Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1553

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
6024801 CV EXPL 17-18567
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg 'wachtgeldregeling' in CAO. Toepassing CAO-norm. Eenzijdig afschrijven op buitenlandverlof, vierploegenverlof en cursusverlof voorafgaand aan toepassing wachtgeldregeling is niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6024801 / CV EXPL 17-18567

uitspraak: 2 februari 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FNV Waterbouw,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.J. den Hollander-Fischer,

tegen

1 de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Van Oord B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Van Oord Personeels B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

gemachtigde: mr. P.H.E. Voûte.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “FNV”. Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als “Van Oord”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 4 mei 2017 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2

De kantonrechter heeft de datum voor de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet weersproken, staat tussen partijen het volgende vast:

2.1

FNV is een Nederlandse werknemersorganisatie die de belangen behartigt van meer dan 1200 leden in de waterbouw. FNV is onderdeel van de vakbond Nautilus International.

2.2

Van Oord is een internationale onderneming, gespecialiseerd in bagger-, waterbouw-, en offshore projecten. Bij Van Oord is bijna 5.000 FTE personeel werkzaam.

2.3

Van Oord en FNV zijn partij bij de Collectieve Arbeidsovereenkomst betreffende loon- en arbeidsvoorwaarden voor het personeel werkzaam in de waterbouw (hierna: “de cao”). De cao geldt voor de periode 1 april 2015 tot en met 31 maart 2018 en is per 26 augustus 2015 algemeen verbindend verklaard voor een periode van twee jaar.

2.4

Naast de cao geldt een separate regeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn voor werknemers die buiten Nederland werkzaam zijn. Dit betreft de “Uitzendvoorwaarden tewerkstelling buiten Nederland voor cao-medewerkers Waterbouw werkzaam bij Boskalis en Van Oord” (hierna te noemen: “de Buitenlandregeling”). Bij uitzending naar het buitenland is tijdelijk niet de cao van toepassing maar de Buitenlandregeling.

2.4

De cao bevat - voor zover thans relevant - onder meer de volgende bepalingen:

15.13

In verband met de gemiddelde basiswerkweek van 36 uur bestaat voor iedere vier

weken in volcontinudienst recht op één vrije dag tegen een beloning van 1/5 deel van

het voor de werknemer geldende vierploegen loon. Deze vrije dag kan in overleg met

de werkgever worden opgenomen.

37.12

De werknemer heeft het recht als er bij werk in Nederland in een ploegendienst verlofdagen worden opgebouwd, deze dagen tot een maximum van 10 dagen per jaar vrij op te nemen onder de werkingssfeer van deze cao. Deze dagen moeten in overleg met de werkgever worden opgenomen. Een werkgever kan wanneer er sprake is van een leegloopsituatie niet eenzijdig reeds opgebouwde verlofdagen aanwijzen.

38.1

Er is geen loon verschuldigd over de tijd dat de werknemer niet de bedongen arbeid heeft verricht. Wel zijn de artikelen 7:629 en 7:628 BW van toepassing met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 21, 46 en 52 van deze cao.

38.6

Behoud van loon bij niet verrichte arbeid (‘de wachtgeldregeling’):

In het geval de overeengekomen arbeid niet is verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever komt, zal de werknemer maximaal vier weken 100 % van het vast overeengekomen loon ontvangen, inclusief het gemiddelde over de laatste 13 weken direct voorafgaand aan deze periode ontvangen toeslagen en overwerkvergoedingen van het dienstverband. Deze uitkering bedraagt maximaal het niveau van het maximumloon in de zin van artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen. Indien de beschreven situatie na vier weken voortduurt, zal de beloning conform artikel 21 lid 2 worden toegepast. Voor de helderheid: dit is van toepassing in het geval de werkgever geen werk kan aanbieden.

41.2

Werknemers die op verzoek van de werkgever een cursus volgen op verlofdagen of vrije dagen, krijgen de tijd van de cursus en de reistijd gecompenseerd.

2.5

De Buitenlandregeling bevat - voor zover thans relevant - onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 1 Aanvang en duur van de tewerkstelling

1.1

De uitzendvoorwaarden zijn van toepassing vanaf de dag dat de werknemer vertrekt naar het land van tewerkstelling. Deze uitzendvoorwaarden worden aangegaan voor de duur van de voorziene werkzaamheden en de opgebouwde verlofrechten. Na het verstrijken van de duur van de tewerkstelling in het buitenland en de opgebouwde verlofrechten vervalt de toepassing van de uitzendvoorwaarden.

