Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1717

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
C/10/543128 / KG ZA 18-72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Managementvergoeding. Aandeelhoudersovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel en Haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/543128 / KG ZA 18-72

Vonnis in kort geding van 14 februari 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] BEHEER B.V.,

gevestigd te Maasland,

eiseres,

advocaat mr. N.P.O. Ruysch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] BEHEER B.V.,

gevestigd te Berkel en Rodenrijs,

gedaagde,

advocaat mr. A.H.F. Kluwen.

Partijen zullen hierna [eiseres] Beheer en [gedaagde] Beheer genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de producties van [eiseres] Beheer;

  • -

    de mondelinge behandeling op 31 januari 2018;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] Beheer;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] Beheer.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] Beheer.

2.2.

[gedaagde] (hierna: [gedaagde] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] Beheer.

2.3.

[eiseres] Beheer en [gedaagde] Beheer zijn beiden bestuurder en 50% aandeelhouder van United Blend Partners (U.B.P.) B.V. (hierna: U.B.P.).

2.4.

De statuten van U.B.P. van 19 oktober 2016 luiden, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Bestuur

Artikel 16

1. De vennootschap heeft een bestuur, bestaande uit een door de algemene vergadering te bepalen aantal van één of meer bestuurders.

(…)

11. De bezoldiging en de verdere arbeidsvoorwaarden worden voor iedere bestuurder afzonderlijk vastgesteld door de algemene vergadering.

(…)

Algemene vergadering

Artikel 22

(…)

2. (…)

Besluitvorming in of buiten vergadering vindt plaats over:

(…)

d. onderwerpen, die op de agenda zijn geplaatst door het bestuur;

(…)

f. hetgeen verder ter tafel wordt gebracht, met dien verstande dat omtrent onderwerpen die niet in de oproepingsbrief of in een aanvullende oproepingsbrief met inachtneming van de voor de oproeping gestelde termijn zijn vermeld, niet wettig kan worden besloten, tenzij alle vergadergerechtigden ermee hebben ingestemd dat de besluitvorming over die onderwerpen plaatsvindt en de bestuurders voorafgaand aan de besluitvorming in de gelegenheid zijn gesteld advies uit te brengen.

(…)

4. Andere algemene vergaderingen worden gehouden zo dikwijls daartoe door het bestuur wordt opgeroepen. Het bestuur is tot zodanige oproeping verplicht wanneer één of meer vergadergerechtigden, die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, aan het bestuur schriftelijk en onder nauwkeurige opgave van de te behandelen onderwerpen het verzoek richten een algemene vergadering bijeen te roepen. Het bestuur treft de nodige maatregelen, opdat de algemene vergadering binnen vier weken na het verzoek kan worden gehouden, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet. Indien het bestuur niet binnen vier weken tot oproeping is overgegaan, zodanig dat de vergadering binnen zes weken na het verzoek kan worden gehouden, zijn de verzoekers zelf tot bijeenroeping bevoegd.

(…)

Besluitvorming buiten de algemene vergadering

Artikel 26

1. Besluitvorming van aandeelhouders kan op andere wijze dan in een vergadering geschieden, mits alle vergadergerechtigden met deze wijze van besluitvorming schriftelijk of langs elektronische weg hebben ingestemd. De stemmen worden schriftelijk uitgebracht. Aan het vereiste van schriftelijkheid van de stemmen wordt tevens voldaan indien het besluit onder vermelding van de wijze waarop ieder der aandeelhouders heeft gestemd schriftelijk of elektronisch is vastgelegd. De bestuurders worden voorafgaand aan de besluitvorming in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.”

2.5.

U.B.P. is bestuurder en enig aandeelhouder van Cublend B.V. (hierna: Cublend). In Cublend wordt een fabriek van zogeheten customised powder blends geëxploiteerd.

2.6.

De statuten van Cublend van 20 april 2015 luiden, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Bestuur

Artikel 16

1. De vennootschap heeft een bestuur, bestaande uit een door de algemene vergadering te bepalen aantal van één of meer bestuurders.

(…)

8. De bezoldiging en de verdere arbeidsvoorwaarden worden voor iedere bestuurder afzonderlijk vastgesteld door de algemene vergadering.

