Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1716

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
6262119
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

parkeerovereenkomst, schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6262119 CV EXPL 17-29911

uitspraak: 9 februari 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-Park Operations Netherlands II B.V.,

gevestigd te Maastricht,

eiseres,

gemachtigde: mr. Ch.F.P.M. Spreksel, advocaat te Maastricht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam],

gedaagde,

in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Q-Park” en [gedaagde]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 7 augustus 2017, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde];

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de akte van depot, met als bijlage een DVD-met beeldmateriaal;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge reactie van [gedaagde].

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Q-Park exploiteert en beheert parkeeraccomodaties in Nederland, waaronder de parkeergarage aan het Weena te Rotterdam.

2.2

Op 21 augustus 2016 heeft een bestuurder van een [automerk en kenteken] gebruik gemaakt van genoemde parkeergarage zonder daarvoor te betalen. De [auto] heeft namelijk de parkeergarage niet verlaten door middel van aanbieding van een geldig parkeerticket in de automaat die de slagboom bij de uitgang bedient om deze te openen, maar is bumper klevend achter een voorganger aan gereden die de slagboom had geopend om zodoende de garage te verlaten, het zogenoemde ‘treintje rijden’.

2.3

Voormelde [auto] staat op naam van [gedaagde] geregistreerd bij de Rijksdienst voor het wegverkeer.

2.4

In verband met het vorenstaande heeft Q-Park bij brief van 9 september 2016 [gedaagde] gesommeerd om als tarief voor een verloren parkeerticket € 60,00 en als schadevergoeding € 300,00 te betalen, binnen 16 dagen na dagtekening van de brief, en dat als betaling uitblijft tevens buitengerechtelijke incassokosten van € 54,00 verschuldigd worden.

2.5

[gedaagde] heeft niet betaald, ook niet na nogmaals daartoe te zijn gesommeerd bij brief van 28 april 2017.

3 De vordering

3.1

Q-Park vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van € 60,00 aan tarief voor een verloren parkeerticket, € 300,00 aan schadevergoeding, en € 54,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, tezamen € 414,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van pleging, althans van verzuim, althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, ook met rente.

3.2

Aan haar vordering legt Q-Park - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat voorafgaand bij het inrijden van de parkeergarage haar parkeertarieven alsmede de toepasselijke Algemene Voorwaarden kenbaar worden gemaakt, alsmede dat wordt gewezen op de gevolgen van uitrijden zonder te betalen. Op grond van de Algemene Voorwaarden is de prijs voor het zonder te betalen de parkeergarage verlaten in dit geval

€ 60,00 plus € 300,00 aan schadevergoeding. Tevergeefs is getracht om deze bedragen buiten rechte te incasseren, waardoor kosten zijn gemaakt.

3.3

[gedaagde] voert - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aan dat hij weet dat het fout is wat hij heeft gedaan. Hij is dan ook bereid om € 60,00 te betalen voor het verloren parkeerticket, maar de boete vindt hij te hoog.

3.4

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de vordering nader besproken.

4 De beoordeling

4.1

Niet is in geschil dat [gedaagde] op 21 augustus 2016 met zijn auto gebruik is gaan maken van de parkeergarage aan het Weena te Rotterdam. Daardoor is tussen partijen een overeenkomst ontstaan. Evenmin is in geschil dat bij de ingang van de parkeergarage Q-Park haar parkeertarieven alsmede de toepasselijke Algemene Voorwaarden kenbaar maakt, alsmede dat wordt gewezen op de gevolgen van uitrijden zonder te betalen.

4.2

Vaststaat dat [gedaagde] voor het parkeren van zijn auto in de garage niet heeft betaald, door bij het verlaten van die parkeergarage vlak achter een ander aan te rijden onder de door die ander geopende slagboom door, als vermeld onder 2.2.

4.3

De reden die [gedaagde] hiervoor geeft, levert geen acceptabel excuus op. Als [gedaagde] zijn parkeerticket kwijt is geweest, had hij de mogelijkheid om via de ter plaatse aanwezige ‘help-knoppen’ contact op te nemen met de klantenservice, die zoals Q-Park stelt 7 dagen per week 24 uur per dag bereikbaar is. Hij had op dat moment een parkeerticket voor

€ 60,00 kunnen kopen. Volgens [gedaagde] heeft hij gebeld via de knop en is hem toen gezegd dat het tarief voor een verloren parkeerticket € 60,00 bedroeg, maar is dat reden voor hem geweest om op zoek te gaan naar het verloren ticket. [gedaagde] voert aan dat hij vervolgens, toen hij het ticket niet vond, weer gebeld heeft via de knop, maar geen gehoor kreeg. Volgens [gedaagde] heeft hij daarna bij de ingang van de garage staan wachten tot iemand binnenkwam in de hoop dat hij de parkeerkaart van diegene kon overkopen. Toen dat niet lukte is hij achter een auto aangereden, omdat hij haast had. Hij moest familie ophalen op het vliegveld in België, aldus [gedaagde]. Niet te volgen is echter dat zijn familie op het vliegveld in België op dat moment zo spoedeisend en/of belangrijk was dat van hem niet gevergd kon worden eerst een parkeerticket te kopen alvorens de garage te verlaten. De feiten en omstandigheden overziende heeft het er veel van weg dat [gedaagde] gewoonweg geen zin had om de € 60,00 te betalen. Dit is afkeurenswaardig.

4.4

Gezien het voorgaande is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst tussen partijen.

4.5

Op grond van de artikelen 5.9, 6.3 en 6.5 van Algemene Voorwaarden bij de overeenkomst is [gedaagde] volgens Q-Park verschuldigd het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart”, in dit geval € 60,00, vermeerderd met

€ 300,00 aan aanvullende schadevergoeding.

4.6

De kantonrechter zal dit toewijzen en overweegt daarbij dat Q-Park voldoende mogelijkheid heeft geboden om van de Algemene Voorwaarden kennis te nemen en dat de artikelen 5.9 en 6.3 van de algemene voorwaarden voor [gedaagde] als consument niet als onredelijk bezwarend worden geoordeeld, gelet op de door Q-Park als onweersproken gestelde uitgangspunten, te weten de door haar gedane investeringen en het door Q-Park nagestreefde doel van een veilige omgeving in en rond de door haar geëxploiteerde parkeergarages. De hoogte van het tarief “verloren kaart” en de aanvullende schadevergoeding acht de kantonrechter, gelet op de belangen van Q-Park en de omstandigheden van het geval, niet onredelijk bezwarend, ook als [gedaagde] zoals hij aanvoert moet rondkomen van het minimumloon. De bedragen van € 60,00 en

€ 360,00 zullen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 augustus 2016.

4.7

Het gevorderde bedrag van € 54,00 aan buitengerechtelijke incassokosten komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan [gedaagde] van 9 september 2016 een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.

4.8

[gedaagde] wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van Q-Park vastgesteld op € 117,00 aan griffierecht, € 80,42 aan explootkosten en € 3,09 aan informatiekosten, tezamen € 200,51 aan verschotten, en

€ 120,00 aan salaris voor de gemachtigde.

4.9

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

4.10

De proceskosten en de nakosten worden vermeerderd met wettelijke rente, als hierna vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park tegen kwijting te betalen € 360,00 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 21 augustus 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Q-Park vastgesteld op:

  • -

    € 200,51 aan verschotten;

  • -

    € 120,00 aan salaris voor de gemachtigde;

beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

en indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op:

€ 22,50 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465