Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1608

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
C/10/543864 / KG ZA 18-112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing beslagen. Vordering toegewezen. Gepretendeerde vordering (ogv schending concurrentiebeding / wanprestatie / onrechtmatig handelen / onrechtmatige concurrentie) onvoldoende met feiten gestaafd. Veel gissingen. Verzwijgen relevante informatie in beslag rekest. Gemotiveerde verweer tegen de vordering. Vordering onvoldoende aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel en Haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/543864 / KG ZA 18-112

Vonnis in kort geding van 23 februari 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LCS HOLDING B.V.,

gevestigd te Middelburg,

2. [eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. M. Verhagen te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MRL HOLDING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MCM HOLDING BV,

gevestigd te Leiden,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SMP MARITIME PERSONNEL B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IPS HOLDING B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagden,

advocaat mr. J. Blakborn.

Partijen zullen hierna LCS c.s. en MRL c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de producties 1 t/m 13 van LCS c.s. en de akte aanvulling grondslag eis

  • -

    de producties 1 t/m 5 van MRL c.s.

  • -

    de mondelinge behandeling op 12 februari 2018, tijdens welke mondelinge behandeling ook de zaak – tussen CSC Crewing B.V. en MRL c.s. – met zaaknummer / rolnummer: C/10/544108 / KG ZA 18-123 is behandeld

  • -

    de pleitnota van LCS c.s.

  • -

    de pleitnota van MRL c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is bestuurder van LCS Holding. De aandelen in LCS Holding worden gehouden door Stichting Administratiekantoor LCS, waarvan [eiser] en [persoon 1] bestuurders zijn.

2.2.

LCS Holding heeft diverse dochterondernemingen die (met het woord Seacontractors in de bedrijfsnaam) actief zijn in de scheepvaartsector.

2.3.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CSC Crewing B.V. (hierna: CSC Crewing) is een op 15 november 2013 opgerichte vennootschap die zich onder meer bezig houdt met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de scheepvaart. LCS Holding noch [eiser] is (in de periode 2013-2016) oprichter, aandeelhouder of bestuurder van CSC Crewing (geweest).

2.4.

MRL Holding (hierna MRL Holding) is een houdstermaatschappij van [persoon 2] en [persoon 3] .

MCM Holding (hierna: MCM Holding) is via Stichting Administratiekantoor MCM Holding een houdstermaatschappij van [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ). [persoon 4] is bestuurder van MCM Holding.

2.5.

MRL Holding en MCM Holding houden 100% van de aandelen van IPS Holding B.V. (hierna IPS Holding), een vennootschap die zich bezig houdt met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de scheepvaart.

2.6.

Seacontractors Maritime Personel B.V. (hierna: SMP) is een uitzend- en detacheringsbedrijf dat zich bezig houdt met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de scheepvaart.

2.7.

Op 30 oktober 2013 is tussen LCS Holding, op dat moment nog genaamd [eiser] Holding B.V., enerzijds en MCM Holding en MRL Holding anderzijds, kort gezegd en onder meer, overeengekomen dat LCS Holding haar aandelen in SMP zou overdragen voor € 1.011.568,00 + € 54.843,24. (hierna ook: de overeenkomst).

2.8.

De overeenkomst luidt, voor zover van belang als volgt:

“ONTBINDING/VASTSTELLINGSOVEREENKOMST

DE ONDERGETEKENDEN:

1. [eiser] Holding BV. gevestigd en kantoorhoudende te Middelburg, te dezen vertegenwoordigd door de heer X. [eiser] , hierna te noemen : “Partij 1”;

2. MRL Holding B.V. gevestigd te Rotterdam en kantoorhoudende te Voorburg te dezen

vertegenwoordigd door de heer [persoon 2] , hierna te noemen ; “Partij 2”;

3. MCM Holding B.V. gevestigd te Leiden en kantoorhoudende te Oegstgeest te dezen vertegenwoordigd door de heer [persoon 4] , hierna te noemen: “Partij 3”:

4. Gedeelte Aandelenpakket “ [eiser] Holding BV” bestaande uit:

- Seacontractors Maritime Personnel bv

- Seacontractors Interim bv

- Seacontractors (UK) ltd

- Seaworks Interim BVBA

- Seaworks Belgie BVBA

- Seacontractors Germany Gmbh

- Noergoed BV

(…)

PARTIJEN ZIJN VERDER OVEREENGEKOMEN:

1. Partij 1 behoudt de naam Seacontractors en zal zich verder richten op marine contracting, terminal diensten en overige rederij activiteiten in de breedste zin van het woord; hierna te noemen ‘Seacontractors’.