(…)

Algemene vergadering

Artikel 22

(…)

2. (…)

Besluitvorming in of buiten vergadering vindt plaats over:

(…)

d. onderwerpen, die op de agenda zijn geplaatst door het bestuur;

(…)

f. hetgeen verder ter tafel wordt gebracht, met dien verstande dat omtrent onderwerpen die niet in de oproepingsbrief of in een aanvullende oproepingsbrief met inachtneming van de voor de oproeping gestelde termijn zijn vermeld, niet wettig kan worden besloten, tenzij alle vergadergerechtigden ermee hebben ingestemd dat de besluitvorming over die onderwerpen plaatsvindt en de bestuurders voorafgaand aan de besluitvorming in de gelegenheid zijn gesteld advies uit te brengen.

(…)

4. Andere algemene vergaderingen worden gehouden zo dikwijls daartoe door het bestuur wordt opgeroepen. Het bestuur is tot zodanige oproeping verplicht wanneer één of meer vergadergerechtigden, die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, aan het bestuur schriftelijk en onder nauwkeurige opgave van de te behandelen onderwerpen het verzoek richten een algemene vergadering bijeen te roepen. Het bestuur treft de nodige maatregelen, opdat de algemene vergadering binnen vier weken na het verzoek kan worden gehouden, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet. Indien het bestuur niet binnen vier weken tot oproeping is overgegaan, zodanig dat de vergadering binnen zes weken na het verzoek kan worden gehouden, zijn de verzoekers zelf tot bijeenroeping bevoegd.

(…)

Besluitvorming buiten de algemene vergadering

Artikel 26

1. Besluitvorming van aandeelhouders kan op andere wijze dan in een vergadering geschieden, mits alle vergadergerechtigden met deze wijze van besluitvorming schriftelijk of langs elektronische weg hebben ingestemd. De stemmen worden schriftelijk uitgebracht. Aan het vereiste van schriftelijkheid van de stemmen wordt tevens voldaan indien het besluit onder vermelding van de wijze waarop ieder der aandeelhouders heeft gestemd schriftelijk of elektronisch is vastgelegd. De bestuurders worden voorafgaand aan de besluitvorming in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.”

2.7.

Op 25 augustus 2016 hebben [persoon 1] en [gedaagde] , als indirect bestuurders van Cublend, afgesproken dat [gedaagde] zou worden benoemd tot algemeen directeur en [persoon 1] tot adviseur van de vennootschap. De ingangsdatum van de afspraken is 1 oktober 2016. Het verslag van de bespreking luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Structuur organisatie Cublend;

R.N Alg. Directeur klopt

Rol & functie van [persoon 2] ?

Adviseur/ coaching begeleiding opzet inkoop, netwerk/ start-up productie en automatisering.

Rol RN & ROL CvEIJ. onderling.

gezamenlijk vormen zij het algemeen management van de onderneming

op basis van gelijkheid.

(…)

Man. fee R.N 1e jaar en daarna? RN 1e jaar op Fresh & Pack; daarna management fee

Directe kosten zoals reis verblijf e.d. worden wel gedragen door Cublend .

Man. fee C van Eijm 1e jaar en daarna. Geen fee in principe wel vergoedingen voor alle onkosten zoals reis- en verblijfkosten ; ook dit moet worden herzien na 1e jaar.”

2.8.

Op 2 september 2016 heeft [persoon 3] van [persoon 3] Belasting Advies Bureau, in zijn hoedanigheid van adviseur van [persoon 1] en [eiseres] Beheer (hierna: [persoon 3] ), aan [gedaagde] en [persoon 4] , in zijn hoedanigheid van accountant van [gedaagde] (hierna: [persoon 4] ), bericht dat tussen partijen een aandeelhoudersovereenkomst tot stand dient te komen.

2.9.