13.1

Verplichte cursussen worden gevolgd in werktijd en daar tegenover staat een vergoeding in vrije tijd of geld in onderlinge afstemming tussen de werkgever en de werknemer […].

25.1

Het verlof bedraagt 1 kalenderdag voor iedere gewerkte kalenderdag in het buitenland.

25.6

De werknemer en de werkgever kunnen overeenkomen dat een deel van de verlofrechten niet wordt opgenomen. In dat geval wordt het loon over de niet opgenomen verlofdagen uitbetaald.

25.7

Een eventueel bij het einde van een project of activiteit resterend aantal verlofdagen wordt als regel opgenomen na het voltooien van het project of een activiteit.

25.9

Na beëindiging van de tewerkstelling buiten Nederland komt de werknemer terug in Nederland om te werken onder de CAO Waterbouw. Indien de werkgever de werknemer aansluitend aan de buitenlandperiode geen werk kan bieden, gaat de Wachtgeldregeling als omschreven in artikel 38.6 van de CAO Waterbouw in.

3 De vordering

3.1

FNV heeft gevorderd om Van Oord hoofdelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verbieden in een eerdere periode opgebouwde buitenlanddagen, cao verlofdagen en cursusdagen af te schrijven voorafgaand aan de toepassing van de Wachtgeldregeling op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per overtreding per dag;

II. te veroordelen om met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2013 foutieve afschrijvingen te corrigeren door bijboeking van de ten onrechte afgeschreven dagen/uren op de betreffende verlofsaldi door binnen 90 dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis aan haar werknemers en gewezen werknemers te voldoen hetgeen de respectievelijke gedaagden verschuldigd zijn ter zake van Wachtgeld, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente, bij gebreke waarvan gedaagden ieder een dwangsom van € 1.000,= per dag verbeuren;

III. te veroordelen om met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2013 tijdens het buitenlandverlof gevolgde cursussen alsnog te compenseren in de vorm van bijboeking van gemist buitenlandverlof, althans in de vorm van bijboeking van het verschil tussen het NL cao loon en het loon op grond van de Buitenlandregeling aan haar werknemers en gewezen werknemers binnen 90 dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente, bij gebreke waarvan gedaagden ieder een dwangsom van € 1.000,= per dag verbeuren;

IV. te veroordelen tot overlegging van bescheiden aan eiseres binnen 90 dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis waaruit blijkt dat gedaagden jegens haar werknemers en haar gewezen werknemers vanaf 1 april 2013 artikel 38.6 van de cao Waterbouw (vordering II) en artikel 41.2 van de cao Waterbouw (vordering III) naleeft in die zin dat aan hen bijboekingen c.q. betalingen zijn verricht die voortvloeien uit de naleving van de cao vanaf 1 april 2013, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag, bij gebreke waarvan gedaagden ieder een dwangsom van € 1.000,= per dag verbeuren;

V. betaling van de proceskosten.

3.2

Aan haar vordering heeft FNV - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat de wijze waarop Van Oord de Wachtgeldregeling (artikel 38.6 cao) toepast, in strijd is met de cao. Deze onjuiste toepassing is er in gelegen dat Van Oord na afloop van de uitzendperiode in het buitenland en het aansluitend op basis van deze uitzendperiode genoten buitenlandverlof als bedoeld in artikel 1.1 van de Buitenlandregeling, niet direct de Wachtgeldregeling toepast maar eerst eenzijdig het uit een eerdere buitenlandperiode tegoed aan verlof, Nederlands vierploegenverlof en cursusverlof afschrijft. Van Oord hanteert de Wachtgeldregeling bovendien ten onrechte alleen wanneer er structureel geen werk kan worden aangeboden. De Wachtgeldregeling dient in alle gevallen waarin geen werk beschikbaar is te worden toegepast.

4 Het verweer

4.1

Van Oord heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

4.2

Van Oord betwist dat zij in strijd handelt met de cao door na afloop van een uitzendperiode naar het buitenland eerst af te schrijven op in een eerdere periode opgebouwd buitenlandverlof, Nederlands vierploegenverlof en cursusdagen voorafgaand aan toepassing van de Wachtgeldregeling (artikel 38.6 cao). Deze toepassing is correct en bovendien gebruikelijk binnen de branche. De Wachtgeldregeling is uitsluitend bedoeld voor “leegloopsituaties”, situaties waarin Van Oord structureel geen werk kan bieden. De regeling geldt niet in reguliere situaties waarin een korte periode niet wordt gewerkt, bijvoorbeeld wanneer twee uitvaartdata niet op elkaar aansluiten.