2. Partij 2 en 3 zullen de activiteiten van het gedeelde aandelenpakket [eiser] Holding BV laten integreren onder de IPS noemer en zal zich blijven huisvesten op het [persoon 4] of andere ruimte in Vlissingen. Seacontractors Brokerage BV zal om niet worden ontbonden van haar huurovereenkomst met Noergoed BV en zal zich elders vestigen. Al hetgeen de naam ‘Seacontractors’ draagt, zowel materieel als immaterieel, alsmede gedeelde inventaris en inboedel blijft eigendom van Partij 1 en vice versa.

(…)

4. Seacontractors zal haar eigen personeel in de breedste zin van het woord zelfstandig managen op de vloot.

5. De volgende personen zullen meeverhuizen met Seacontractors: [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] , [persoon 9] , [persoon 10] . Over [persoon 11] zullen nog separate afspraken worden gemaakt, echter indien zij en Partij 1 dit wensen zullen Partij 2 en 3 aan een overgang van haar naar Seacontractors meewerken. Partij 2 en 3 nemen het contract en verplichtingen aan [persoon 12] volledig over.

(…)

8. Partijen zijn overeengekomen in welke hoedanigheid dan ook, direct en indirect, zich niet in te laten met of betrokken te zijn bij, of enige persoon te benaderen met het oog op betrokkenheid bij, zakelijke activiteiten die betrekking hebben voor partij 1 op het leveren van personeel aan derden zijnde niet haar eigen vloot en schepen onder management zoals bijvoorbeeld Avra en voor partij 2 en 3 voor activiteiten op het gebied van Brokerage en/of het hebben van eigen schepen voor een periode van drie jaar. Bij twijfel dient overleg plaats te vinden tussen partijen.

(…)”

2.9.

MCM Holding en MRL Holding hebben krachtens een door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op 19 december 2017 verleend verlof ten laste van LCS Holding beslagen gelegd voor een vordering van € 1.306.370,00 (hierna ook: de eerste vordering). SMP en IPS hebben met gebruikmaking van datzelfde verlof ten laste van LCS Holding, [eiser] en CSC Crewing beslagen gelegd voor een vordering van € 8.500.000,00 (hierna ook: de tweede vordering).

2.10.

De beslagen hebben, voor zover op dit moment bekend, ten laste van LCS c.s. ruim € 400.000,00 geraakt en ten laste van CSC Crewing een bedrag van ruim € 150.000,00.

2.11.

MRL c.s. heeft de dagvaarding in de bodemprocedure op 27 december 2017 uitgebracht.

3 Het geschil

3.1.

LCS c.s. vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. de door MRL c.s. op 21 december 2017 ten laste van LCS Holding gelegde beslagen inzake vordering 1 op te heffen, althans MRL c.s. te bevelen deze op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2. de door MRL c.s. op 21 december 2017 ten laste van LCS Holding en [eiser] gelegde beslagen inzake vordering 2 op te heffen, althans MRL c.s. te bevelen deze op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom;

een en ander met veroordeling van MRL c.s. in de proceskosten.

3.2.

MRL c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

LCS c.s. vordert opheffing van door MRL c.s. gelegde beslagen. Zij stelt dat sprake is van een ondeugdelijke vordering.

4.2.

MRL c.s. heeft als eerste verweer gevoerd ten aanzien van het spoedeisend belang. Dat verweer wordt verworpen. Een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag is naar zijn aard spoedeisend.

4.3.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.4.

De voorzieningenrechter wenst het volgende voorop te stellen.

MRL c.s. heeft ter zitting betoogd dat, nu verlof is afgegeven voor het leggen van de beslagen waarvan thans opheffing wordt gevorderd, in dit geding uitgegaan moet worden van de deugdelijkheid van de door MRL c.s. gepretendeerde vordering. Dat acht de voorzieningenrechter onjuist.

Voor het summierlijk aannemen van een vordering – de belangrijkste eis voor het verlenen van een beslagverlof – is vereist dat de in een beslagrekest gepresenteerde vordering op enigerlei wijze (met relevante bewijsstukken) wordt onderbouwd. Dat betekent dat wanneer die onderbouwing, ook al is er verlof verleend, niet of niet genoegzaam blijkt te zijn – en sprake is van gissingen in plaats van onderbouwde stellingen – op die grond tot een opheffing van het beslag kan worden gekomen. De eisende partij kan daartoe, gemotiveerd, stellen dat de door de beslaglegger gestelde feiten en omstandigheden onjuist en/of niet onderbouwd zijn, althans deze feiten en omstandigheden in voldoende mate ontzenuwen. Of hier sprake is van een (on)deugdelijke vordering zal hierna worden getoetst.