Op 27 september 2016 heeft [persoon 7] van Actrion Accountants & Belastingadviseurs B.V., in zijn hoedanigheid van accountant van [persoon 1] (hierna: [persoon 7] ) een e-mailbericht verzonden aan [persoon 1] , [persoon 3] , [gedaagde] en [persoon 4] . Dit e-mailbericht luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Voorts adviseer ik om na te gaan of er tussen de aandeelhouders van [persoon 6] een aandeelhoudersovereenkomst dient te worden gemaakt. Hierin kun je aanvullende afspraken opnemen, die niet in de statuten worden opgenomen. Denk aan de volgende elementen:

  • -

    Besluitvorming in het bestuur. Je kunt bepalen dat een aandeelhouder zijn stemrecht op een bepaalde manier moet gebruiken. Ook kan je bepalen dat een aandeelhouder zijn stemrecht in een specifiek geval moet overdragen aan een andere aandeelhouder.

  • -

    Waardebepaling van de aandelen in de toekomst en in bepaalde situaties, zoals bij verkoop aan medeaandeelhouder.

  • -

    Benoeming en bezoldiging van bestuurders: bepalingen waarin specifiek is aangegeven welke aandeelhouders welke bestuurders en commissarissen mogen benoemen, en wat hun vergoeding is.

  • -

    Concurrentiebeding. Mag een aandeelhouder concurrerende activiteiten ontplooien?

  • -

    Geschillen. Hoe gaan de aandeelhouders met geschillen om? Arbitrage?

  • -

    Verkoop van aandelen. Hoe wordt er omgegaan met een vertrekkende aandeelhouder? Ook veel voorkomend is een regeling die de meerderheidsaandeelhouders het recht geeft minderheidsaandeelhouders gedwongen mee te laten doen in een verkoop van de onderneming.

  • -

    Kapitaalstorting. Verplichting voor aandeelhouders om in bepaalde situaties – wanneer het bijvoorbeeld slecht gaat met de onderneming – een extra bedrag aan kapitaal bij te storten.

  • -

    Dividendbeleid.”

2.10.

[persoon 1] heeft op 28 september 2017 gereageerd op het e-mailbericht van [persoon 7] van 27 september 2017 en aangegeven dat de onderwerpen gezamenlijke tekenbevoegdheid op een aantal onderwerpen zoals specifieke contracten (zoals huur), arbeidscontracten en managementvergoeding ook in een aandeelhoudersovereenkomst opgenomen dienen te worden.

2.11.

Op 14 oktober 2016 heeft [gedaagde] een e-mailbericht gestuurd aan [persoon 3] , [persoon 7] en [persoon 1] . Dit e-mailbericht luidt, voor zover van belang, als volgt:

[persoon 7] , er moet dan nog een aandeelhouders overeenkomst komen, mag ik jouw vragen daar een 1e opzet voor te maken zodat we dat ook kunnen gaan afronden.”

2.12.

Op 29 januari 2017 heeft [gedaagde] per e-mailbericht aan [persoon 7] , [persoon 3] en [persoon 1] de tijdens het overleg van 16 december 2016 gemaakte afspraken bevestigd. De mail luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Tot slot

[persoon 7] heeft aangegeven dat er nog een aandeelhoudersovereenkomst moet worden opgezet. Deze set up gaat hij voorbereiden en verzorgen.”

2.13.

[persoon 1] en [persoon 3] hebben [persoon 7] in de periode van april tot en met november 2017 meerdere malen verzocht om een (concept) aandeelhoudersovereenkomst op te stellen.

2.14.

Per e-mailbericht van 17 augustus 2017 heeft [persoon 1] aan [gedaagde] het volgende bericht:

“Aan het einde van de vergadering gaf je plotseling nog aan 12 maanden na de opstart van Cublend een management vergoeding a bruto € 100.000 p/jaar op basis van 4,5 dag te gaan uitkeren aan jezelf. Nog even voor de duidelijkheid: de afspraak in deze is dat er in 2017 geen management vergoeding wordt uitbetaald.”

2.15.

Cublend heeft vanaf oktober 2017 tot op heden elke maand € 10.000,00 als management vergoeding aan [gedaagde] Beheer uitbetaald.

2.16.

