Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1265

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
6249411
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhuurder gaat over tot executie van verstekvonnis waarin ontruiming is toegewezen, nadat groot deel van huurachterstand en kosten betaald was. Misbruik van bevoegdheid. Verhuurder heeft daardoor onrechtmatig gehandeld en is aansprakelijk voor de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2018/108
NJF 2018/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6249411 CV EXPL 17-29537

uitspraak: 19 januari 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser]

woonplaats: [plaatsnaam]

eiser bij exploot van dagvaarding van 12 juli 2017

(thans) procederend zonder rechtsbijstand;

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Van Deursen Vastgoed B.V.

gevestigd te Rosmalen,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “Van Deursen”.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 12 juli 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties (1 t/m 14);

  • -

    het tussenvonnis van 26 september 2017;

  • -

    de door Van Deursen op voorhand toegezonden algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte;

  • -

    het proces-verbaal van de op 6 november 2017 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de door Van Deursen nagezonden beslagstukken.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Met ingang van 16 januari 2014 heeft [eiser] van Van Deursen de woonruimte met parkeerplaats aan de [straat-en plaatsnaam] (hierna te noemen: ‘de woning’) gehuurd tegen een huurprijs die laatstelijk € 823,15 per maand bedroeg.

2.2

Op 25 juli 2016 werd [eiser] gesommeerd door de gemachtigde van Van Deursen tot betaling van een huurachterstand.

2.3

Bij e-mail van 7 september 2017 gaf [eiser] aan dat hij de week daarop ‘de zaak rond zou maken’. Omdat betaling uitbleef heeft Van Deursen [eiser] doen dagvaarden op 5 oktober 2016. De dagvaarding werd niet in persoon betekend maar in een gesloten envelop achtergelaten in de woning.

2.4

Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft de gemachtigde van Van Deursen aan [eiser] laten weten dat hij door betaling van in totaal € 4.388,66 uiterlijk op woensdag 12 oktober 2016 de behandeling van de vordering nog kon voorkomen.

2.5

Bij e-mail van 16 oktober 2016 reageert [eiser] met de volgende mededeling: “Beste meneer [G.] ben mijn motorfiets aant verkopen heb al een goed bod gehad deze week is hij weg dan betaal ik de voledige achterstand het is een motorfiets die 8000 waard is maar verkoop hem voor minder kan niet anders maar deze week is hij weg kom het desnoots chas betalen aan je kantoor groetjes [eiser].”

2.6

Bij e-mail van 18 oktober 2016 meldt [eiser] aan de gemachtigde van Van Deursen: “beste meneer [G.] ik ga vandaag mijnotorfiets verkopen gaat door denk ik kan ik het bedrag contant komen betalen op je kantoor groetjes [eiser]”

2.7

Bij e-mail van 25 oktober 2016 te 12:13 uur meldt [eiser] aan de gemachtigde van Van Deursen: “beste meneer [G.] ik heb de motorfiets verkocht en heb 4200 euro ik heb de huur van nomvember naar van deursen verstuurd en kan morgen 4200 euro brengen aan kantoor dan heb ik het grootste deel betaald de rest kan ok aankomende maand betalen dan ben ik weer bij als je het goed vind ik zorg ik dat dat goed komt wil niet opstraat staan groetjes [eiser]”

2.8

Bij e-mail van 25 oktober 2016 te 12:15 uur meldt [eiser] aan de gemachtigde van Van Deursen:“Dan heb ik in iedergevaal alle huurschuld voldaan en de koste aan uw betaal ik volgende maand”.

2.9

Op 27 oktober 2016 heeft [eiser] op het kantoor van de gemachtigde van Van Deursen een bedrag van € 4.150,-- voldaan.

2.10

Op 28 oktober 2016 is tussen partijen door de kantonrechter te Rotterdam een bij verstek gewezen vonnis uitgesproken. In dit vonnis werd de huurovereenkomst ontbonden en werd [eiser] veroordeeld tot betaling van een huurachterstand berekend tot en met de maand september 2016 van € 3.050,40 vermeerderd met rente en kosten, tot een totaal van € 3.318,38. Voorts werd [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de woning en tot betaling van € 823,15 per maand met ingang van de maand oktober 2016 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt. Dit vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen dit vonnis is [eiser] niet in verzet gekomen.