4.5.

De door MRL c.s. gepretendeerde vordering op LCS Holding en [eiser] strekt

tot betaling van schadevergoeding en is gegrond op de stellingen dat LCS Holding althans [eiser] , CSC Crewing heeft opgericht en zich in de periode tussen 2013 en 2017 met het uitzenden van personeel heeft beziggehouden. Daarmee heeft LCS Holding de overeenkomst overtreden en [eiser] onrechtmatig gehandeld. MRL c.s. heeft, in het 36 pagina’s tellende beslagrekest, voor zover hierna relevant het volgende gesteld:

  • -

    CSC Crewing is opgericht door LCS Holding, althans door de heer [eiser] (randnummer 5)

  • -

    Seacontractors, verzoeker sub 3, is daarmee dus via MRL Holding en MCM Holding uiteindelijk 100% eigendom geworden van enig aandeelhouder IPS Holding. Vanuit Seacontractors zijn vervolgens (vrijwel) alle operationele activiteiten overgeheveld naar IPS Holding (randnummer 14)

  • -

    De nieuwe directie van SMP heeft moeten constateren dat de getekende arbeidsovereenkomst van [persoon 13] in het personeelsdossier van [persoon 13] ontbrak. [persoon 13] heeft deze echter (eventueel met hulp van de oude directie; lees [eiser] ) uit zijn personeelsdossier verwijderd (randnummers 33 en 34).

  • -

    Inmiddels hebben verzoekers bewijsmiddelen in hun bezit waaruit expliciet blijkt dat [eiser] en/of LCS Holding wel degelijk een (50%) belang hebben in CSC Crewing en zij de activiteiten vanuit CSC Crewing (mede) hebben verricht en gecoördineerd (randnummer 44)

  • -

    In februari 2016 is [persoon 14] uiteindelijk begonnen te werken voor CSC Crewing B.V., althans voor [eiser] , althans voor LCS Holding (50% aandeelhouder) en [persoon 15] Beheer B.V. (50% aandeelhouder) (randnummer 49)

  • -

    [eiser] maakte aldus onrechtmatig gebruik van de vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Seacontactors door deze werknemers, die CSC Crewing anders nimmer had kunnen benaderen, te bewegen bij CSC Crewing in dienst te treden en voor hen werkzaamheden te gaan verrichten bij Van Oord (randnummer 91)

  • -

    Het staat immers vast dat ALLE omzet in CSC Crewing is gegenereerd (uitsluitend) doordat [eiser] zijn kennis, netwerk en verdere (financiële) middelen heeft ingezet om – in strijd met het geldende concurrentieverbod – omzet van Seacontractors weg te halen, mede met behulp van de door [eiser] bij Seacontractors weggekaapte werknemers (randnummer 108)

  • -

    Vast staat in dat kader in ieder geval dat de volgende klanten Seacontractors hebben verlaten voor [eiser] , althans CSC, althans LCS, door toedoen van [eiser] (en zijn werknemers): [persoon 16] , Dordrecht, Multaship, Reimerswaal, [persoon 17] , [persson 18] , Dutch Pioneer, Wagenborg (randnummer 112).

In het kader van de beoordeling is verder van belang dat op sommige plekken in het beslagrekest LCS Holding en [eiser] zijn vereenzelvigd. (LCS/ [eiser] of LCS en [eiser] ). Op andere plekken wordt er geen keuze gemaakt wat volgt uit formuleringen als “LCS althans [eiser] ” en “LCS en/of [eiser] ”.

4.6.

Gelet op het gemotiveerde verweer van LCS c.s. ten aanzien van (de gronden van) de gepretendeerde vordering van MRL c.s. is hetgeen MRL c.s. heeft gesteld in het beslagrekest en de (nagenoeg gelijkluidende) dagvaarding in de bodemzaak, ook gelet op het ontbreken van concrete aanknopingspunten en/of onderbouwing van stellingen, onvoldoende om aan te nemen dat zij een vordering heeft op LCS c.s. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.

4.7.