5 De beoordeling

5.1

Vastgesteld wordt dat voldaan is aan de vereisten van artikel 3:305a BW zodat FNV ontvankelijk is in haar vorderingen.

5.2

Tussen partijen is in geschil of Van Oord een juiste uitvoering geeft aan de in de cao opgenomen Wachtgeldregeling (artikel 38.6 cao) door na afloop van een uitzendperiode naar het buitenland af te schrijven op een in een eerdere periode opgebouwd buitenlandverlof, Nederlands vierploegenverlof en cursusverlof voorafgaand aan toepassing van de Wachtgeldregeling. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op de vraag hoe de betreffende cao-bepalingen dienen te worden uitgelegd.

5.3

Vooropgesteld wordt dat volgens vaste rechtspraak voor de uitleg van een bepaling van een cao de zogeheten cao-norm geldt. Deze houdt in dat aan een cao-bepaling een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. Niet gebleken is dat er in dit geval een toelichting is opgesteld bij de cao. De uitleg van de cao dient daarom te geschieden aan de hand van de cao zelf.

5.4

Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsvoorwaarden tijdens tewerkstelling in Nederland worden geregeld in de cao en dat in geval van uitzending naar het buitenland de Buitenlandregeling geldt. Discussie bestaat echter over de periode waarin de Buitenlandregeling van toepassing is. Volgens FNV geldt de Buitenlandregeling voor de duur van de tewerkstelling in het buitenland en het in die betreffende periode opgebouwde verlof. Van Oord stelt dat toepassing van de Buitenlandregeling pas vervalt na afloop van de tewerkstelling en het in die periode opgebouwde verlof alsook resterende verlofdagen uit een eerdere buitenlandperiode.

5.5

Artikel 1.1. van de Buitenlandregeling bepaalt dat de Uitzendvoorwaarden ingaan vanaf de dag dat de werknemer vertrekt naar het land van tewerkstelling en dat deze gelden voor de duur van de voorziene werkzaamheden en de opgebouwde verlofrechten. Op grond van artikel 25.9 vervalt de toepassing van de Uitzendvoorwaarden na het verstrijken van de duur van de tewerkstelling in het buitenland en de opgebouwde verlofrechten. Uit de tekst van deze bepaling valt niet op te maken dat onder “opgebouwde verlofrechten” ook wordt verstaan resterende verlofdagen uit een eerdere buitenlandperiode. Ook uit de overige bewoordingen van de Buitenlandregeling of cao blijkt niet dat dit het uitgangspunt is. Aangenomen wordt daarom dat de Buitenlandregeling alleen geldt voor de duur van de tewerkstelling in het buitenland en de in die periode opgebouwde verlofdagen.

5.6

Vervolgens is de vraag of de Wachtgeldregeling geldt indien de werknemer na afloop van een buitenlandperiode (en het in die periode opgebouwde en genoten verlof) niet te werk wordt gesteld. Volgens FNV treedt in dat geval op grond van artikel 25.9 de Wachtgeldregeling van artikel 38.6 cao in werking. Volgens Van Oord geldt de Wachtgeldregeling echter alleen wanneer structureel geen werk kan worden geboden, bijvoorbeeld omdat er niet genoeg werk voorhanden is of omdat een schip noodgedwongen stil ligt. Dit betreft de zogeheten “leegloopsituaties”, aldus Van Oord. Bij reguliere inzet van schepen is geen sprake van een leegloopsituatie en dan geldt de Wachtgeldregeling niet, aldus Van Oord. FNV stelt daarentegen dat de Wachtgeldregeling niet is beperkt tot situaties waarin structureel geen werk kan worden aangeboden. Deze geldt in alle gevallen waarin geen werk beschikbaar is, aldus FNV.