Op 23 oktober 2017 heeft [persoon 1] per e-mailbericht aan [gedaagde] , en cc aan mr. Ruysch, mr. Kluwen en [persoon 3] , voor zover van belang, bericht:

“Op basis van gegevens in de KPI/Resultaten welke ik vandaag ontvangen heb wordt er tegen de gemaakte afspraak in vanaf Oktober 2017 management-fee door jou berekend aan Cublend.

(…)

In aanwezigheid van [persoon 3] hebben we de afspraak gemaakt dat er pas per 1 januari 2018 management-fee aan Cublend berekend kan worden. Jij kan dus per 1 januari 2018 management fee berekenen. Op jaarbasis € 100.000,00, dus per maand 1/12 daarvan op basis van full time beschikbaarheid tbv Cublend. Jouw belang in, en activiteiten voor Fresh&Pack zou je in de loop van 2017 afgestoten. Daarnaast heb je blijkbaar, volgens de gegevens in de KPI/Resultaten tegen alle afspraken in, geheel zelfstandig tevens besloten om op jaarbasis € 120.000 management-fee te berekenen aan Cublend!

(…)

Wil jij mij dus voor de goede orde zsm terug bevestigen dat je niet eerder dan per 1 januari 2018 op jaarbasis € 100.000,00 management fee zal berekenen aan Cublend.”

2.17.

[gedaagde] heeft op 24 oktober 2017 per e-mailbericht aan [persoon 1] , voor zover van belang, bericht als volgt:

“(…)

Er is helder en duidelijk afgesproken dat ik na 1 jaar een management fee zou gaan berekenen. Ik ben per 1 oktober 2016 toegetreden dus dat is precies een jaar na dato.

(…)

Het bedrag dat ik nu per maand ga doorberekenen bestaat uit mijn fee, al mijn autokosten inclusief brandstofkosten, kosten verzekering(en) en algemene kosten waaronder representatiekosten. (…) Nu we een jaar verder zijn en ik helder overzicht heb van die kosten is een bedrag van € 10.000,00 per maand meer dan reëel en zelfs noch aan de lage kant.”

2.18.

[eiseres] Beheer heeft [gedaagde] Beheer bij brief van 3 november 2017 gesommeerd de uitkering van de gewijzigde (hogere) management vergoeding vanaf oktober 2017 terug te draaien.

2.19.

Op 19 januari 2018 heeft [gedaagde] Beheer een oproep gedaan voor een algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: ava) op 29 januari 2018. Tijdens de ava heeft [eiseres] Beheer zich laten vertegenwoordigen door haar raadsman. Partijen hebben geprobeerd de jaarcijfers vast te stellen, maar konden hierover geen overeenstemming bereiken.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] Beheer vordert, na schriftelijke eisvermeerdering ter zitting, bij vonnis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] Beheer te gebieden om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle zonder besluit van de ava aan zich betaalde bezoldiging tot aan 1 januari 2018 terug te betalen aan Cublend, en [gedaagde] Beheer te verbieden aan zichzelf een hogere bezoldiging vanaf 1 januari 2018 te betalen dan 1/12e van € 100.000,00 (excl. BTW) totdat de ava op een daartoe door [gedaagde] Beheer aan de ava voorgelegd verzoek heeft beslist;

2. [gedaagde] Beheer te gebieden om op grond van artikel 22 lid 4 van de statuten van Cublend - en op grond van het gelijkluidende artikel 22 lid 4 van de statuten van U.B.P. - binnen vier weken na betekening van dit vonnis een ava bijeen te roepen, althans als bestuurder alle medewerking te verlenen aan het bijeenroepen van de ava met als agendapunt: Bezoldiging bestuurder [gedaagde] Beheer B.V.;

3. [gedaagde] Beheer te gebieden binnen één week na dit vonnis schriftelijke instructie aan de accountant [persoon 7] van Actrion te verstrekken om alsnog het concept aandeelhoudersovereenkomst ten spoedigste op te stellen;

het gevorderde onder 1, 2 en 3 op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag per overtreding van elk van het gevorderde.

Met veroordeling van [gedaagde] Beheer in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis in deze procedure, en te vermeerderen met wettelijke rente over deze kosten indien betaling binnen die termijn uitblijft, en te bepalen dat [gedaagde] Beheer nakosten verschuldigd is ter hoogte van € 131,00, welk bedrag na betekening van het vonnis wordt verhoogd met € 68,00.