Zoals hiervoor in 4.5 aangegeven poneert MRL c.s. veel stellingen, maar deze stellingen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter (voor een deel) feitelijk niet onderbouwde gissingen die ook (deels) berusten op een verkeerde lezing van stukken. Daarnaast heeft het er veel van dat MRL c.s. bepaalde relevante informatie (bewust) weg laat uit het beslagrekest. LCS c.s. heeft daarnaast de stellingen van MRL c.s. uitgebreid weersproken. Tegenover de uitleg van de (betekenis van de) feiten waarop MRL c.s. haar vermoedens baseert, heeft LCS c.s. steeds een andere uitleg van die situatie aangevoerd en gemotiveerd.

4.8.

Vooropgesteld wordt dat [eiser] geen partij is bij de overeenkomst van 30 oktober 2013. Maar ook als veronderstellenderwijs aangenomen zou worden dat vereenzelviging van LCS Holding en [eiser] gerechtvaardigd is, of als rekening wordt gehouden met de uiteenlopende grondslagen van de vorderingen op deze twee partijen, blijkt nergens uit dat [eiser] zich niet aan artikel 8 van de overeenkomst heeft gehouden. Daarbij zij nog wel opgemerkt dat uit de proceshouding van [eiser] kan worden afgeleid dat hij zich (ook) gebonden acht aan de overeenkomst. Hij stelt immers dat hij in 2016 voorbereidingen heeft getroffen om per 2017, na het verstrijken van de termijn van het concurrentiebeding, “iets” met of voor CSC Crewing te kunnen gaan doen.

4.9.

In het beslagrekest presenteert MRL c.s. als feit dat [eiser] betrokken is bij CSC Crewing en dat CSC Crewing is opgericht door LCS Holding, althans [eiser] .

In de dagvaarding in de bodemprocedure – die tekstueel bijna identiek is aan het beslagrekest – doet MRL c.s. dat wederom. Concrete en deugdelijk onderbouwde omstandigheden waaruit die betrokkenheid blijkt, worden niet aangevoerd. Van enige betrokkenheid bij oprichting van CSC Crewing, of anderszins in de periode 2013-2016, blijkt niets. Dat is hiervoor onder 2.3. ook tot uitdrukking gebracht.

4.10.

MRL c.s. beroept zich op een conclusie van antwoord die volgens haar als bewijs kan dienen voor het ‘feit’ dat [eiser] een directiefunctie binnen CSC Crewing bekleedt, activiteiten verricht en coördineert en tevens aandelen in zijn bezit heeft. Daarmee zet zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter de lezer van het beslagrekest en de dagvaarding op het verkeerde been. Dat bleek ter zitting uit de uitlatingen van de advocaat van LCS c.s., die aanvankelijk het idee had dat bedoelde conclusie van CSC Crewing afkomstig was. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die indruk gewekt kan worden, zeker nu in het beslagrekest zelf niet benoemd wordt van welke partij de conclusie afkomstig is. De betreffende conclusie van antwoord is, anders dan MRL c.s. lijkt te suggereren, niet afkomstig van CSC Crewing en/of LCS Holding en/of [eiser] , maar van een wederpartij van CSC Crewing in een door CSC Crewing aanhangig gemaakte procedure. Dat maakt dat aan dit stuk slechts een zeer beperkte waarde toekomt als bewijs van de stellingen van MRL c.s. Met name ook voor de waardering van ‘het bewijs’ dat in deze conclusie in punt 4 vermeldt ‘ [persoon 19] heeft in 2014 gesolliciteerd bij CSC, alwaar zij een gesprek had met [persoon 20] (directeur CSC en de heer X [eiser] , directeur van Seacontractors.)”. Daar komt bij dat LCS c.s. betwist dat het om een sollicitatiegesprek ging en stelt dat er twee redenen voor het gesprek waren: [eiser] kon (mede) beoordelen of [persoon 19] zou passen in het team van CSC Crewing omdat hij een deel van dat team kende en de bedrijven van [eiser] waren een grote klant van CSC Crewing. MRL c.s. stelt dat dit ongeloofwaardig is, maar komt niet met een verklaring (van [persoon 19] ) waaruit anders blijkt.

4.11.

