand te brengen komt in het onderhavige geval in strijd met de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van de vrouw in acht behoort te nemen.

4.9.

Gelet op het vorenstaande ligt de vordering van de vrouw gereed, en zal daaraan de gevorderde dwangsom worden verbonden voor het geval de man in gebreke blijft aan het gevorderde gebod te voldoen. De dwangsom zal worden gemaximeerd, zoals hierna te vermelden.

Ten aanzien van de afgifte van de bruidsschat

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man verplicht is tot afgifte van de bruidsschat aan de vrouw wanneer de scheiding naar islamitisch recht is bewerkstelligd door de talaq. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de vordering tot afgifte van de bruidsschat direct opeisbaar is bij de man wanneer de scheiding naar islamitisch recht is bewerkstelligd. Nu aangenomen wordt dat de man binnen afzienbare tijd zijn medewerking zal verlenen aan de voltrekking van de scheiding naar islamitisch recht, dient de man zijn verbintenis tot afgifte van de bruidsschat aan de vrouw na te komen.

4.11.

De man betwist evenwel de omvang van de bruidsschat.

De man stelt ten aanzien van de waarde van de goudstaven dat in de huwelijksakte geen waarde is aangegeven van de opgevoerde goudstaven. Daarnaast wordt op geen enkele manier het gewicht van de goudstaven aangeduid in de huwelijksakte. In de huwelijksakte staat dat er sprake is van 12 (zeer) kleine stukjes goud, in waarde zeer beperkt.

De man stelt ten aanzien van de waarde van de pelgrimstochten dat de waarde van de aangehaalde pelgrimstochten door de vrouw vastgesteld is op een veel te hoog bedrag.

De man voert in dit verband aan dat de vrouw inboedelgoederen (sieraden en munten) voor een waarde van € 37.000,= heeft meegenomen uit de echtelijke woning en dat deze tussen partijen verdeeld dienen te worden.

4.12.

Vooropgesteld wordt dat de man geen rechtsgevolg verbindt aan zijn in verband met de onderhavige vordering van de vrouw tot afgifte van de bruidsschat gemaakte stelling dat de door hem genoemde inboedelgoederen tussen partijen verdeeld dienen te worden, zodat deze stelling buiten beschouwing zal worden gelaten.

4.13.

Ten aanzien van de gevorderde goudstaven wordt als volgt geoordeeld.

De vrouw is niet ingegaan op het gemotiveerde verweer van de man, dan de enkele opmerking dat het een bruidsschat van grote waarde betreft omdat de man niet wilde dat er enige twijfels waren over intenties om naar Nederland te komen. De vrouw heeft in zoverre haar standpunt niet voldoende onderbouwd dat zij recht heeft op 12 goudstaven voor een gezamenlijke waarde van € 360.000,=. Gelet op de discussie van partijen, zal de rechtbank de waarde van het goud begroten in totaal € 12.000,00.

4.14.

Ten aanzien van de gevorderde pelgrimstochten wordt als volgt geoordeeld. Blijkbaar zijn partijen het erover eens dat in de huwelijksakte geen bedrag is genoemd voor het maken van de pelgrimstochten. De vrouw heeft immers niet verwezen naar een bepaald bedrag in de huwelijksakte. De man heeft aangevoerd dat het bedrag dat de vrouw thans vordert te hoog is. Kennelijk hebben partijen bedoeld een bedrag aan deze reizen toe te kennen dat appelleert aan de welstand van partijen tijdens huwelijk. Bij gebreke van een verdere onderbouwing van de vordering van de vrouw en de gemotiveerde betwisting van de vordering door de man, zal het bedrag begroot worden. De rechter begroot het bedrag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 4.000,00

Overig

4.15.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de man zijn medewerking te verlenen aan het bewerkstelligen van de echtscheiding van partijen naar islamitisch recht, doordat de man zijn recht op talaq aan de vrouw geeft, waardoor de vrouw zelf de echtscheiding naar islamitisch recht kan bewerkstelligen door het uitspreken van de talaq, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag dat de man in gebreke blijft aan voornoemde veroordeling te voldoen, met een maximum van € 500.000,=;

5.2.

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 16.000,= (zestien duizend euro) betreffende de bruidsschat,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken door mr. A.F.L. Geerdes op 28 februari 2018.

1287 / 2294