Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1621

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
C/10/532485 / JE RK 17-2554
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Een onderzoeksinstituut stelt, in het kader van onderzoek naar de opvoedcapaciteiten van (gescheiden) ouders, twee aparte rapporten op, één met betrekking tot de moeder en de minderjarige en één met betrekking tot de vader en de minderjarige. De moeder wordt inzage in het rapport over de vader, en de vader wordt inzage in het rapport over de moeder, onthouden. De GI, als verzoekende partij, stuurt beide rapporten aan de kinderrechter in het kader van een te nemen beslissing op een verzoek tot voortzetting van een machtiging tot uithuisplaatsing.

Kan de kinderrechter zijn beslissing mede baseren op deze rapporten? (artikel 19 Rv.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/532485 / JE RK 17-2554

datum uitspraak: 27 februari 2018

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2003 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te Schiedam,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te Vlaardingen.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2018 en de daarin genoemde stukken,

- de brieven met bijlagen van de GI van 16 februari 2018, ingekomen bij de griffie op

16 februari 2018.

Op 20 februari 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [naam minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M.A. van de Weerd,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. K. Scheuller,
- de stiefmoeder, [naam stiefmoeder] , als informant,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. L.D. Geldorp.

De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam minderjarige] verblijft in een gezinshuis van Trivium Lindenhof.

Bij beschikking van 8 januari 2018 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot

1 maart 2018. De beslissing is voor het overige verzochte aangehouden.

Het aangehouden verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.

De GI licht het restant van het verzoek ter zitting als volgt toe. Uit de rapporten van het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (verder te noemen: het KSCD) van 12 februari 2018 blijkt dat [naam minderjarige] niet bij de vader en de stiefmoeder kan wonen. De vader kan niet voldoende aansluiten bij de opvoedbehoeften van [naam minderjarige] . Daarnaast is het onduidelijk of de stiefmoeder [naam minderjarige] de hulp kan bieden die hij nodig heeft op de momenten dat de vader langere tijd weg is voor zijn werk. De situatie is echter ingewikkeld, omdat de huidige gezinshuisouders per 1 maart 2018 gaan stoppen. Dit betekent dat [naam minderjarige] ter overbrugging naar een perspectief biedende plek, mogelijk in een uitwijkhuis zal moeten verblijven. De sluiting van het gezinshuis lijkt echter niet meegewogen te zijn in het advies van het KSCD. Daarnaast is het de wens van de ouders en van [naam minderjarige] om hem bij de vader te laten wonen. De GI is van mening dat zij niet kan afwijken van het advies van het KSCD en handhaaft haar standpunt.

De standpunten

De moeder verzet zich, deels bij monde van haar advocaat, tegen het verzoek van de GI. De moeder wil dat [naam minderjarige] bij de vader en de stiefmoeder wordt geplaatst, met de nodige hulpverlening. [naam minderjarige] dient duidelijkheid te krijgen over zijn perspectief. Het is niet in zijn belang om de beslissing weer uit te stellen om het KSCD nader onderzoek te laten verrichten. Er dienen knopen te worden doorgehakt, aldus de raadsman.

De vader verzet zich, deels bij monde van zijn advocaat, tegen het verzoek van de GI. Het beeld dat van de vader en de stiefmoeder is geschetst in het KSCD-rapport is onjuist. De situatie is veranderd en de vader en stiefmoeder staan open voor hulpverlening als [naam minderjarige] bij hen komt wonen. Daarnaast is het opvallend dat het KSCD de situatie bij de vader thuis niet heeft geobserveerd. De vader en de stiefmoeder twijfelen hierdoor aan de deskundigheid van het KSCD en zijn van mening dat het rapport geen reëel beeld geeft van hun situatie. De advocaat verzoekt namens de vader om zo spoedig mogelijk een beslissing te nemen en niet over te gaan tot het inwinnen van nadere informatie.