3.2.

[gedaagde] Beheer voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering, behoudens voor zover daarover in het navolgende anders wordt geoordeeld ten aanzien van onderdelen van de vordering.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vorderingen zijn ingesteld door [eiseres] Beheer. Anders dan [gedaagde] Beheer betoogt leidt dat niet tot niet-ontvankelijkheid. Gelet op de inhoud van de vorderingen, die zien op de management vergoeding die door Cublend wordt uitgekeerd aan [gedaagde] Beheer, had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter inderdaad meer voor de hand gelegen dat Cublend zelf als eisende partij optrad. Daartoe had [eiseres] Beheer Cublend kunnen vertegenwoordigen hetgeen zij naar voorlopig oordeel, immers als een van de bestuurders, als mogelijkheid had op grond van de statuten. Dat [eiseres] Beheer die mogelijkheid niet heeft benut maar heeft gekozen voor het instellen van de onderhavige vorderingen in haar hoedanigheid van aandeelhouder van Cublend, staat echter niet in de weg aan haar ontvankelijkheid in dit kort geding. Het betreft een aangelegenheid die haar ook in haar hoedanigheid van aandeelhoudster aangaat. Als zodanig heeft zij er belang bij dat haar medeaandeelhouder niet zonder daartoe strekkende afspraak of besluit gelden aan de vennootschap onttrekt.

4.3.

De vordering onder 1 ziet allereerst op de terugbetaling van de aan [gedaagde] Beheer uitbetaalde bedragen in de periode oktober 2017 tot en met december 2017. In die periode heeft [gedaagde] Beheer maandelijks € 10.000,00 ontvangen uit hoofde van management vergoeding. Voor toewijzing van dit deel van de vordering is vereist dat [eiseres] Beheer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitkering ten onrechte is gedaan, dat aan de zijde van [gedaagde] Beheer een terugbetalingsplicht bestaat en dat, te zijner tijd, een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat over die periode aan [gedaagde] Beheer geen management vergoeding toekomt.

[eiseres] Beheer stelt dat is afgesproken dat niet per 1 oktober 2017 een maandelijkse vergoeding aan [gedaagde] Beheer zou worden betaald, maar per 1 januari 2018. Op grond hiervan vordert zij de terugbetaling. Die stelling van [eiseres] Beheer is door [gedaagde] Beheer betwist. [gedaagde] Beheer meent dat is afgesproken dat [gedaagde] na het eerste jaar een vergoeding zou ontvangen. Aangezien [gedaagde] op 1 oktober 2016 is gestart met zijn werkzaamheden als algemeen directeur, heeft hij per 1 oktober 2017 recht op een uitkering, aldus [gedaagde] Beheer.

Wie van partijen gelijk heeft is wegens het beperkte karakter van deze kort gedingprocedure niet vast te stellen. In de overgelegde producties (zie 2.7.) zijn aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van de stelling van [gedaagde] Beheer. Het verslag van de finale bespreking op 25 augustus 2016 lijkt immers een afspraak te behelzen dat voor [gedaagde] Beheer na één jaar een recht op management vergoeding zou ontstaan. Daarom kan de voorzieningenrechter niet zonder meer uitgaan van de juistheid van het standpunt van [eiseres] Beheer. Gelet op het vorenstaande is het eerste gedeelte van de vordering onder 1 niet toewijsbaar.

4.4.

Het tweede deel van de vordering onder 1 ziet op de omvang van de in beide lezingen van de afspraak in elk geval vanaf januari 2018 aan [gedaagde] Beheer uit te betalen vergoeding. [eiseres] Beheer meent dat een jaarlijkse management vergoeding is afgesproken van € 100.000,00, derhalve een bedrag van € 8.333,33 per maand. [gedaagde] Beheer heeft volgens [eiseres] Beheer ten onrechte zelfstandig en in strijd met de statuten beslist dat haar een hogere vergoeding toekomt. Dit besluit is volgens [eiseres] Beheer op grond van artikel 2:14 lid 1 BW nietig. Het door [gedaagde] Beheer in deze procedure en in het e-mailbericht van 24 oktober 2017 (zie 2.17.) ingenomen standpunt is dat een uitkering van (minimaal) € 10.000,00 per maand dient plaats te vinden.