2.11

Op 31 oktober 2016 stuurt de gemachtigde van Van Deursen aan [eiser] de volgende e-mail:

Geachte heer [eiser],

Ik ontving vandaag het vonnis van de rechtbank Rotterdam sector kanton.

U bent veroordeeld tot betaling van:

Hoofdsom € 3.318,38

Rente t/m heden € 6,60

Huur oktober 2016 € 832,15

Proceskosten € 743,13

€ 4.891,26

Af: uw betaling € 4.150,00 ./.

Resteert te voldoen € 741,26

Naast dit bedrag dient u uiteraard de huur november ad € 823,15 te voldoen.

Ik verneem graag zo spoedig mogelijk wanneer u het restantbedrag aan mij zult gaan overmaken.

Hoogachtend

Dhr [G.]

-incassomedewerker-

2.12

Op 27 oktober 2016, op 27 november 2016, op 27 december 2016 en op 27 januari 2017 betaalde [eiser] aan Van Deursen telkens de som van € 823,15 met als betalingskenmerk: “Huur november [adres] ”.

2.13

Op 16 november 2016 verzoekt de gemachtigde van Van Deursen aan [eiser] (die de ontvangst van dit bericht ontkent) aan te geven wanneer hij het nog resterende bedrag gaat voldoen.

2.14

Op 18 november 2016 verzendt de gemachtigde van Van Deursen aan [eiser] (die de ontvangst van dit bericht ontkent): “Mag ik nog een reactie van u ontvangen?”

2.15

Bij e-mail van 29 november 2016 bericht de gemachtigde van Van Deursen [eiser] als volgt:

“Geachte heer,

In bovengenoemde zaak is de maand november bijna voorbij. U zou deze maand het restant bedrag ad € 741,26 aan mij voldoen. Ik heb helaas niets mogen ontvangen.

Ik heb u tussentijds (16 en 18 november jl.) e-mails gestuurd. Ook daarop hebt u niet gereageerd. Tenslotte heb ik zojuist nog getracht u telefonisch te bereiken op [mobiel telefoonnummer]. Er werd niet opgenomen, terwijl men op uw werk aangaf dat u via dit nummer te bereiken was.

Indien deze week de betaling niet plaatsvindt zal ik alsnog genoodzaakt zijn het vonnis ter betekening en executie aan de deurwaarder toe te zenden. Ik wijs u erop dat zulks weer extra kosten met zich meebrengt. Ik heb u hier overigens ook al op gewezen tijdens uw bezoek aan mijn kantoor vorige maand.

Ik adviseer u dan ook het zover niet te laten komen en er voor te zorgen dat uiterlijk 1 december a.s . het bedrag ad € 741,26 in mijn bezit is. Na het verstrijken van de termijn acht ik mij vrij tot de aangekondigde maatregelen over te gaan.

Hoogachtend

Dhr [G.]

-incassomedewerker- ”

2.16

Op 5 december 2016 verzendt de gemachtigde van Van Deursen aan [eiser] de volgende e-mail:

“Geachte heer,

Ik heb geen betaling meer ontvangen.

Ik zend vandaag het vonnis naar de deurwaarder en zal hem verzoeken tevens een datum voor ontruiming te plannen.

Het spijt mij u niet anders te kunnen berichten.

Hoogachtend,

Dhr [G.]

-incassomedewerker-

2.17

Op 13 december 2016 wordt aan [eiser] bij deurwaardersexploot de grosse van het verstekvonnis betekend en bevel gedaan binnen 14 dagen de woning te ontruimen en binnen twee dagen in totaal € 920,71 te betalen, met aanzegging dat bij niet tijdige betaling tot tenuitvoerlegging van het vonnis zal worden overgegaan. Dit exploot is niet in persoon betekend maar in een gesloten envelop achtergelaten in de woning.

2.18

Op 27 december 2016 wordt aan [eiser] bij deurwaardersexploot de ontruiming aangezegd van de woning op dinsdag 24 januari 2017 om 11.30 uur. Dit exploot is niet in persoon betekend maar in een gesloten envelop achtergelaten in de woning.