De stiefmoeder geeft aan dat zij met ondersteuning van de hulpverlening voor [naam minderjarige] kan zorgen op de momenten dat de vader voor zijn werk weg is.

De beoordeling

Vooreerst dient te worden opgemerkt dat het beginsel van hoor en wederhoor, zoals onder meer vastgelegd in artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, vereist dat de rechter en alle partijen over dezelfde stukken beschikken. De wijze waarop het KSCD in deze zaak heeft gerapporteerd – namelijk door het uitbrengen van afzonderlijke rapportages waarbij de ouders inzage van het persoonlijkheidsonderzoek (verder: PO) van de andere ouder is onthouden – staat op gespannen voet met dat beginsel van hoor en wederhoor. De kinderrechter heeft dit punt al eerder aangestipt in een beschikking van 28 oktober 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:9494).

Uit de brief van de GI d.d. 16 februari 2018 en het behandelde ter zitting blijkt dat de GI en het KSCD ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen hebben gekozen voor de thans gehanteerde werkwijze. Dat maakt het voorgaande echter niet anders. Het had op de weg van de GI dan wel het KSCD gelegen vooraf met de partijen te overleggen over de wijze van onderzoek en rapportage en – op grond van dat overleg – een manier te vinden om zowel de bescherming van de persoonlijke levenssfeer als het recht op hoor en wederhoor te eerbiedigen of om met voorafgaande toestemming van alle belanghebbenden te rapporteren op de wijze zoals nu is gebeurd.

Niettemin hebben zowel de ouders als hun advocaten ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat beide rapportages aan de beslissing van de kinderrechter mede ten grondslag zullen kunnen worden gelegd. Gelet op deze standpunten, zullen de rapportages door de kinderrechter bij de beslissing worden meegewogen.

De kinderrechter constateert dat de rapportages van het KSCD een lange onderzoeksperiode beslaan. Zo heeft het onderzoek van de vader en de stiefmoeder op 11 juli 2017 plaatsgevonden en het afsluitende gesprek op 8 december 2017. Ter zitting wordt door de advocaat van de vader gesteld dat de situatie bij de vader en de stiefmoeder thuis in de periode van 11 juli 2017 tot heden is veranderd. Daarnaast blijkt uit pagina 8 van de rapportages dat de gezinshuisouders om persoonlijke redenen willen stoppen als gezinshuisouder. Bij de beantwoording van de onderzoeksvragen wordt hier door het KSCD echter niet op teruggekomen.

Nu de partijen aangeven dat de situatie is veranderd en gelet op het feit dat het KSCD kennelijk niet heeft meegewogen dat de gezinshuishouders gaan stoppen, heeft de kinderrechter ter zitting de gedachte opgeworpen om het KSCD daarover nader te bevragen. De kinderrechter heeft de behandeling ter zitting voor een korte periode geschorst om de partijen de gelegenheid te geven hierover na te denken en te overleggen.

Na ommekomst van deze schorsing heeft de GI aangegeven bij haar verzoek te blijven en de advocaten van de ouders hebben aan de kinderrechter verzocht om niet nogmaals het KSCD te raadplegen, maar, opnieuw, om knopen door te hakken.

Anders dan de ouders ziet de kinderrechter geen redenen te twijfelen aan de kwaliteit van het KSCD-onderzoek. Observatie thuis is geen standaard-instrument om opvoedvaardigheden van ouders te toetsen. Uit de omstandigheid dat het KSCD in haar rapport over de vader vermeldt dat hij bij werkgever De Vliet Tours een contract heeft gekregen (pagina 48), terwijl de vader ter zitting aangeeft dat die werkgever De Jong Intratours heet, alsmede uit andere mogelijk feitelijke onjuistheden van gelijke orde, kan niet worden afgeleid dat de kern van het rapport en de daaruit volgende adviezen ook onjuist zijn.

