Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1383

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
10/700471-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 35 maanden, waarvan 10 voorwaardelijk, voor mishandeling, verkrachting / feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Verweren met betrekking tot medeplegen, seksueel binnendringen verworpen. Het dwingen van een ander tot zelfpenetratie of seks met een derde levert geen verkrachting op, maar wel feitelijke aanranding van de eerbaarheid (246 Sr). Vgl HR 11 oktober 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT2972).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700471-16

Datum uitspraak: 23 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

raadsman mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 november 2016, 8 februari 2017, 21 april 2017, 25 september 2017, 13 december 2017, 22, 23, 24 en 25 januari 2018. Het onderzoek is gesloten op 23 februari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mr. M. van den Berg en mr. M. Luijpen (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering;

  • -

    opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

  • -

    oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer G] .

4 Inleiding

Het onderzoek dat geleid heeft tot de dagvaarding van de verdachte staat bekend als Manezee. Uit dat onderzoek zijn meerdere zaaksdossiers voortgekomen.

Aan deze verdachte worden in de dagvaarding twee strafbare feiten verweten, die zijn ontleend aan één van die zaaksdossiers, de zaak Sommelsdijk.

5 Bewijsoverwegingen

Medeplegen

De raadsman heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de verdachte vrijgesproken moet worden van de onder 1 ten laste gelegde verkrachtingen en partieel van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling, omdat er geen sprake is van medeplegen. De verdachte is niet betrokken geweest bij de voorbereiding van de strafbare feiten en bij de uitvoering daarvan speelde hij een aanzienlijk kleinere rol dan de medeverdachten.

Beoordeling

De verdachte heeft de gebeurtenissen waarvan hij wordt verdacht, gefilmd met zijn mobiele telefoon. Uit dit filmpje en uit andere bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de mishandelingen en de (seksuele) vernedering van [slachtoffer G] niet alleen heeft gefilmd, maar dat hij deze ook heeft aangemoedigd.

De verdachte heeft daarbij zelf ook geweld gebruikt. Terwijl [slachtoffer G] op de fles zit, verbrandt de verdachte het haar van [slachtoffer G] met een aansteker, slaat hij hem meerdere keren met een vuist tegen het hoofd en geeft hij hem een schop, waardoor de fles verder in de anus van [slachtoffer G] binnendringt. Ook slaat hij [slachtoffer G] meerdere keren met een plastic colafles op het hoofd. Direct nadat één van de medeverdachten [slachtoffer G] zegt dat het klaar is, moet [slachtoffer G] op zijn knieën gaan zitten, waarna [medeverdachte B] een honkbalknuppel in de anus van [slachtoffer G] duwt. Terwijl de knuppel door [medeverdachte B] meerdere keren heen en weer wordt bewogen, staat de verdachte erbij en hij lacht. [slachtoffer G] wordt vervolgens gedwongen om aan het uiteinde van de honkbalknuppel te likken, waarbij de verdachte zegt: “Lekker hè [slachtoffer G] ”. Diezelfde dag, op 22 juli 2016, verstuurt de verdachte het filmpje via Whatsapp naar een ander, met daarbij de tekst “Dit doen we met pedo’s”.

Hieruit blijkt dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten. Die samenwerking was gericht op de vernedering, mishandeling en verkrachting van [slachtoffer G] . Dat [slachtoffer G] door de medeverdachten al werd mishandeld en vernederd voordat de verdachte de woning binnenkwam, staat er niet aan in de weg dat de verdachte als medepleger wordt aangemerkt. De verdachte leverde een belangrijke bijdrage aan de strafbare feiten. De aanmoedigingen, de bevelen, het slaan, schoppen en verbranden van het haar van [slachtoffer G] hebben bijgedragen aan het geweld en aan de dreigende situatie in de woning. De actieve rol die de verdachte speelt als [slachtoffer G] op de fles zit, kan ook niet los worden gezien van de verkrachting met de honkbalknuppel die daar direct op volgt. Het handelen van de verdachte heeft immers wezenlijk bijgedragen aan het ontstaan van de situatie waarin [slachtoffer G] is verkracht. Tijdens de verkrachting trekt de verdachte zich ook niet terug. Integendeel, hij blijft filmen en hij blijft [slachtoffer G] aanmoedigen en hij verstuurt uiteindelijk het opgenomen filmpje via Whatsapp.

