Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1298

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
ROT-18_00571
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:2185, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geen procesbelang bij eerdere opvangbeslissingen op grond van de Wmo 2015. Ten aanzien van de meest recente beslissing tot weigering van opvang geldt dat eiseres, die inmiddels een bijstandsuitkering ontvangt, wordt geacht zelfredzaam te zijn. Ze kan zich in verschillende gemeenten inschrijven voor het vinden van woonruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4

zaaknummers: ROT 18/571 en ROT 17/960 (hoofdzaak)

ROT 18/572 en ROT 18/101 (hoofdzaak)

ROT 18/573 en ROT 18/291 (hoofdzaak)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 februari 2018 op de verzoeken om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaken tussen

1. [Naam], te [Plaats] , verzoeker, tevens eiser, en
2. [Naam], te [Plaats] , verzoekster, tevens wettelijk vertegenwoordiger en moeder van eiser, tevens eiseres, samen: verzoekers, tevens eisers (hierna: eisers),
gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigden: mr. T.J.A. Franssen en mr. J. Hoeijenbos.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers van 13 september 2016 om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.

Bij besluit van 29 december 2016 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 23 november 2017 (bestreden besluit 2) heeft verweerder bestreden besluit 1 gewijzigd in die zin dat het bezwaar van eiseres op twee inhoudelijke gronden niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Bij e-mailbericht van 6 november 2017 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat hij geen besluit op grond van de Wmo 2015 neemt omdat eisers volgens hem in de opvang in Vlaardingen verblijven.

Bij besluit van 24 november 2017 (bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat dit is gericht tegen bemiddeling door verweerder wat heeft geresulteerd in opvang in de gemeente Vlaardingen bij de Stichting Elckerlyc. Dit betreft feitelijk handelen volgens verweerder.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 27 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 21 september 2017 om een passende maatwerkvoorziening in de zin van (kindvriendelijke) opvang op grond van de Wmo 2015 afgewezen.

Bij besluit van 6 december 2017 (bestreden besluit 4) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 9 februari 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter doet onmiddellijk uitspraak op de beroepen.

3.1.

Eiseres, geboren op 26 juli 1994 te Paramaribo, staat sinds 7 augustus 2015 ingeschreven in de Basisregistratie persoonsgegevens (brp) op het adres Bovenkruier 90 te Nieuw-Lekkerland (gemeente Molenwaard). Zij verblijft in een opvanggezin “Huize draagt elkanders lasten” (het opvanggezin). De zoon van eiseres, [Naam] , geboren op 10 februari 2016, staat sinds 18 april 2017 ingeschreven op dit adres. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres is op 22 maart 2018 uitgerekend van haar tweede kind. Met een tweede kind kan eiseres niet langer in het opvanggezin verblijven.

3.2.

Sinds 26 juli 2017 beschikt eiseres over een verblijfsvergunning als “familielid onderdaan EU/EER”. Eiseres heeft de Surinaamse nationaliteit.

3.3.

Op 29 augustus 2017 is met ingang van 17 juli 2017 door de gemeente Molenwaard aan eiseres een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

3.4.

Op 21 september 2017 hebben eisers verweerder verzocht om een passende maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.

3.5.

Aan bestreden besluit 4 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres volgens verweerder in staat moet worden geacht op eigen kracht en met gebruikelijke hulp huisvesting te vinden. Sinds 17 juli 2017 beschikt zij over een verblijfsvergunning. Zij ontvangt een bijstandsuitkering. Van persoonlijke omstandigheden die belemmerend zouden kunnen werken bij het vinden van nieuwe woonruimte is verweerder niet gebleken.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet zelfredzaam is omdat zij nog steeds niet over huisvesting beschikt. Tot aan de uitspraak op deze verzoeken om voorlopige voorziening en de beroepen mag zij in het opvanggezin verblijven. Daarna niet meer, waardoor zij dakloos zal worden.

5.1.

Op grond van artikel 1.2.2, voor zover van belang, in samenhang met artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 komt een vreemdeling die in Nederland woont en daar rechtmatig verblijf houdt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.

5.2.

Op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt onder opvang verstaan: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

6.1.

De juistheid van bestreden besluiten 1 tot en met 3 behoeft geen bespreking omdat de feitelijke situatie, op basis waarvan moet worden beoordeeld of er ten tijde van de verzoeken om voorlopige voorziening grond bestaat voor toewijzing daarvan, nadien in belangrijke mate is gewijzigd. Op 21 september 2017 hebben eisers een nieuw verzoek om (kindvriendelijke) opvang op grond van de Wmo 2015 gedaan en, nadat bestreden besluit 4 was genomen, een nieuw verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Eisers hebben daarom geen belang meer bij beoordeling van hun verzoek om voorlopige voorziening en de beroepen voor zover gericht tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3. Eisers hebben niet gesteld dat zij als gevolg van verweerders besluitvorming schade hebben geleden, zodat hun beroepen tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3 niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Voor het treffen van voorlopige voorzieningen bestaat ook geen aanleiding.

6.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres haar stelling, dat zij niet op eigen kracht in staat zou zijn zich te handhaven in de samenleving, onvoldoende met bewijsstukken heeft onderbouwd. Sinds 26 juli 2017 beschikt zij over een verblijfsvergunning en sinds 17 juli 2017 over een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Ter zitting heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de wachttijd voor het vinden van een woning in de gemeente Molenwaard, van welke gemeente eiseres bijstand ontvangt, zeven maanden bedraagt. Eiseres heeft zich echter alleen ingeschreven voor een woning bij Woonkeus van Drechtsteden waarbij de wachttijd een paar jaar bedraagt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het op de weg van eiseres gelegen en ligt het daar nog steeds om haar mogelijkheden te verruimen om een woning te vinden en zich bijvoorbeeld bij de gemeente Molenwaard en de gemeente Gorinchem in te schrijven voor het vinden van een woning. Dat eiseres daartoe geestelijk of lichamelijk niet in staat zou zijn, is niet gebleken. Er zijn geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij daartoe niet in staat zou zijn.

7. Het voorgaande betekent dat bestreden besluit 4 in rechte stand kan houden en het beroep ongegrond moet worden verklaard.

8. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3 niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst de verzoeken om voorlopige voorziening gericht tegen deze besluiten af;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit 4 ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening tegen bestreden besluit 4 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op de voorlopige voorzieningen, staat geen rechtsmiddel open.

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op de beroepen, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.