2.19

Van Deursen laat bij exploot van 6 januari 2017 executoriaal beslag leggen onder de werkgever van [eiser], [naam werkgever eiser].

2.20

De werkgever van [eiser] heeft op 11 januari 2017 een verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 475 lid 2 Rv.

2.21

Op 24 januari 2017 vond de ontruiming van de woning buiten aanwezigheid van [eiser] plaats. Hierbij werd de volledige inboedel afgevoerd en vernietigd. Het aanwezige huisdier van [eiser] werden ondergebracht in een asiel.

2.22

De betaling van de werkgever onder het loonbeslag werd door Van Deursen op 25 januari 2017 ontvangen.

3 De vordering

3.1

[eiser] vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad Van Deursen te veroordelen om aan [eiser] te betalen de som van € 39.263,16 vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede te verklaren voor recht dat de ontruiming onrechtmatig was en derhalve de kosten van de ontruiming voor rekening en risico van Van Deursen komen.

3.2

[eiser] voert daartoe aan dat de executie van het vonnis door de ontruiming van de woning onrechtmatig heeft plaatsgevonden wegens misbruik van recht. De ontruiming was immers in strijd met de gemaakte afspraken en de verwachtingen die partijen dientengevolge over een weer van elkaar mochten hebben. Voorts stond het niet in verhouding tot het nog verschuldigde bedrag en is op grond van onjuiste informatie rondom een huurachterstand geschiedt en bovendien onzorgvuldig voorbereid c.q. gecommuniceerd.

4 Het verweer

Van Deursen heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

Van een onrechtmatige ontruiming van de woning is geen sprake. Uit de overgelegde e-mails van [eiser] voorafgaande aan de betaling van 27 oktober 2016, blijkt dat [eiser] zijn afspraken niet is nagekomen. Daarbij was er ten tijde van de ontruiming nog steeds sprake van een betalingsachterstand op grond van het verstekvonnis van 28 oktober 2016, zodat de ontruiming gerechtvaardigd was. Van Deursen is niet aansprakelijk voor de door [eiser] gestelde schade. Van Deursen betwist de hoogte van de door [eiser] gestelde schade. [eiser] had de schade zelf kunnen voorkomen door tijdig de woning leeg te maken. Dat [eiser] zijn post niet opent – kennelijk vanwege een overvolle brievenbus – komt voor risico van [eiser]. De onverschuldigd betaalde huur is direct aan hem teruggestort en kan derhalve thans niet opnieuw door hem worden opgevoerd.

5 De beoordeling

Aansprakelijkheid wegens misbruik van bevoegdheid?

5.1

Op grond van het verstekvonnis was Van Deursen bevoegd om uitvoering te verlangen van hetgeen waartoe [eiser] was veroordeeld en bij uitblijven van voldoening tot daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het vonnis over te (laten) gaan. Centraal in dit geschil staat de vraag of Van Deursen handelende zoals zij deed, misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt waardoor zij jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en dientengevolge jegens [eiser] schadeplichtig is geworden. Misbruik van bevoegdheid kan worden aangenomen indien Van Deursen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (artikel 3:13 lid 2 BW). De kantonrechter zal de vordering aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

5.2

De afspraak waaraan [eiser] refereert wordt door Van Deursen betwist. Van Deursen betwist niet dat er een afspraak is gemaakt maar wel dat de afspraak is gemaakt zoals door [eiser] is gesteld. Volgens [eiser] werd afgesproken dat hij het restantbedrag zou voldoen in december 2016 dan wel in januari 2017. Volgens Van Deursen echter werd afgesproken dat [eiser] het restantbedrag in november zou betalen. Van Deursen verwijst hiervoor naar een aan haar gerichte brief van 31 oktober 2016 van haar gemachtigde. Verder verwijst Van Deursen hiervoor naar de e-mails van 16 en 18 november 2016, waarvan [eiser] de ontvangst heeft betwist. In de visie van Van Deursen was zij op 24 januari 2017 gerechtigd tot ontruiming van de woning omdat [eiser] het restantbedrag van € 741,26 niet conform (de door haar gestelde) afspraak in november 2016 had betaald.