5.7

Artikel 25.9 bepaalt dat indien de werkgever de werknemer aansluitend aan de buitenlandperiode geen werk kan bieden, de Wachtgeldregeling als omschreven in artikel 38.6 cao in werking treedt. Uit de Wachtgeldregeling volgt dat deze geldt indien de overeengekomen arbeid niet is verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever komt. Daaraan is ‘voor de helderheid’ toegevoegd dat dit van toepassing is in het geval de werkgever geen werk kan aanbieden. Anders dan Van Oord stelt kan uit de bewoordingen van artikel 38.6 niet worden afgeleid dat de Wachtgeldregeling alleen geldt indien structureel geen werk kan worden aangeboden, door Van Oord aangeduid als “leegloopsituaties”. De term ‘leegloopsituatie’ komt in de bepaling niet voor en is ook elders in de cao niet gedefinieerd. De Wachtgeldregeling strekt ertoe een loonaanspraak te bieden in geval er niet wordt gewerkt omdat geen werk kan worden aangeboden. Hieraan zijn geen nadere voorwaarden gesteld. De omstandigheid dat een werknemer na een buitenlandperiode niet werkt omdat bijvoorbeeld uitvaartdata niet op elkaar aansluiten, betekent feitelijk dat Van Oord de werknemer op die dagen geen werk kan bieden. Daarmee is sprake van een situatie als bedoeld in de Wachtgeldregeling. Dat er wel werk in het vooruitzicht is doet daar niet aan af. Ook in de overige bepalingen van de cao wordt geen steun gevonden voor het standpunt van Van Oord. De opvatting van Van Oord strookt bovendien niet met het wettelijk stelsel. In artikel 8.1 cao wordt verwezen naar artikel 7:628 en 7:629 BW. Artikel 7:627 BW bevat de hoofdregel dat geen loon verschuldigd is als geen arbeid wordt verricht. Als uitzondering hierop regelt artikel 7:628 BW dat wel recht bestaat op loon indien de overeengekomen arbeid niet is verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. De Wachtgeldregeling kan gelet op de bewoordingen worden begrepen als een uitwerking van 7:628 BW. Bij de toepassing van artikel 7:628 BW is niet relevant of er structureel dan wel korte tijd geen werk beschikbaar is. Bepalend is de oorzaak van het niet verrichten van arbeid. Het niet kunnen verrichten van arbeid vanwege het niet op elkaar aansluiten van uitvaartdata is te beschouwen als een normaal bedrijfsrisico dat voor rekening van Van Oord komt. In lijn hiermee kan worden aangenomen dat dit ook geldt voor de Wachtgeldregeling. Gezien het voorgaande is de conclusie dat de Wachtgeldregeling niet is beperkt tot situaties waarin structureel geen werk beschikbaar is. De regeling geldt in alle gevallen wanneer een werknemer na afloop van de buitenlandperiode niet werkt vanwege het niet beschikbaar zijn van werk.

5.8

Vervolgens is de vraag of Van Oord voorafgaand aan toepassing van de Wachtgeldregeling eenzijdig mag afschrijven op verlofdagen. FNV stelt dat dit niet is toegestaan omdat in dit geval het risico van het niet kunnen aanbieden van werk, dat op grond van artikel 7:628 BW in redelijkheid voor rekening van Van Oord behoort te komen, alsnog voor rekening van de werknemer komt. Bovendien kunnen werknemers hierdoor niet vrij beschikken over de extra verlofaanspraken. Ten aanzien van het verplicht afschrijven op uit een eerdere periode opgebouwd buitenlandverlof stelt Van Oord dat toepassing van de Buitenlandregeling pas eindigt zodra alle opgebouwde buitenlandverlofdagen zijn afgeschreven. Van Oord stelt verder dat zij op grond van het instructierecht van artikel 7:660 BW bevoegd is de extra verlofaanspraken eenzijdig aan te wijzen. Uit artikel 37.12 volgt volgens Van Oord dat werknemers 10 verlofdagen die zijn opgebouwd in ploegendienst in onderling overleg vrij kunnen opnemen, zodat Van Oord de overige dagen eenzijdig kan aanwijzen. Het feit dat in artikel 37.12 ook is bepaald dat deze dagen niet eenzijdig kunnen worden aangewezen in leegloopsituaties impliceert volgens Van Oord dat dit in andere situaties wel kan.

5.9

De vraag of Van Oord eenzijdig verlof uit een eerdere buitenlandperiode, Nederlands vierploegenverlof en cursusverlof mag afschrijven voorafgaand aan toepassing van de Wachtgeldregeling, dient ontkennend te worden beantwoord. Hiervoor is reeds overwogen dat de Buitenlandregeling eindigt na de tewerkstelling in het buitenland en het in die periode opgebouwde buitenlandverlof en niet pas nadat ook resterende buitenlandverlofdagen uit een eerdere periode zijn opgenomen.