4.5.

De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat tussen partijen afspraken gemaakt zijn over een jaarlijkse management vergoeding van € 100.000,00 van Cublend aan [gedaagde] Beheer. Hoewel deze afspraken niet formeel bij besluit van de ava zijn genomen, is in zoverre materieel sprake van een besluit. Immers, iedereen die van dit besluit in kennis gesteld moest worden, wist van het besluit af en was het ermee eens. Dat het besluit niet voldoet aan de procedurele eisen zoals opgenomen in de statuten (bijvoorbeeld de eisen ten aanzien van de oproeping voor een ava) is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een nietig besluit. De statuten voorzien in artikel 22 lid 2 sub f en artikel 26 lid 1 in besluitvorming zonder dat voldaan is aan die formele vereisten en de vastlegging in e-mails volstaat in beginsel. Het is voorts aannemelijk dat [gedaagde] Beheer zelfstandig, althans zonder afspraak hierover met [eiseres] Beheer, heeft besloten tot het aan zichzelf toekennen van een hogere management vergoeding. De vraag of in de gegeven situatie reden was dat te doen, omdat er, kennelijk, sprake is van door [gedaagde] Beheer gemaakte kosten, kan in dit kort geding niet worden beantwoord, maar het is in strijd met artikel 2:8 BW en de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen partijen beheerst om eenzijdig tot een dergelijke besluitvorming en, namens de vennootschap, uitkering over te gaan.

Voorshands ziet de voorzieningenrechter aanleiding om bij wege van voorlopige voorziening te oordelen dat zolang geen ava heeft plaatsgevonden waarop een rechtsgeldig besluit is genomen over de hoogte van de door Cublend aan [gedaagde] Beheer uit te keren management vergoeding, [gedaagde] Beheer niet meer toekomt dan 1/12 van €100.000,00, het bedrag correspondeert met hetgeen wel tussen de aandeelhouders is overeengekomen. Het tweede gedeelte van de vordering onder 1 dient daarom te worden toegewezen. [eiseres] Beheer en [gedaagde] Beheer dienen zich als aandeelhouders jegens elkander redelijk te gedragen en [eiseres] Beheer heeft er in vennootschapsrechtelijke context belang bij te voorkomen dat [gedaagde] Beheer zich jegens de vennootschap onrechtmatig gedraagt. Of [eiseres] Beheer een vordering uit onverschuldigde betaling toekomt doet daarbij niet ter zake, zij vordert een verbod. De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt afgewezen nu daartoe de noodzaak niet duidelijk is.

4.6.

De vordering onder 2 heeft betrekking op het bijeenroepen van een ava. Op grond van artikel 22 lid 2 sub d en lid 4 van de statuten van U.B.P. en op grond van artikel 2:219 BW is [eiseres] Beheer als middellijk bestuurder van Cublend bevoegd zelf een ava bijeen te roepen en tot vaststelling van de agenda. Ook als [gedaagde] Beheer zou weigeren in overleg te treden met [eiseres] Beheer – wat overigens niet voldoende aannemelijk lijkt nu [gedaagde] Beheer in januari 2018 een ava heeft bijeengeroepen – doet dat aan de bevoegdheid van [eiseres] Beheer niet af. Gelet hierop ontbreekt het belang voor het treffen van een voorlopige voorziening in kort geding. De vordering onder 2 is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

4.7.