Feit 1 (verkrachting)

De verdediging heeft betwist dat het anaal inbrengen van een fles en een honkbalknuppel, kan worden aangemerkt als ‘seksueel binnendringen’ als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het was de bedoeling van de verdachte om het slachtoffer pijn te doen; er was geen seksueel motief. Uit de verklaring van [slachtoffer G] blijkt dat ook hij ervan uitging dat het inbrengen van de fles en de honkbalknuppel tot doel had hem pijn te doen en te vernederen, zonder seksuele bijbedoeling.

Beoordeling

Er is voldoende wettig en overtuigend bewijs dat [slachtoffer G] meermalen is gedwongen om op een grote fles te gaan zitten en de opening van die fles in zijn anus te brengen. Bovendien is hij meermalen anaal gepenetreerd met een honkbalknuppel.

Er zijn in het dossier meer dan voldoende aanwijzingen dat zowel het slachtoffer als de verdachten ervan uitgingen dat het inbrengen van de fles een (deels) seksuele lading had.
Het slachtoffer verklaart dat hij met zijn anus op een fles moest gaan zitten; de fles moest naar binnen. “Eerst zonder glijmiddel en dat lukte niet. Toen vroeg ik of ik glijmiddel mocht gebruiken. Toen ging die fles wel naar binnen”. Het gebruik van glijmiddel wijst al in de richting van seksuele activiteiten. Dat het slachtoffer uitging van een seksueel motief blijkt overduidelijk uit wat hij daarna verklaart: “Toen moest ik netjes op en neer gaan. Net als met seks.”

De uitlatingen van de verdachte, die zijn te horen in het filmpje dat hij heeft gemaakt, maken duidelijk dat ook de verdachte en de andere aanwezige verdachten de seksuele lading voor ogen hadden. De verdachte zegt: “Kom op [slachtoffer G] ! 1,2,3,4. Lekker fles in je poeperd! 1,2,3,4. 1,2,3,4.”, "Trek ook effe aan je pik dan gelijk." en “Zo, dat zal wel lekker zijn he?” Een andere stem, die van [medeverdachte E] of [medeverdachte B] moet zijn, zegt: "Lekker he [slachtoffer G] ?" en “Laat effe horen dat je het lekker vindt, het is toch lekker?"

Het gebruik van glijmiddel en het “pompen” wijzen op een seksuele bedoeling. Anders gezegd: dat met de honkbalknuppel heen en weer gaande bewegingen werden gemaakt, roept het beeld op van een seksuele handeling. Bovendien blijkt uit het filmpje van de verdachte dat in ieder geval de keer waarbij de verdachte aanwezig was, het inbrengen van de honkbalknuppel gebeurde direct na het laten inbrengen van de fles. Het seksuele motief, dat gelet op het bovenstaande overduidelijk aanwezig was bij het laten inbrengen van de fles, strekt zich daarom ook uit over de penetratie met de honkbalknuppel.

Gelet op het bovenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat zowel het (laten) inbrengen van de fles als de penetratie met de honkbalknuppel in ieder geval voor een deel was ingegeven door seksuele motieven. Het ging hierbij dus om seksueel binnendringen. Dat het ook de bedoeling was om het slachtoffer te vernederen en pijn te doen, doet daar niets aan af.

6 Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. zaak Sommelsdijk)

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 22 juli 2016

tot en met 03 augustus 2016

te Sommelsdijk, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met

geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten

[slachtoffer G] , heeft gedwongen tot het ondergaan en/of het uitvoeren van

handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen

van het lichaam,

namelijk het brengen/duwen/houden van een fles en/of een (honkbal)knuppel in

de anus van die [slachtoffer G] en/of het vervolgens dwingen van die [slachtoffer G] om aan die

knuppel te likken;

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het

- dwingen van die [slachtoffer G] om met ontbloot onderlichaam te gaan zitten op een

fles en/of

- (vervolgens) (in de zij) schoppen/trappen van die [slachtoffer G] , (mede) tengevolge

waarvan die fles (verder) in zijn anus is binnen gedrongen en/of

- ( met kracht) slaan en/of duwen en/of heen en weer bewegen van die

(honkbal)knuppel in de anus van die [slachtoffer G] waarna die [slachtoffer G]

gedwongen werd aan deze knuppel te likken

- tegen die [slachtoffer G] zeggen: ‘kom op [slachtoffer G] ! Lekker fles in je poeperd’ en/of ‘Kom

op. Kom. Verder dan. Kom op lamlul’ en/of ‘kom op door’ en/of ‘nou, verder

[slachtoffer G] ! Goed zo’ en/of ‘Effe verder met je flessie’ en/of

- in brand steken van het haar van die [slachtoffer G] (terwijl die op de fles zit) en /of

