Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1613

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
C/10/499140 / HA ZA 16-360
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging van het besluit van een schietsportvereniging tot ontzetting uit het lidmaatschap in verband met ongewenst en onacceptabel gedrag van één van haar leden. Artikel 2:15 lid 1 sub b BW (strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden beheerst). Vordering afgewezen nu de schietsportvereniging onredelijk is benadeeld door het gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel & Haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/499140 / HA ZA 16-360

Vonnis van 21 februari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. D.D. Versluis,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[schietsportvereniging] ,

h.o.d.n. [schietsportvereniging],

gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,

gedaagde,

advocaat mr. R. Reumkens.

Partijen zullen hierna [eiser] en [schietsportvereniging] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 augustus 2017 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van comparitie van 7 november 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

[eiser] is sinds 1981 lid van [schietsportvereniging] geweest. Op 11 mei 2015 heeft zich in het clubgebouw van [schietsportvereniging] een incident voorgedaan, waarbij sprake is geweest van een emotionele uitbarsting en – kort gezegd – (verbaal) wangedrag van [eiser] .

2.2.

Naar aanleiding van dit incident heeft het bestuur van [schietsportvereniging] het besluit genomen tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van [schietsportvereniging]. In de brief van 19 april 2016, waarbij [eiser] in kennis is gesteld van deze beslissing, staat - voor zover van belang - het volgende:

“Het bestuur van [schietsportvereniging] te Hardinxveld-Giessendam heeft op grond van artikel 8 (…) van de statuten besloten om u met ingang van 11 mei 2015 als lid van [schietsportvereniging] te royeren. (…)

Op maandagavond 11 mei 2015 heeft u één van de bestuursleden aangesproken over een brief van de vereniging over uw betalingsverplichting. Hierop heeft u aangegeven niet inhoudelijk te willen reageren op het betalingsvoorstel in de brief. U plaatste hierbij -in aanwezigheid van leden en bestuursleden- de opmerking dat u zich liever door het hoofd schiet dan aan de gestelde verplichtingen te voldoen.

Deze opmerking, in combinatie [met] uw emotionele uitbarsting en de problemen waar u naar eigen zeggen mee kampte is reden tot grote zorg van de vereniging. Als vereniging hebben wij een verantwoordelijkheid naar al onze leden dat de omgeving waarin zij hun sport beoefenen veilig is. Uw acties en uitspraken ten overstaan van de aanwezigen passen absoluut niet binnen de regels van de vereniging en binnen de regels van de schietsport.

Uw gedrag is voor de aanwezige bestuursleden zelfs reden geweest om advies in te winnen bij de politie. Deze hebben vervolgens besloten om u bij onze vereniging op te halen. U heeft hiermee de vereniging en haar leden geschaad.

Daarnaast wordt u het lidmaatschap ontzegt omdat u heeft nagelaten uw contributie tijdig en op de geldende en afgesproken wijze te voldoen. Ondanks herhaalde verzoeken en betalingsvoorstellen onzerzijds is de door u verschuldigde contributie niet voldaan. Wij hebben u meerdere kansen en mogelijkheden geboden om tot een goede afspraak te komen waar u niet inhoudelijk op hebt gereageerd.”

2.3.

[eiser] is tegen deze beslissing in beroep gegaan bij de beroepscommissie van [schietsportvereniging]. De beroepscommissie heeft besloten het bestuur van [schietsportvereniging] in het gelijk te stellen en het royement van [eiser] te handhaven. In de brief van 27 oktober 2016, waarbij [eiser] in kennis is gesteld van deze beslissing, staat - voor zover van belang - het volgende:

“Kan geen andere conclusie trekken dan dat het bestuur [schietsportvereniging] op juiste gronden en zorgvuldige overwegingen, het besluit heeft genomen, de heer [eiser] te royeren en wel op de volgende gronden:

  1. Financiële problemen met het bestuur dienen via de penningmeester te lopen. Eenzijdige wijzigen kunnen ten ene male niet worden toegepast, dan alleen na overleg met het dagelijks bestuur, waar ook de penningmeester deel van uit maakt. Daar dit bestuur schriftelijk, met maximale eind datum heeft aangegeven, dat niet op tijd betaling zal leiden tot royement, leidt dat tot royement.

  2. Verbaal geweld en zeker bedreigende geluiden dat er “Door de kop geschoten gaat worden” is ten ene maal NOT DONE. Zeker niet op een schietvereniging en zeker niet op een vereniging, waar door wapen geweld, in het verleden al twee leden uit het leven zijn gestapt. Dit is voor ons de hoofd reden om het royement gegrond te verklaren.”

2.4.