5.3

De kantonrechter stelt vast dat [eiser] door middel van periodieke overboekingen de huur voor de maanden november 2016, december 2016 en januari 2017 telkens tijdig heeft betaald zodat er op het moment van de ontruiming op 24 januari 2017 er geen huurachterstand was en het dus uitsluitend kon gaan om het restantbedrag van € 741,26 wegens uit hoofde van het verstekvonnis verschuldigde rente en (proces)kosten.

5.4

Als komt vast te staan dat partijen de afspraak hebben gemaakt zoals die door [eiser] is gesteld, dan heeft Van Deursen in strijd daarmee de ontruiming op 24 januari 2017 laten plaatsvinden is zij jegens [eiser] zonder meer schadeplichtig wegens misbruik van bevoegdheid.

5.5

Alvorens ten aanzien van de gemaakte afspraak te overwegen wie met welk bewijs belast moet worden, wordt overwogen of Van Deursen gerechtigd was tot ontruiming van de woning indien van de veronderstelling uitgegaan wordt dat de door Van Deursen gestelde afspraak juist is. Dan rijst de vraag rijst of Van Deursen uitsluitend ter incasso van de rente en proceskosten ten bedrage van € 741,26 tot de tenuitvoerlegging had mogen besluiten. Immers, ook in de opvatting van Van Deursen ging zij er niet vanuit dat de huurovereenkomst definitief was beëindigd en dat de huurovereenkomst zou worden voortgezet, zij het onder het voorbehoud dat [eiser] de betalingsafspraak zou nakomen.

Van Deursen kan dan een argument ontlenen aan de niet-nakoming van de (door haar gestelde) afspraak, de tijdig gegeven waarschuwingen in de vorm van e-mails en de exploten die door de deurwaarder in de woning zijn achtergelaten. Ook kan Van Deursen gevolgd worden waar zij stelt dat het niet lezen van de e-mails en de exploten voor risico komt van [eiser]. [eiser] was dus gewaarschuwd voor de gevolgen van de niet-tijdige betaling van het restantbedrag. Bovendien geldt als uitgangspunt dat Van Deursen op grond van het vonnis gerechtigd was tot de tenuitvoerlegging, ook als het verschuldigde bedrag niet volledig is betaald, en dat terughoudendheid betracht moet worden bij het aannemen van misbruik van bevoegdheid.

5.6

Daartegenover staat het evident grote belang van [eiser] om het gebruik van de woning te behouden en de verwachting die hij had en mocht hebben dat er met de periodieke overmakingen de huurbetaling verder geen probleem meer zou zijn en dat het uitsluitend nog zou gaan om de betaling van het restantbedrag, waarvoor hij meende een afspraak te hebben gemaakt.

5.7

In het kader van de vaststelling of sprake is van een onevenredigheid tussen de wederzijdse belangen en de redelijkheidstoets van artikel 3:13 BW, merkt de kantonrechter op dat het besluit tot ontruiming (en de afvoer en vernietiging van de volledige inboedel van [eiser]) een weinig effectief middel is om tot incasso van het openstaande restantbedrag te komen. De feitelijke ontruiming levert immers geen betaling op. Integendeel, de kosten ten gevolge van de ontruiming komen nu bovenop het restantbedrag en leiden tot verhoging van de schuld.

5.8

Daarentegen zou een loonbeslag wél leiden tot betaling van het restantbedrag, zonder de verstrekkende en schadelijke gevolgen die een ontruiming met zich brengt, zodat het meer voor de hand had gelegen om voor dat middel te kiezen. Dat heeft Van Deursen kennelijk zelf ook ingezien want zij heeft op 6 januari 2017 executoriaal loonbeslag doen leggen onder de werkgever van [eiser]. Niet valt in te zien waarom Van Deursen ná tot loonbeslag te zijn overgegaan, niet eerst de opbrengt hiervan heeft afgewacht alvorens tot de feitelijke ontruiming van de woning over te laten gaan. De werkgever van [eiser] heeft immers al op 11 januari 2017 een verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 475 lid 2 Rv. op grond waarvan Van Deursen betaling kon verwachten van € 1.181,44, welk bedrag Van Deursen, daags na de ontruiming, op 25 januari 2017 ook daadwerkelijk ontving.