- met de vuist in het gezicht slaan van die [slachtoffer G] (terwijl die op de fles zit);

2. ( zaak Sommelsdijk)

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 22 juli

2016 tot en met 06 augustus 2016

te Sommelsdijk, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer G] meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) heeft mishandeld door:

- met een (cola)fles op/tegen zijn hoofd te slaan, en/of

- (met geschoeide voet), in zijn zij, althans tegen/op zijn (onder)lichaam te

schoppen en/of te trappen en/of (met de vuist) in het gezicht te slaan (terwijl die [slachtoffer G] op een fles zat) en/of

- (met geschoeide voet), in zijn zij en/of tegen zijn onderlichaam te schoppen

(terwijl die [slachtoffer G] op handen en knieën op de grond zit) en/of

- met een brandende aansteker zijn (hoofd)haar in brand te steken

- bij die [slachtoffer G] een honkbalknuppel in zijn anus te duwen waarna die [slachtoffer G]

gedwongen werd aan deze knuppel te likken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

7 Strafbaarheid feiten

Onder feit 1 wordt bewezen verklaard dat de verdachte samen met anderen [slachtoffer G] heeft gedwongen tot het uitvoeren van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen / duwen / houden van een fles in de anus van het slachtoffer. De vraag - die ook door de verdediging is opgeworpen - is, of dit wel de ten laste gelegde ‘verkrachting’ oplevert.

Artikel 242 Sr stelt strafbaar het dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. In het onderhavige geval hebben de verdachten niet de fles in de anus van het slachtoffer gebracht, maar hebben zij het slachtoffer gedwongen om dat zelf te doen.

Het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT2972; NJ 2006, 614) heeft betrekking op een vergelijkbare situatie. De verdachte in die zaak had zijn slachtoffers gedwongen om respectievelijk een pollepel en het heft van een mes in hun eigen anus te brengen. De Hoge Raad zet in dit arrest uiteen dat bij de Wet van 9 oktober 1991, Stb. 1991, 519, het bereik van artikel 242 Sr is verruimd ten opzichte van de voordien geldende tekst. De Hoge Raad overweegt vervolgens:

“Blijkens de wetsgeschiedenis is met de wijziging van art. 242 Sr beoogd ook verkrachting van mannen onder het bereik van die bepaling te brengen, terwijl zij voorts ten doel had ook andere wijzen van seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer als verkrachting strafbaar te stellen.

Niet blijkt dat de wetgever de reikwijdte van die bepaling ook in die zin heeft willen verruimen dat daaronder — anders dan onder art. 242 (oud) Sr — ook seksuele handelingen zouden vallen die zijn gepleegd door een ander dan degene die de dwang heeft uitgeoefend.

Uit de wetsgeschiedenis, die onder meer inhoudt dat het onderscheid tussen verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid uitdrukkelijk is gehandhaafd, moet worden afgeleid dat de wetgever in zoverre de bestaande systematiek van titel XIV van Boek II van het Wetboek van Strafrecht niet heeft willen verlaten. Dat betekent dat ook na bedoelde wetswijziging het dwingen van een ander tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, ook als zij mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, feitelijke aanranding van de eerbaarheid oplevert, strafbaar gesteld bij art. 246 Sr. Daarvan is ook sprake als het slachtoffer wordt gedwongen aan zichzelf dergelijke handelingen te verrichten.”

De Hoge Raad komt vervolgens tot de conclusie dat de bewezen gedragingen niet konden worden gekwalificeerd als ‘verkrachting’.


Gelet op dit arrest van de Hoge Raad komt de rechtbank tot het oordeel dat ook in de onderhavige zaak het dwingen van het slachtoffer tot ‘zelfpenetratie’ met een fles niet de ten laste gelegde verkrachting oplevert.