Het tweede onderdeel uit bedoeld processtuk betreft een stelling over afspraken tussen [persoon 14] en [eiser] waarbij MRL c.s. wijst op een mailwisseling tussen [persoon 14] en [persoon 15] (op dat moment 100% aandeelhouder van CSC Crewing). In die mailwisseling wordt op 21 maart 2014 namens CSC Crewing geschreven ‘Begin volgende week overleg ik met X hoe we een vervolg aan het gesprek kunnen geven’. MRL c.s. betoogt dat onder meer deze mailwisseling bewijs oplevert van de stelling dat [persoon 14] met [eiser] heeft afgesproken dat [persoon 14] 50% van het (winst)aandeel van [eiser] zou krijgen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de mailwisseling voor die conclusie geen steun biedt, terwijl verder van belang is dat het vervolgens een kleine twee jaar “stil” is en nergens uit blijkt wat er in die periode gebeurd zou zijn.

Voor zover MRL c.s. een verband lijkt te leggen tussen voornoemde mailwisseling en een mailwisseling met een mail van 5 december 2016, waarin [persoon 14] spreekt over winst over 2015 en 2016, geldt dat die laatste mailwisseling vragen op kan roepen over wat tussen betrokkenen op welk moment is afgesproken. Dat is, zonder concrete nadere feiten en omstandigheden die niet zijn gesteld of gebleken, echter onvoldoende om daarop een vorderingsrecht jegens LCS c.s. uit hoofde van wanprestatie of onrechtmatig handelen te kunnen gronden. Daar komt bij dat de uitlating van [persoon 14] in zijn mail van 3 januari 2017 – “ik ben van mening dat daar wel afspraken over zijn en ik dus recht heb op mijn 2016 deel. Ben dan ook van plan om het nog een keer te melden bij [persoon 21] of [persoon 22] ” – uitsluitend ziet op hemzelf en niet op [eiser] . Uit de eveneens bijgevoegde e-mails van [eiser] kan bovendien niet worden afgeleid dat hij zich aansluit of vereenzelvigt met het standpunt van [persoon 14] .

4.12.

Vanaf punt 70 van het beslagrekest zien de stellingen van MRL c.s. op het onrechtmatige concurreren met SMP. MRL c.s. onderbouwt haar stellingen op dit punt ook niet of nauwelijks. Zij verwijst naar veel jurisprudentie waarin op grond van bijkomende omstandigheden is geoordeeld dat sprake was van onrechtmatige concurrentie, maar de concrete omstandigheden waarop zij zich in dit geval beroept zijn niet voldoende concreet om daarop een dergelijke conclusie te kunnen baseren.

4.13.

MRL c.s. stelt dat al haar klanten afhandig zijn gemaakt door LCS c.s. en [eiser] , maar maakt ook op dit punt de verwijten niet concreet. Zij geeft niet aan welke specifieke klanten het betreft en zij geeft ook niet aan wat de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van die klanten zijn.

Daar komt bij dat ter zitting aan de orde is gekomen, en door MRL c.s. niet is weersproken, dat sprake is van een markt waarbinnen marktpartijen bij meerdere uitzendbureaus klant zijn. Dit betekent dat zelfs als bekend zou zijn welke marktpartijen in de periode waar het hier om gaat klant zijn geworden van CSC Crewing, en dat eerder, of nog steeds, waren van SMP, daarmee nog niet aannemelijk is dat de omzet van deze partijen automatisch en volledig is weggetrokken van SMP (of IPS Holding).

Nu MRL c.s. zelf in punt 14 van het beslagrekest schrijft “Vanuit SMP zijn vervolgens (vrijwel) alle operationele activiteiten overgeheveld naar IPS”, kan zonder inzicht in de klanten van IPS Holding (en die van CSC Crewing) niet worden aangenomen dat sprake is van het onrechtmatig onttrekken van klanten. De mogelijkheid bestaat immers dat de voormalige klanten van SMP nu klant zijn van IPS Holding.

4.14.

Overigens valt op dat MRL c.s. in het beslagrekest in het geheel niet ingaat op de activiteiten en omzet van IPS Holding. Dat mocht wel van haar worden verwacht in een situatie waarin zij, zoals hiervoor is overwogen, zelf schrijft dat activiteiten naar IPS Holding zijn overgeheveld en sprake is van een situatie waarin een en ander relevant is voor de beoordeling van de vraag of een vorderingsrecht bestaat.

4.15.