De vordering onder 3 ziet op het opstellen van een concept aandeelhouders-overeenkomst. Vaststaat dat partijen bij aanvang van de samenwerking het erover eens waren om afspraken over hun gezamenlijk aandeelhouderschap vast te leggen in een aandeelhoudersovereenkomst. Eveneens staat vast dat [gedaagde] Beheer op 14 oktober 2016 [persoon 7] de opdracht heeft gegeven een concept aandeelhoudersovereenkomst op te stellen. Tot op heden is door [persoon 7] geen concept aandeelhoudersovereenkomst overgelegd, ondanks dat [eiseres] Beheer hier diverse malen om verzocht heeft. Volgens [eiseres] Beheer zijn de in de overeenkomst op te nemen onderwerpen door partijen vastgelegd. Zij vordert daarom nakoming van de tussen partijen tot stand gekomen afspraak. [gedaagde] Beheer betwist echter dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de onderwerpen en stelt dat de opdracht om die reden ‘on hold’ is gezet. Volgens [gedaagde] Beheer is het, gelet op de verhouding tussen partijen, thans niet zinvol (meer) om een concept aandeelhoudersovereenkomst op te stellen.

4.8.

Dat partijen eerder de intentie hebben uitgesproken te komen tot een (concept)aandeelhoudersovereenkomst staat vast. Van de op dit punt gemaakte afspraken kan [eiseres] Beheer nakoming vorderen. Hoewel het de vraag is of partijen in de huidige situatie over alle onderwerpen overeenstemming zullen bereiken, is het van belang helder te krijgen wat partijen in een aandeelhoudersovereenkomst wensen op te nemen en op welke wijze. Het belang van [eiseres] Beheer daarbij is, gelet op voormeld eigenmachtig optreden van [gedaagde] Beheer en de rolverdeling in de vennootschap, gelegen in meer duidelijkheid over de onderlinge verhouding en daarmee voldoende aannemelijk. De vordering onder 3 zal daarom worden toegewezen op de in het dictum vermelde wijze.

Geheel ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat toewijzing van de vordering niet meer inhoudt dan dat een concept aandeelhoudersovereenkomst wordt opgesteld. Dit betekent niet dat partijen ook daadwerkelijk overeenstemming bereiken over alle onderwerpen of dat een definitieve aandeelhoudersovereenkomst tot stand zal komen. Bij deze stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een dwangsom aan de vordering te verbinden.

4.9.

Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat partijen met inachtneming van artikel 2:8 BW over en weer verplicht zijn de belangen van Cublend naar behoren te behartigen hetgeen meebrengt dat zij ernaar streven dat de aan de vennootschap verbonden onderneming binnen de grenzen van het mogelijke winstgevend wordt geëxploiteerd. Dat betekent ook dat, indien door Cublend een beroep gedaan wordt op [persoon 1] om advies te geven op het gebied van zijn expertise, hij zich daarvoor beschikbaar dient te stellen. Dat dat is afgesproken staat immers vast. Het standpunt van [gedaagde] Beheer op zitting dat daartoe diverse verzoeken en sommaties gedaan zijn maar dat [persoon 1] hieraan geen gehoor heeft gegeven, is niet nader (met stukken) onderbouwd, maar de omstandigheid dat [persoon 1] al sinds april 2017 niet meer in het gebouw van de onderneming is geweest maakt wel aannemelijk dat hij zich maar zeer beperkt met de onderneming heeft beziggehouden.

4.10.

Tenslotte geeft de voorzieningenrechter ter overweging dat, hoewel [persoon 1] mogelijkheden ziet om het bedrijf gezamenlijk te exploiteren, partijen in het belang van de vennootschap en de werknemers wellicht serieus zouden moeten overwegen of het voor alle partijen beter is om uit elkaar te gaan waarbij één van partijen de vennootschap zelfstandig voort zal zetten.

4.11.

[gedaagde] Beheer zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] Beheer worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht € 1.950,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 2.864,01

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum bepaald.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] Beheer zichzelf maandelijks een hogere vergoeding vanaf 1 januari 2018 te betalen dan 1/12e van € 100.000,00 (excl. BTW) totdat de algemene vergadering op een daartoe voorgelegd verzoek heeft beslist,

5.2.

gebiedt [gedaagde] Beheer om binnen één week na betekening van dit vonnis schriftelijk instructie te geven aan [persoon 7] om zo spoedig mogelijk een concept aandeelhoudersovereenkomst op te stellen,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] Beheer in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] Beheer tot op heden begroot op € 2.864,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] Beheer in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, onder de voorwaarde dat [gedaagde] Beheer niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018. 2027 / 106