Kwalificatie als feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr)

De rechtbank ziet zich – in het licht van het bovengenoemde arrest van de Hoge Raad - voor de vraag gesteld of de gedwongen seksuele handelingen met een fles, bedoeld in feit 1, kunnen worden gekwalificeerd als feitelijke aanranding van de eerbaarheid, strafbaar gesteld in artikel 246 Sr.
Deze bepaling luidt als volgt:

“Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Noch de tekst, noch de strekking van artikel 246 Sr staat er aan in de weg dat de gedwongen seksuele handelingen met een fles, bedoeld in feit 1, worden gekwalificeerd als feitelijke aanranding van de eerbaarheid. De rechtbank verwijst hierbij naar het eerder aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2005.

De bewezenverklaring bevat de bestanddelen die nodig zijn voor kwalificatie als feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Het begrip “ontuchtige handelingen” uit artikel 246 Sr omvat ook seksueel binnendringen.

Het beschermde belang van de artikelen 242 Sr en 246 Sr komt ook overeen: bescherming van de seksuele integriteit. In zoverre maakt het weinig verschil of iemand (al dan niet met een voorwerp) seksueel wordt gepenetreerd (art. 242 Sr), dan wel wordt gedwongen om zichzelf te penetreren (art. 246 Sr).

Het verschil in strafbedreiging tussen art. 242 Sr en art. 246 Sr kan tot uitdrukking worden gebracht in de strafmaat.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande feit 1 deels kwalificeren als feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de overige feiten uitsluiten.

Deze feiten zijn dus strafbaar en leveren op:

1

Medeplegen van verkrachting en medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

2.

Medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd.

8 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

9 Motivering straf

Ernst van de feiten

Er is één woord dat het handelen van de verdachte en zijn mededaders passend omschrijft: marteling.

[slachtoffer G] is binnen een periode van drie weken van zijn vrijheid beroofd en stelselmatig bedreigd, bont en blauw geschopt en (met en zonder honkbalknuppel) geslagen. Tevens is hij meermalen verkracht met een honkbalknuppel, meermalen gedwongen om zichzelf anaal te penetreren met een grote fles, gedwongen tot seks met een man, gedwongen om poep te eten, beschoten met airsoftwapens, meermalen met zijn hoofd in een gootsteenbak vol water gehouden, blootgesteld aan verwurgingen en waterboarding en afgeperst.

De verdachte had bij dit alles een kleinere, maar belangrijke rol. Hij is één keer in de woning van het slachtoffer aanwezig geweest. Toen heeft hij niet alleen de mishandelingen en (seksuele) vernederingen van [slachtoffer G] gefilmd. Hij moedigde ook aan, hij sloeg en gaf het slachtoffer een schop en hij verbrandde het haar van het slachtoffer.

Het slachtoffer is kwetsbaar. Hij heeft psychische problemen en / of is verstandelijk minder begaafd. Die kwetsbaarheid heeft de verdachten kennelijk niet weerhouden van hun gruweldaden.

De gevolgen voor het slachtoffer zijn enorm, zo blijkt uit het dossier, uit de slachtofferverklaring en uit de toelichting bij de vordering die het slachtoffer als benadeelde partij heeft ingediend. Hij heeft – naast lichamelijk letsel en materiële schade – een groot trauma opgelopen. Daarvoor zal hij naar het zich laat aanzien nog lang behandeld moeten worden, met de onzekerheid of volledig herstel mogelijk is.

Motief

Over het motief voor dit buitensporige geweld is ter zitting en op grond van het dossier een beeld ontstaan dat vooral vragen oproept. Wat heeft de verdachten gebracht tot gedragingen waarvan één van de betrokkenen zegt: “Zo ga je niet eens met een dier om dus laat staan met mensen”?
Bij het slachtoffer speelde volgens de verdachten mee dat hij “pedo” zou zijn, die ontucht zou hebben gepleegd. Het slachtoffer werd met geweld gedwongen tot een ‘bekentenis’. Of er verder bewijs voor was, deed kennelijk niet ter zake. [slachtoffer G] is ooit door de rechtbank vrijgesproken van ontucht. Wat hier verder ook van zij: het is natuurlijk volstrekt onaanvaardbaar dat de verdachten voor eigen rechter gingen spelen.

Een rode draad in het hele dossier is het genoegen dat de verdachten ontleenden aan de mishandelingen, verkrachtingen en vernederingen. Meerdere slachtoffers en medeverdachten spreken in dit verband van sadisme. Dat is inderdaad een woord dat de lading dekt. Het ging kennelijk vooral om het uitoefenen van macht. Ook het filmpje dat de verdachte maakte van de mishandelingen, vernederingen en verkrachting van het slachtoffer, past in dit patroon. De verdachte deelt het filmpje van [slachtoffer G] via WhatsApp met een ander, met de begeleidende tekst “Dit doen we met pedo’s”.