Dat de omstandigheden bij de vader en de stiefmoeder thuis inmiddels ingrijpend zijn veranderd, volgt niet uit de rapportage en lijkt in ieder geval nog niet te zijn ingezet voor

8 december 2017. Op die dag vond immers het afsluitend gesprek plaats met de vader en de stiefmoeder waarin zij hebben aangegeven zich te herkennen in het beeld dat van hen door de onderzoekers wordt neergezet (pagina 48), zij het dat de stiefmoeder opmerkt dat zij “nu vooral burn-out is” en dat de onderzoekers zich te veel baseren op het verleden.

In het rapport wordt aangegeven dat er sprake is van een overbelasting in het gezin van de vader en de stiefmoeder (pagina 10) en dat de stiefmoeder last heeft van emotie-regulatie-problematiek (pagina 24) en een burn-out waarvoor zij “hulpverlening heeft” in de vorm van een EMDR-behandeling. Met betrekking tot de dochter van vader en stiefmoeder, [naam dochter] , zijn er ook zorgen waarvoor passende hulp wordt gezocht.

Vader en stiefmoeder hebben grote schulden, zitten in de schuldsanering en hebben relatieproblemen gehad waarvoor zij therapie hebben gevolgd. Deze therapie heeft onvoldoende behandelresultaat gehad (pagina 23). Mede als gevolg van deze verschillende zorgen is er sprake van stress in het gezin, waaraan ook de kinderen in meer of mindere mate bloot staan (pagina 22).

De moeder heeft niet aan het onderzoek van het KSCD willen meewerken. Alleen vanuit [naam minderjarige] is duidelijk geworden dat de moeder hem belast met negatieve chatberichten over zijn vader en de gezinshuisouders. Ook kan hij bij de moeder thuis niet over de vader praten en hebben de vader en de moeder veel strijd gehad over [naam minderjarige] . In oktober 2016 wilde de moeder nog dat [naam minderjarige] bij haar zou komen wonen (beschikking kinderrechter d.d. 3 oktober 2016). Dit alles heeft hem in een loyaliteitsconflict gebracht.

[naam minderjarige] heeft in zijn jeugd te maken gehad met mogelijk zelfs vijf wisselingen in opvoedsituaties en plotselinge breuken met voor hem belangrijke volwassenen (pagina 39). Er is mede daardoor sprake van een zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij sprake is van sociaal-emotionele problematiek en waarbij sterke aanwijzingen worden gezien voor ADHD en een aan autisme verwante stoornis. Zijn opvoeding vraagt daardoor meer dan gemiddeld van opvoeders.

Voorop staat dat het voor [naam minderjarige] van belang is dat hij zekerheid heeft over zijn opvoedperspectief. Zoals ook in de rapportages van het KSCD vermeld, heeft de onzekerheid over het wel of niet teruggeplaatst worden bij de vader al te lang geduurd en voor veel onrust bij [naam minderjarige] gezorgd. Met betrekking tot een dergelijke terugplaatsing laten de rapportages van het KSCD er geen enkele twijfel over bestaan dat [naam minderjarige] niet bij de moeder dan wel de vader kan verblijven. De opvoedcapaciteiten van de vader en de stiefmoeder en de ontwikkelingsbehoeften van [naam minderjarige] zijn niet in balans. [naam minderjarige] ’s problematiek vraagt van opvoeders dat zij hem een stabiel, veilig en positief opvoedingsklimaat kunnen geven. Noch de moeder, noch de vader en de stiefmoeder zijn daartoe thans in staat, gelet op de, in deze beschikking samengevatte, problematiek. Dat betekent dat [naam minderjarige] , ondanks het feit dat zijn huidige gezinshuisouders hun taken zullen neerleggen en ondanks zijn vurige wens bij zijn vader te gaan wonen, nog altijd beter af is in een gezinshuis of vergelijkbare woonomgeving, dan bij de vader en de stiefmoeder of bij de moeder.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in de artikelen 1:255 en 1:265c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom toewijzen.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige] tot 3 oktober 2018;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 oktober 2018;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

R. Jelicic als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.