Ook bij de berekening van de volgens MRL c.s. geleden schade, en de onderbouwing, schiet MRL c.s. tekort. MRL c.s. meent dat zij haar schade niet goed kan onderbouwen, omdat zij voor de onderbouwing afhankelijk is van de administratie van CSC Crewing. Dat doet vragen rijzen bij de concreetheid en de gegrondheid van het schadebedrag waarvoor verlof is verleend en of dat niet een slag in de lucht is. Bovendien moet worden aangenomen dat MRL c.s. zelf ook beschikt over een administratie die bruikbare informatie bevat en op grond waarvan, bij voorbeeld, vergelijkingen tussen verschillende jaren gemaakt kunnen worden. In dit verband is, zoals hiervoor al aangestipt, ook en uiterst relevant dat MRL c.s. in alle toonaarden zwijgt over IPS Holding.

4.16.

Daarnaast had MRL c.s. in de berekening rekening kunnen en moeten houden met de hierna te bespreken omstandigheden.

MRL c.s. gaat er vanuit dat haar schade gelijk is aan de gehele omzet van CSC Crewing. Dat kan niet als juist worden aangenomen, reeds omdat omzet geen winst is. Daarnaast wordt de omzet van één jaar tot uitgangspunt genomen en ervan uitgegaan dat die omzet steeds gehaald zou worden en wordt gerekend met een verder niet onderbouwde winstmarge van 25%. In dit verband is ook relevant dat over de omzet van IPS Holding wordt gezwegen.

MRL c.s. heeft het in het beslagrekest over 7 klanten die zijn vertrokken, terwijl LCS c.s. gemotiveerd stelt dat SMP eerder meer dan 60 klanten had. Het had gelet op dat aantal in de rede gelegen dat MRL c.s. zou onderbouwen hoe het vertrek van die 7 klanten zich verhield tot de totale omzet respectievelijk de totale schade die zij stelt te hebben geleden.

MRL c.s. heeft voorts niet inzichtelijk gemaakt welk deel van de omzet is gerelateerd aan de eigen vloot van LCS c.s., die op grond van de overeenkomst door LCS Holding is meegenomen. Die omzet, althans de daaruit voortvloeiden winst, kan op die grond immers geen schade zijn voor MRL c.s.. Ter zitting heeft MRL c.s. de daarmee gemoeide omzet gebagatelliseerd als ‘slechts een klein deel van de omzet’. Onweersproken is echter dat het 16% van de totale omzet betrof: dat is zeker geen te verwaarlozen deel. Dat betekent dat, voor zover al zou worden aangenomen dat sprake is van schade aan de zijde van MRL c.s., waarvoor eerst een wanprestatie en/of onrechtmatige daad vastgesteld zal moeten worden, de vordering flink lager zal zijn dan door MRL c.s. berekend.

Tot slot geldt dat MRL c.s. in haar schadeberekening geen rekening heeft gehouden met inkomsten die zij heeft ontvangen op grond van de vaststellingsovereenkomsten, die ook lijken te zien op specifieke klanten, die zij met vertrokken werknemers sloot. Voor zover MRL c.s. heeft betoogd dat die vaststellingsovereenkomsten zijn aan te merken als een erkenning van aansprakelijkheid miskent zij dat de overwegingen om die overeenkomsten te sluiten niet bekend zijn.

4.17.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat MRL c.s. een vordering heeft op LCS Holding en [eiser] op grond van de stelling dat [eiser] verbonden is aan CSC Crewing en/of dat zij het beding in artikel 8 van de overeenkomst hebben overtreden. Ook voor het aannemen van een vordering op grond van wanprestatie of een andere grondslag is summierlijk toetsend geen plaats.

Dat betekent dat de beslagen voor beide gepretendeerde vorderingen (€ 1.066.411,24 en

€ 8.500.000,00) dienen te worden opgeheven.

4.18.

Hetgeen overigens door MRL c.s. is aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel en is onvoldoende om (summierlijk) een vorderingsrecht aan te nemen.

4.19.

De vorderingen zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.

4.20.

MRL c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van LCS c.s. worden in conventie begroot op:

- dagvaarding € 262,16 (€ 85,79 + € 85,79 + € 90, 58)

- griffierecht 626,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.704,16.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de ten laste van LCS Holding door MRL c.s. krachtens een beslagverlof van 19 december 2018 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam gelegde conservatoire beslagen voor vordering 1,

5.2.

heft op de ten laste van LCS Holding en [eiser] door MRL c.s. krachtens een beslagverlof van 19 december 2018 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam Amsterdam gelegde conservatoire beslagen voor vordering 2,

5.3.

veroordeelt MRL c.s. in de proceskosten, aan de zijde van LCS c.s. tot op heden begroot op € 1.704,16,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018.

1634/2009