Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1477

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
10/710244-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van diefstal, waarbij het slachtoffer is bedreigd met een wapen.

Voorhanden hebben vuurwapen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/710244-17

Datum uitspraak: 2 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteland verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw, mr. K. Blonk advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest;

  • -

    toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] tot een bedrag van 1.811,54 euro, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering feit 1 primair en feit 2

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdachte heeft ontkend de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat er een koopovereenkomst heeft plaatsgevonden en dat er geen sprake is geweest van een beroving. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij geen wetenschap had van het vuurwapen. De raadsvrouw heeft bepleit de verdachte van het ten laste gelegde vrij te spreken, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is wat de verklaring van de aangever onderbouwd.

4.1.2.

Beoordeling feit 1 primair en feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen ter zitting is vastgesteld, is vast komen te staan dat de verdachte samen met de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] op 10 augustus 2017 van Rotterdam naar de [straatnaam] te Spijkenisse, gemeente Nissewaard zijn gereden in een witte Renault Clio. [naam medeverdachte 1] had daar met de aangever afgesproken om enkele mobiele telefoons te kopen. [naam medeverdachte 2] heeft die dag als chauffeur opgetreden. De verdachte is naar eigen zeggen meegegaan om de telefoons te controleren. Tijdens de eerste ontmoeting met de aangever is [naam medeverdachte 1] in de auto van de aangever gestapt. Na een kort gesprek is de aangever weggereden om vervolgens terug te keren met de overige mobiele telefoons. Tijdens de tweede ontmoeting is [naam medeverdachte 1] in de auto van de aangever geweest. [naam medeverdachte 1] heeft vervolgens de blauwe Nike sporttas van de aangever, waarin de mobiele telefoons zaten, in de kofferbak van de Renault Clio gezet. Daarna is hij aan de bijrijderszijde in de Renault Clio gestapt en de verdachten zijn weggereden. [naam medeverdachte 2] is tijdens beide ontmoetingen in de Renault Clio gebleven.

De aangever heeft kort daarna, om 14:27 uur, met de politie gebeld en gemeld dat er een beroving heeft plaatsgevonden waarbij hij bedreigd is met een wapen. De verbalisanten hebben omstreeks 14.30 uur de auto gesignaleerd. Doordat [naam medeverdachte 2] het stopteken negeerde, vond er een wilde achtervolging plaats. De verdachten zijn klemgereden en enkele minuten later aangehouden.

Een koop of een beroving?

Over hetgeen is voorgevallen tijdens de tweede ontmoeting lopen de verklaringen uiteen.

Alle verdachten hebben zich tegenover de politie op hun zwijgrecht beroepen. Tijdens de behandeling ter zitting hebben de verdachten eensluidend verklaard dat er geen sprake is geweest van een beroving, maar dat [naam medeverdachte 1] de tien mobiele telefoons van de aangever heeft gekocht. [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] hebben verklaard dat zij het stopteken hebben genegeerd, omdat zij wisten dat de politie [naam medeverdachte 1] zocht omdat hij onder elektronisch toezicht van de reclassering stond en hij zijn enkelband had doorgeknipt.

De aangever heeft op diezelfde dag omstreeks 14.27 uur aangifte gedaan bij de politie. Hij verklaarde dat tijdens de tweede ontmoeting eerst [naam medeverdachte 1] in zijn auto is gestapt en dat de verdachte vervolgens de plaats van [naam medeverdachte 1] in de auto heeft ingenomen terwijl [naam medeverdachte 1] naast de auto staan ging staan. Terwijl de verdachte hem bedreigde met het vuurwapen, heeft [naam medeverdachte 1] zijn portier geopend en de blauwe Nike sporttas met de mobiele telefoons van het merk Samsung Galaxy S8+ van zijn schoot gepakt. De verdachte heeft vervolgens de geldscanner van de aangever gepakt. De aangever hoorde de verdachte zeggen: "Als je ons achterna komt of als je de politie belt dan schiet ik!" De aangever heeft vervolgens gezien dat de verdachte plaatsnam op de achterbank van de Renault Clio. [naam medeverdachte 1] nam plaats op de bijrijdersstoel van deze auto. Vervolgens reden de verdachten weg en heeft hij de politie gebeld.