Verder valt op dat bijna alle verdachten in deze zaak stellen dat zij zich door de anderen hebben laten meeslepen of zelfs dat hun angst voor de medeverdachten of anderen hen heeft gebracht tot deelname aan de gruwelijkheden. In het dossier is geen enkele aanwijzing te vinden dat de verdachte onder dwang heeft gehandeld. Het plezier dat de verdachte en de medeverdachten volgens het slachtoffer en ook blijkens het filmpje in de mishandelingen hadden, wijst in een heel andere richting. Het lijkt er op, dat de verdachten elkaar hebben opgehitst in een dynamiek die trekken heeft van een groepspsychose.

Persoonlijke omstandigheden

De verdachte is onderzocht door een psycholoog en een psychiater. Zij komen tot de conclusie dat hij lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van lichte zwakzinnigheid. Verder is hij afhankelijk van cannabis en heeft hij een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anders omschreven) met onrijpe, antisociale, theatrale en borderline trekken.

Deze problemen speelden ook een rol bij de bewezen feiten. De psycholoog schrijft daarover dat de gebrekkige ontwikkeling van de intellectuele vermogens tezamen met de persoonlijkheidsstoornis een structureel verstoorde oordeels- en kritiekfunctie oplevert. Daarnaast is verdachte meer dan een ander gevoelig voor omgevingsinvloeden en is hij in een verhoogde mate beïnvloedbaar en impulsief. De gewetensfuncties zijn door de antisociale persoonlijkheidsstoornistrekken lacunair ontwikkeld en dat geldt ook voor de tekortschietende empathische en zelfkritische vermogens.

Anders gezegd: door zijn zwakbegaafdheid en zijn psychische stoornis laat de verdachte zich gemakkelijk meeslepen en kan hij niet goed bedenken of wat hij doet goed of fout is.

De deskundigen adviseren om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en zal de feiten in verminderde mate toerekenen aan de verdachte.


Bij een strikte vorm van controle en toezicht in een juridisch kader is de kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten volgens de deskundigen aanvaardbaar klein. De verdachte lijkt het meest gebaat te zijn bij een contact met de (verslavings)reclassering en begeleiding door bijvoorbeeld Stichting Humanitas.

De reclassering ziet het risico op recidive als matig. Er bestaat een risico dat de verdachte wordt beïnvloed door een negatief netwerk, gebrek aan dagbesteding, druggebruik, impulsiviteit en gebrek aan inzicht in het eigen gedrag. De reclassering adviseert ambulante begeleiding.

Uit het voortgangsverslag van de reclassering van 15 januari 2018 blijkt dat de verdachte zich sinds het begin van het schorsingstoezicht op 25 april 2017 nauwgezet houdt aan de voorwaarden. Hij lijkt baat te hebben bij de sturing en controle die hij ondergaat. De indruk bestaat dat het vinden van een passende dagbesteding niet haalbaar is, onder meer vanwege zijn forse lichamelijke beperkingen en zijn verstandelijke beperking.

Strafmaat

De bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen zonder meer een gevangenisstraf voor langere duur, ook wanneer rekening wordt gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de kwetsbare psychische situatie van de verdachte. Zeker nu de verdachte baat lijkt te hebben bij de begeleiding door de reclassering en behandeling door Stichting Humanitas, is een voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats. Aan dit voorwaardelijk deel kunnen dan bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ook als waarschuwing aan de verdachte dat hij in de toekomst geen strafbare feiten moet plegen.

Eerder is overwogen dat de handelingen met de fles waarvan [slachtoffer G] het slachtoffer werd, wel kunnen worden bewezen, maar dat zij niet de verkrachting opleveren die ten laste is gelegd. In zoverre kan feit 1 wel worden gekwalificeerd als feitelijke aanranding van de eerbaarheid, een feit met een lagere strafbedreiging. Het gevolg daarvan is, dat een iets lagere straf wordt opgelegd dan is geëist.

Conclusie

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 35 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

10 Voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft gevorderd dat bij de uitspraak de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt opgeheven.