5.10

De opvatting van Van Oord dat buitenlandverlof, vierploegenverlof en cursusverlof niet is aan te merken als vakantie zodat zij deze verlofdagen op grond van het haar toekomende instructierecht eenzijdig kan aanwijzen, wordt niet onderschreven. Vooropgesteld wordt dat boek 7, titel 10, derde afdeling van het BW – waarin het recht op vakantie is geregeld – noch de Arbeidstijdenrichtlijn of de cao een definitie van het begrip “vakantie” kennen. In feite gaat het bij vakantie gaat om betaald verlof. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad is de doelstelling van vakantie: “de werknemer in verband met de werkbelasting die op hem drukt betaald verlof te verschaffen”. Dit is de recuperatiefunctie. Het karakter van het buitenlandverlof en vierploegenverlof is hiermee vergelijkbaar. Het betreft betaald verlof dat de strekking heeft werknemers te laten uitrusten na een lange periode van arbeid. Het cursusverlof strekt ertoe de werknemer te compenseren voor een tijdens verlof of vrije tijd gevolgde cursus. De recuperatiefunctie speelt bij deze verlofvormen dus evenals bij vakantie een rol. Om die reden zijn de wettelijke bepalingen betreffende vaststelling van vakantierechten relevant. Volgens artikel 7:638 BW geldt dat indien in de vaststelling van de vakantie niet is voorzien bij schriftelijke overeenkomst of cao of regeling door of namens daartoe bevoegd bestuursorgaan of de wet, de werkgever de vakantie vaststelt overeenkomstig de wensen van de werknemer, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Uit de cao volgt dat Buitenlandverlof en vierploegenverlof door de werknemer in overleg met de werkgever wordt opgenomen. In de cao is niet bepaald dat de werkgever dit eenzijdig kan vaststellen. Van Oord kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat uit het feit dat de werkgever op grond van artikel 37.12 bij leegloopsituaties niet eenzijdig opgebouwd vierploegenverlof kan aanwijzen, a contrario volgt dat dit in andere situaties wel kan. De cao geeft geen definitie van leegloopsituatie. Ook anderszins blijkt niet wat hieronder wordt verstaan. Uit de bepaling kan enkel worden opgemaakt dat eenzijdige vaststelling in leegloopsituaties in ieder geval niet is toegestaan. Uit de bepaling volgt naar objectieve maatstaven niet dat Van Oord in andere situaties wel gerechtigd is tot eenzijdige vaststelling van verlof.

5.11

Bij het voorgaande dient in aanmerking te worden genomen dat – zoals onder 5.7 is overwogen - indien niet wordt gewerkt omdat Van Oord geen werk beschikbaar heeft, dit in redelijkheid voor rekening van Van Oord behoort te komen, zodat een werknemer op grond van artikel 7:628 BW recht heeft op loon. Indien Van Oord in dit geval eenzijdig verlofdagen zou kunnen aanwijzen, komt het niet beschikbaar zijn van werk alsnog voor rekening van de werknemer. Dit is in strijd met artikel 7:628 BW. Aangezien de Wachtgeldregeling kan worden begrepen als een uitwerking van artikel 7:628 BW geldt het voorgaande ook ten aanzien van de Wachtgeldregeling. Van Oord dient dan ook indien geen werk beschikbaar is de Wachtgeldregeling toe te passen en kan niet eenzijdig afschrijven op verlof.

5.12

Tussen partijen is tot slot nog in geschil of een cursusdag gevolgd tijdens buitenlandverlof dient te worden gecompenseerd volgens de Uitzendvoorwaarden van de Buitenlandregeling dan wel de cao. Op grond van artikel 13.1 van de Buitenlandregeling staat tegenover verplichte cursussen een vergoeding in tijd of geld in onderlinge afstemming tussen de werkgever en de werknemer. Uit deze bepaling en uit het gescheiden systeem van de cao en Buitenlandregeling volgt onmiskenbaar dat een cursusdag dient te worden gecompenseerd conform de arbeidsvoorwaarden die gelden tijdens de periode dat de cursus wordt gevolgd. Een cursus gevolgd tijdens een buitenlandperiode dient derhalve te worden gecompenseerd volgens de Uitzendvoorwaarden.

5.13

De slotsom is dat Van Oord een onjuiste uitvoering geeft aan de in de cao opgenomen Wachtgeldregeling door na afloop van een uitzendperiode naar het buitenland eerst af te schrijven op een in een eerdere periode opgebouwd buitenlandverlof, Nederlands vierploegenverlof en cursusverlof voorafgaand aan toepassing van de Wachtgeldregeling. De hoofdvorderingen sub I tot en met III van FNV zijn daarom voor toewijzing vatbaar, zij het op de wijze zoals hierna bepaald.