De rechtbank acht de verklaringen van de aangever betrouwbaar, nu daarvoor steun is te vinden in objectieve gegevens zoals de in het dossier beschreven camerabeelden en het gegeven dat diens verklaring is afgelegd zeer kort na het gebeuren. Voorts vinden deze verklaringen steun in de bevindingen van de politie, zoals deze zijn gedaan na de aanhouding waarbij de verdachte door de politie achterin de Renault Clio is aangetroffen en waarbij is vermeld dat de door de aangever vermelde goederen en het vuurwapen in deze auto zijn aangetroffen.

De aangever heeft ook een gedetailleerde omschrijving van het vuurwapen gegeven. Het zou een zwart vuurwapen betreffen, met een veiligheidspal aan de linkerzijde nabij de loop. Het vuurwapen dat in de auto is aangetroffen voldoet aan de door de aangever gegeven beschrijving, te weten een zwarte vuurwapen met een veiligheidspal aan de linkerzijde.

In tegenstelling tot de aangever, kunnen de verdachten geen verklaring geven voor het feit waarom de aangever de politie zou hebben gebeld om aan te geven dat sprake zou zijn van een beroving, terwijl de door eenieder gewenste koop gewoon gesloten zou zijn geweest. Evenmin hebben zij een verklaring kunnen geven voor het aantreffen van het vuurwapen in hun auto. Zij hebben gedurende het gehele politieonderzoek gebruik gemaakt van hun zwijgrecht. Eerst op zitting hebben zij verklaard dat zij dit vuurwapen niet hebben gezien. Dit terwijl het vuurwapen, onder de bestuurdersstoel en in het zicht, in de auto is aangetroffen. Bij de aanhouding zat de verdachte op de achterbank.

De rechtbank heeft in het dossier geen feiten of omstandigheden aangetroffen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de beroving door de aangever zelf in scène zou zijn gezet. Daarnaast acht de rechtbank de verklaringen van de verdachten onbetrouwbaar. Zo zou onverwacht de scanner onderdeel van de koop zijn geworden – aldus de verklaring ter zitting van [naam medeverdachte 1] – omdat deze niet het wisselgeld van 200 euro zou hebben kunnen betalen. De verdachten hebben, in tegenstelling tot de aangever, met deze verklaringen gewacht tot aan de terechtzitting bij de rechtbank en daarmee de kans gehad om de verhalen op elkaar af te stemmen. Hiermee heeft de verdachte op een te laat moment een daardoor niet langer verifieerbare verklaring afgelegd, die de rechtbank dan ook terzijde schuift.

De verdachte heeft bij dit alles in nauw verband en in bewust overleg met [naam medeverdachte 1] samengewerkt. Beiden hebben tijdens beide ontmoetingen op die dag en plaats met de aangever tezamen gesproken. De verdachte heeft de aangever onder schot gehouden, terwijl [naam medeverdachte 1] de tas met de telefoons van de schoot van de aangever griste. Vervolgens heeft de verdachte de aangever onder schot gehouden en de geldscanner gepakt. Dit terwijl [naam medeverdachte 1] terugliep naar hun eigen auto. Voorts heeft hij – de aangever nog steeds onder schot houdend – de aangever gezegd te zullen schieten wanneer de aangever hen zou achterna komen of de politie zou bellen. Vervolgens is de verdachte zelf ook naar de Renault Clio gelopen en is achterin de auto ingestapt.