[eiser] vordert -in essentie- vernietiging van het besluit van de beroepscommissie van [schietsportvereniging] van 27 oktober 2016, alsmede van het besluit in primo van 19 april 2016 van het bestuur van [schietsportvereniging], zulks op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW (strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist). In dit kader is artikel 8 van de statuten van [schietsportvereniging] van belang, dat - voor zover hier aan de orde - luidt als volgt:

“ARTIKEL VIII: Beeindiging van het lidmaatschap

(…)

* Ontzetting vanwege de vereniging.

IV. Vanwege de vereniging kan het bestuur een lid uit het lidmaatschap ontzetten indien,

  1. het in strijd met de statuten, regelementen of besluiten van de vereniging handelt.

  2. het de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.”

2.5.

[eiser] voert, kort en zakelijk weergegeven, aan dat er geen grond was om hem uit het lidmaatschap te ontzetten, althans dat er geen sprake is van ongewenst en onacceptabel gedrag. Indien sprake is van ongewenst en onacceptabel gedrag dient in ogenschouw te worden genomen dat het slechts gaat om een op zich zelf staand incident; er is geen sprake van een verleden van gelijkwaardige klachten omtrent het gedrag van [eiser] . Het incident op 11 mei 2015 is zeker reden voor een goed gesprek en wellicht zelfs voor een waarschuwing, mogelijk een schorsing, maar biedt onvoldoende grondslag voor een besluit tot ontzetting. Daarbij heeft het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap van [schietsportvereniging] verstrekkende gevolgen voor [eiser] . Immers, als gevolg van de melding van [schietsportvereniging] aan de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie (KNSA) kan [eiser] (ook) geen lid meer worden bij een andere schietsportvereniging. [eiser] wordt hierdoor dus feitelijk belemmerd in de uitoefening van de schietsport.

2.6.

Voor de vraag of het besluit van de beroepscommissie van [schietsportvereniging] van 27 oktober 2016, waarbij het besluit in primo van 19 april 2016 van het bestuur van [schietsportvereniging] is bekrachtigd, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, dient bekeken te worden of de beroepscommissie/het bestuur van [schietsportvereniging], bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van [schietsportvereniging] en degenen die krachtens de wet en de statuten bij [schietsportvereniging] zijn betrokken, in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de beroepscommissie/het bestuur van [schietsportvereniging] in redelijkheid kunnen komen tot het besluit tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van [schietsportvereniging].

2.7.

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat er van de zijde van [eiser] op 11 mei 2015 ongewenst en onacceptabel gedrag jegens (bestuurs)leden van [schietsportvereniging] heeft plaatsgevonden ( [eiser] heeft gedreigd met suïcide met een schietwapen), welk gedrag onmiddellijk handelen (van het bestuur van de vereniging) vereiste. Door dit gedrag wordt [schietsportvereniging] op onredelijke wijze benadeeld. Ook indien wordt meegenomen dat [eiser] door dit besluit tot ontzetting feitelijk wordt belemmerd in de uitoefening van de (hem zo geliefde) schietsport, is de rechtbank van oordeel dat de [schietsportvereniging], gehoord de bezwaren van de zijde van [eiser] tegen het besluit, in redelijkheid de belangen van [schietsportvereniging] bij ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap (het waarborgen van de veiligheid van haar leden en de omgeving van [eiser] ) zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [eiser] bij voortduring van het lidmaatschap. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken vast staat dat het gaat om meerdere incidenten, dat er diverse malen (schriftelijk) is gewaarschuwd en dat er gewezen is op de mogelijke consequenties van het gedrag, doch dat dit niet heeft geleid tot een andere houding en toon van [eiser] . Een lang lidmaatschap en inzet voor de vereniging maken dit niet anders. Daarbij komt dat vast staat dat [eiser] de avond na de comparitie van 23 augustus 2016 met te veel alcohol op achter het stuur heeft gezeten en tegen een paaltje is aangereden. Daarin wordt een aanwijzing gezien voor een gebrek aan zelfbeheersing aan de zijde van [eiser] , welk in combinatie met de toegang tot een wapen bijzonder gevaarlijk kan zijn, althans een groot maatschappelijk risico oplevert.

2.8.

Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid. De vordering van [eiser] het besluit van de beroepscommissie van [schietsportvereniging] van 27 oktober 2016, alsmede van het besluit in primo van 19 april 2016 van het bestuur van [schietsportvereniging], te vernietigen, zal dan ook worden afgewezen. De nevenvorderingen delen in het lot van deze afwijzing.

2.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [schietsportvereniging] worden begroot op:

  • -

    vast recht € 619,00

  • -

    salaris advocaat € 1.582,00 + (3,5 pnt x € 452,00 tarief II)

Totaal € 2.201,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [schietsportvereniging], tot op heden begroot op € 2.201,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening;

3.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.1

1 801/2504