5.14

FNV vordert overlegging van bescheiden waaruit blijkt dat Van Oord jegens haar werknemers en gewezen werknemers vanaf 1 april 2013 de CAO naleeft in die zin dat aan hen bijboekingen c.q. bijbetalingen zijn verricht. Van Oord heeft hiertegen als verweer gevoerd dat zij vanwege gewichtige redenen als bedoeld in artikel 843a Rv niet gehouden is deze gegevens te verstrekken. De gewichtige redenen zijn er volgens Van Oord in gelegen dat artikel 8 Wet Bescherming Persoonsgegevens (“WBP”) zich verzet tegen het verstrekken van op naam gestelde loonspecificaties van alle desbetreffende werknemers. Een werknemer dient hiervoor ondubbelzinnige toestemming te verstrekken, aldus Van Oord. FNV heeft daartegen aangevoerd dat Van Oord ook op andere wijzen kan aantonen dat zij de gevorderde bijboekingen heeft verricht, zonder in strijd te handelen met artikel 8 WBP. Bovendien kan, indien noodzakelijk mocht blijken, toestemming worden verzocht van de desbetreffende werknemers.

5.15

Voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a Rv is - kort gezegd - vereist dat sprake is van een rechtmatig belang bij inzage in bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin de partij die deze vordering instelt partij is. Het door FNV geschetste belang is een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a Rv, terwijl de verhouding tussen partijen die gegeven is op grond van de Wet op de CAO, zo’n aangewezen rechtsbetrekking is.

5.16

Uit de stelling van FNV dat Van Oord ook op andere wijze kan aantonen dat zij de gevorderde bijboekingen heeft verricht zonder in strijd te handelen met de WBP, wordt begrepen dat FNV hiermee stelt dat van Van Oord niet zonder meer persoonsgegevens worden verlangd als bedoeld in de Wet Bescherming Persoonsgegevens, zijnde alle gegevens die informatie kunnen verschaffen over een identificeerbare natuurlijke persoon. Voorts heeft FNV erop gewezen dat - indien dit noodzakelijk mocht blijken- toestemming kan worden verzocht aan de desbetreffende werknemers. Van Oord heeft tegen deze stellingen van FNV geen verweer gevoerd. De vordering is daarmee toewijsbaar, zij het op de wijze als hierna vermeld.

5.17

De gevorderde dwangsommen zullen niet worden toegewezen. FNV heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat er gegronde vrees bestaat dat Van Oord niet zal voldoen aan een terzake veroordelend vonnis. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om aan Van Oord dwangsommen op te leggen. Overigens hebben de vorderingen sub II en III in overwegende mate betrekking op de betaling van een geldsom, zodat daaraan ook geen dwangsom kan worden verbonden.

5.18

Van Oord zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

verbiedt Van Oord in een eerdere periode opgebouwde buitenlanddagen, cao verlofdagen en cursusdagen af te schrijven voorafgaand aan de toepassing van de Wachtgeldregeling;

veroordeelt Van Oord om met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2013 foutieve afschrijvingen te corrigeren door bijboeking van de ten onrechte afgeschreven dagen/uren op de betreffende verlofsaldi door binnen 90 dagen na dagtekening van dit vonnis aan haar werknemers en gewezen werknemers te voldoen hetgeen Van Oord verschuldigd is ter zake van Wachtgeld, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente;

veroordeelt Van Oord om met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2013 tijdens het buitenlandverlof gevolgde cursussen alsnog te compenseren in de vorm van bijboeking van gemist buitenlandverlof, althans in de vorm van bijboeking van het verschil tussen het NL cao loon en het loon op grond van de Buitenlandregeling aan haar werknemers en gewezen werknemers binnen 90 dagen na dagtekening van dit vonnis, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente;

veroordeelt Van Oord tot overlegging van bescheiden aan FNV binnen 90 dagen na dagtekening van dit vonnis waaruit blijkt dat Van Oord jegens haar werknemers en haar gewezen werknemers vanaf 1 april 2013 artikel 38.6 van de cao Waterbouw en artikel 41.2 van de cao Waterbouw naleeft in die zin dat aan hen bijboekingen c.q. betalingen zijn verricht die voortvloeien uit de naleving van de cao vanaf 1 april 2013;

veroordeelt Van Oord in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van FNV vastgesteld op € 216,45 aan verschotten en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

34650