Conclusie:

Uit het voorgaande vloeit voort dat de verdachte tezamen en in vereniging met de mededader [naam medeverdachte 1] toen en daar een met patronen geladen vuurwapen voorhanden heeft gehad [ feit 2]. Hiermee heeft hij de aangever bedreigd en de aangever van een tas met tien mobiele telefoons en een geldscanner beroofd. De bedreiging met het vuurwapen heeft plaatsgevonden om zo deze beroving gemakkelijk te maken en de vlucht mogelijk te maken [feit 1].

Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 10 augustus 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 10 mobiele telefoons (merk/type Samsung Galaxy S8+) en/of een valsgelddetector (merk/type Safescauni 155), toebehorende aan [naam slachtoffer] , welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen, althans van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of richten van dit vuurwapen, althans dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam slachtoffer] en/of

- toevoegen van de woorden: "Als je wat probeert schiet ik" en/of "Als je ons achterna komt, of als je de politie belt, dan schiet ik", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking;

artikel 310 Wetboek van Strafrecht

artikel 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op 10 augustus 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

tezamen en in vereniging met een ander, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3o van die wet in de vorm van een pistool van het merk IMI, type Jericho 941, kaliber 9x19 PARA en munitie in de zin van art. 1 onder 4o van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten twaalf kogelpatronen, kaliber 9mm LUGER, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken/ bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemer van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, alsmede

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan een diefstal vergezeld van bedreiging met geweld. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, die hij aan het slachtoffer heeft getoond. Door zo te handelen hebben de verdachten het slachtoffer angst aangejaagd en een forse inbreuk gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer en zijn eigendomsrechten. De verdachte en zijn medeverdachte waren slechts uit op persoonlijk financieel gewin. Dergelijke feiten veroorzaken ernstige gevoelens van angst en onrust in de maatschappij. Daarnaast brengt ook het ongecontroleerd wapenbezit een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw ter terechtzitting bij de rechtbank omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren hebben gebracht.

Gezien de ernst van deze feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden is.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 163,23 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.800,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering deels toegewezen dient te worden tot een vergoeding van € 11,54 aan materiële schade en een vergoeding van

€ 1.800,- aan immateriële schade. Voor het overige deel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voorts verzoekt de officier van justitie het bedrag te verhogen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen aan de verdachte.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde feit.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze worden toegewezen tot een bedrag van € 11,54. Het bedrag dat de benadeelde partij vordert ten aanzien van de valsgelddetector en de blauwe Nike sporttas zal worden afgewezen, nu deze goederen door het openbaar ministerie in beslag zijn genomen en zullen worden teruggegeven. Deze kunnen daarom niet als schadeposten aangemerkt worden.

Tevens is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van het overige deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zal vormen. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 10 augustus 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 511,54 (zegge: vijfhonderdelf euro en vierenvijftig cent), bestaande uit € 11,54 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de gevorderde immateriële schade;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af de door de benadeelde partij resterende deel van de gevorderde materiële schade;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 511,54 (hoofdsom, zegge: vijfhonderdelf euro en vierenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 511,54 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.A. Kalk, voorzitter,

en mrs. M. Smit en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Salah-Hashim, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2018.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 augustus 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 10, althans 1 of meer mobiele telefoons (merk/type Samsung Galaxy S8+) en/of een valsgelddetector (merk/type Safescauni 155), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen, althans van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of richten van dit vuurwapen, althans dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam slachtoffer] en/of

- toevoegen van de woorden: "Als je wat probeert schiet ik" en/of "Als je ons achterna komt, of als je de politie belt, dan schiet ik", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking;

artikel 310 Wetboek van Strafrecht

artikel 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 10 augustus 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3o van die wet in de vorm van een pistool van het merk IMI, type Jericho 941, kaliber 9x19 PARA en/of

munitie in de zin van art. 1 onder 4o van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten twaalf kogelpatronen, kaliber 9mm LUGER, voorhanden heeft gehad.

artikel 26 lid 1 Wet wapens en munitie