De rechtbank zal die vordering afwijzen. De verdachte is nu bijna een jaar op vrije voeten. Niet is gebleken dat de verdachte tijdens de schorsingsperiode betrokken is geweest bij strafbare feiten. Daarnaast heeft hij volgens de reclassering de schorsingsvoorwaarden nageleefd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de afweging tussen de persoonlijke en de strafvorderlijke belangen moet uitvallen in het voordeel van de verdachte.

Dit betekent dat de schorsing van de voorlopige hechtenis niet wordt opgeheven.

11 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer G] , ter zake van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding aan materiële schade en een vergoeding aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering tot vergoeding van de materiële schade en tot toewijzing van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 4.000,-.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft primair bepleit de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Subsidiair heeft de raadsman bepleit het toe te wijzen bedrag hooguit te bepalen op
€ 1.050,-.

Beoordeling

[()] De benadeelde partij zal in de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, rechtstreeks verband houdt met de [()] bewezen verklaarde feiten. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 4.000, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 22 juli 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 4.000,-.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt telkens de schadevergoedingsmaatregel, bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, opgelegd.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 242, 246 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

13 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

14 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 (dertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaren, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de verdachte zal zich melden bij Reclassering Nederland, regio Zuid West, Marconistraat 2, 3029 AK Rotterdam, zolang en frequent als deze instelling dit nodig vindt, en zich houden aan de door of namens die instelling te geven voorschriften en aanwijzingen;

- de verdachte zal zich onder ambulante behandeling stellen van Homerun, onderdeel van

Stichting Humanitas te Rotterdam, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter

beoordeling van de reclassering, zolang als de reclassering in overleg met de instelling/behandelaar nodig vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

feiten 1 en 2

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer G] te betalen een bedrag van € 4.000 (zegge: vierduizend euro), als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer G] te betalen € 4.000 (zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 4.000 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mrs. I.W.M. Laurijssens en J. Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1. zaak Sommelsdijk)

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 juli 2016

tot en met 03 augustus 2016

te Sommelsdijk, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met

geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten

[slachtoffer G] , heeft gedwongen tot het ondergaan en/of het uitvoeren van

handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen

van het lichaam,

namelijk het brengen/duwen/houden van een fles en/of een (honkbal)knuppel in

de anus van die [slachtoffer G] en/of het vervolgens dwingen van die [slachtoffer G] om aan die

knuppel te likken;

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het

- dwingen van die [slachtoffer G] om met ontbloot onderlichaam te gaan zitten op een

fles en/of

- ( vervolgens) (in de zij) schoppen/trappen van die [slachtoffer G] , (mede) tengevolge

waarvan die fles (verder) in zijn anus is binnen gedrongen en/of

- ( met kracht) slaan en/of duwen en/of heen en weer bewegen van die

(honkbal)knuppel in de anus van die [slachtoffer G] waarna die [slachtoffer G]

gedwongen werd aan deze knuppel te likken

- tegen die [slachtoffer G] zeggen: ‘kom op [slachtoffer G] ! Lekker fles in je poeperd’ en/of ‘Kom

op. Kom. Verder dan. Kom op lamlul’ en/of ‘kom op door’ en/of ‘nou, verder

[slachtoffer G] ! Goed zo’ en/of ‘Effe verder met je flessie’ en/of

- in brand steken van het haar van die [slachtoffer G] (terwijl die op de fles zit) en/of

- met de vuist in het gezicht slaan van die [slachtoffer G] (terwijl die op de fles zit);

2. ( zaak Sommelsdijk)

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 juli

2016 tot en met 06 augustus 2016

te Sommelsdijk, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer G] meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) heeft mishandeld door:

- met een (cola)fles op/tegen zijn hoofd te slaan, en/of

- ( met geschoeide voet), in zijn zij, althans tegen/op zijn (onder)lichaam te

schoppen en/of te trappen en/of (met de vuist) in het gezicht te slaan (terwijl die [slachtoffer G] op een fles zat) en/of

- ( met geschoeide voet), in zijn zij en/of tegen zijn onderlichaam te schoppen

(terwijl die [slachtoffer G] op handen en knieën op de grond zit) en/of

- met een brandende aansteker zijn (hoofd)haar in brand te steken

- bij die [slachtoffer G] een honkbalknuppel in zijn anus te duwen waarna die [slachtoffer G]

gedwongen werd aan deze knuppel te likken.