5.9

Gezien het reeds gelegde loonbeslag, had Van Deursen - zeker nu het ging om een betrekkelijk gering bedrag - in redelijkheid niet tot de uitoefening van haar bevoegdheid tot ontruiming mogen besluiten. Dit leidt immers tot een onevenredigheid tussen haar belang bij die ontruiming en het belang van [eiser] dat daardoor wordt geschaad. Bij dit oordeel betrekt de kantonrechter ook in zijn beschouwing dat [eiser] van meet af aan zijn betalingsplicht heeft erkend, op 27 oktober 2016 de volledige huurachterstand alsook de inmiddels verschenen huur voor oktober heeft voldaan en blijk heeft gegeven van bereidheid om ook het relatief geringe restantbedrag op korte termijn te betalen. Anders gezegd, het gedrag van [eiser] gaf Van Deursen geen aanleiding om te vrezen dat betaling van het restantbedrag zou uitblijven. Bovendien blijkt uit de stellingen en gedragingen van Van Deursen dat het haar niet te doen was om de huurrelatie met [eiser] te beëindigen, maar dat zij slechts betaling van het restantbedrag nastreefde.

5.10

De slotsom is dat Van Deursen door de feitelijke ontruiming van de woning op 24 januari 2017 misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt, hetgeen kwalificeert als een onrechtmatige daad welke haar is aan te rekenen waardoor zij in beginsel jegens [eiser] schadeplichtig is.

5.11

Aan bewijslevering ten aanzien van de inhoud van de tussen partijen gemaakte afspraak behoeft dus niet te worden toegekomen, omdat, ook indien uitgegaan wordt van de door Van Deursen gestelde afspraak, zij onrechtmatig heeft gehandeld door onnodig en ongerechtvaardigd de ontruiming te bewerkstelligen.

schadeomvang

5.12

Zelfs in geval van een rechtmatige ontruiming – de situatie waarop Van Deursen zich beroept – brengt de redelijkheid en billijkheid mee dat op de verhuurder de plicht rust om bij de ontruiming van een woning rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de huurder. Schending van die plicht brengt mee dat de verhuurder aansprakelijk is voor daardoor ontstane schade bij de huurder. Als uitgangspunt bij ontruiming van een woning heeft te gelden dat goederen die van de huurder zijn, in beginsel niet mogen worden weggegooid, tenzij deze kennelijk waardeloos zijn of de huurder er afstand van heeft gedaan. In dit geval echter is de ontruiming onrechtmatig geoordeeld en is Van Deursen op grond van een onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die [eiser] dientengevolge heeft geleden (artikel 6:162 BW).

5.13

Dat [eiser] schade heeft geleden als direct gevolg van de onrechtmatige ontruiming staat voldoende vast. Vasstaat immers dat de volledige inboedel – behalve de kat Tommy die naar een asiel is gebracht – is afgevoerd en dezelfde dag nog is vernietigd.

5.14

Nu de omvang van de schade van [eiser] niet meer nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal de kantonrechter deze op de voet van artikel 6:97 BW schattenderwijs vaststellen.

5.15

[eiser] schat de schade die hij heeft geleden op een totaal van € 37.783,16. [eiser] stelt dat de schade is opgebouwd uit de navolgende componenten:

• inboedel en aankleding woning € 22.907,43

• stelpost inboedel, vervanging documenten: € 2.500,00

• hotelovernachting € 101,50

• dierenpension en ambulance € 138,08

• onverschuldigd op 27 januari 2017 voldane huur maand februari € 823,15

• schade wegens ongemak en vernietigen emotioneel beladen dierbaarheden € 5.000,-

• kosten rechtsbijstand tot aan moment opstellen dagvaarding € 1.313,-.

• compensatie voor hogere huur € 5.000,-

5.16

Naast de vergoeding voor de hierboven gespecificeerde schade ten belope van € 37.783,16 vordert [eiser] de terugbetaling van de waarborgsom van € 1.480,00 zodat hij in totaal te vorderen heeft de som van € 39.263,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan die van de algehele voldoening.

inboedel en aankleding woning € 22.907,43

5.17

[eiser] heeft aan de hand van een specificatie een overzicht gegeven van de waarde van de inboedel die verloren is gegaan. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een aantal foto’s van zijn woning overgelegd alsmede een viertal getuigenverklaringen. Van Deursen heeft als verweer aangevoerd dat de deurwaarder bij het binnentreden van de woning een enorme bende aantrof, welke terug te zien zou zijn in de door [eiser] overgelegde foto’s. Verder voert Van Deursen aan dat bij het binnentreden sprake was van een penetrante urinelucht en dat de woning ‘zwaar vervuild’ was. Van Deursen verwijst hiervoor naar de verklaring van de deurwaarder.

5.17.1

Naar het oordeel van de kantonrechter komt op grond van de foto’s vast te staan dat weliswaar sprake was van een woning waarin een aantal kamers niet opgeruimd was en een rommelige indruk maakte, maar dat dat zeker niet gold voor de woonkamer en keuken. Dat de woning “zwaar vervuild was”, zoals in de verklaring van de deurwaarder staat vermeld, komt geenszins vast te staan. De overgelegde foto’s en de overgelegde getuigenverklaringen weerleggen die kwalificatie van de deurwaarder. Veeleer tonen de foto’s een – zoals één van de getuigen het verwoord – “een typische vrijgezellenwoning van een man. Meer gericht op mooie en dure apparatuur dan op aankleding”. De foto’s schetsen een beeld van de heden ten dage gebruikelijke inrichting van een woning, voorzien van een breedbeeld televisie, soundbar en overige geluidsapparatuur. In ieder geval is geen sprake van spullen die kennelijk waardeloos zijn of waarvan kennelijk afstand is gedaan.

5.17.2

De kantonrechter neemt bij de schatting de door [eiser] overgelegde specificatie als uitgangspunt nu deze geloofwaardig is omdat het de gebruikelijke inboedel betreft en uitgegaan wordt van reële prijzen. Dit geldt echter niet ten aanzien van de laatstgenoemde categorie “overig” waarin de post “borg huis (twee maanden)” ad € 1.480,- is opgenomen. De borg wordt immers boven de inboedelschade separaat gevorderd. Dit brengt het totaal van dit schadecomponent op € 21.732,43 (€ 23.212,43 minus € 1.480,-).

5.17.3

Voor een aftrek wegens “eigen schuld”, zoals door Van Deursen is bepleit, ziet de kantonrechter geen aanleiding. De kantonrechter is het met Van Deursen eens dat de omstandigheid dat [eiser] de aan hem gerichte e-mails en exploten niet tijdig had gelezen voor zijn risico komt. De omstandigheid dat [eiser] niet gewaarschuwd was en zijn spullen niet in veiligheid had gebracht is dan ook een aan [eiser] toe te rekenen omstandigheid. Dit argument gaat echter in deze zaak niet op omdat hier geen sprake is van een rechtmatige ontruiming. Artikel 6:101 lid 1 BW mist derhalve toepassing.

5.17.4

Verder heeft Van Deursen aangevoerd dat [eiser] niets stelt over de aankoopdata van alle goederen zodat de waarde daarvan niet kan worden bepaald. Op grond van de overgelegde foto’s en rekening houdend met het feit dat [eiser] de woning in januari 2014 heeft betrokken, zal bij de waardebepaling een aftrek wegens ‘nieuw voor oud’ van 30% worden toegepast.

5.17.5

Een en ander leidt tot de toekenning van een bedrag van € 21.732,43 minus € 6.519,73 (=30%) = € 15.212,70.

stelpost inboedel, vervanging documenten: € 2.500,00

5.18

Deze post heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd, zodat deze post wordt afgewezen.

hotelovernachting € 101,50 en dierenpension en ambulance € 138,08

5.19

Deze componenten komen als direct gevolg van de onrechtmatige handeling en als redelijke kosten voor integrale toewijzing in aanmerking. Tezamen zal een bedrag van € 239,58 worden toegewezen.

onverschuldigd op 27 januari 2017 voldane huur maand februari € 823,15

5.20

Van Deursen heeft gesteld dat de onverschuldigd betaalde huur voor de maand februari 2017 direct aan hem is teruggestort. Nu [eiser] dat niet heeft bestreden wordt van de juistheid van het verweer uitgegaan, zodat dit onderdeel van de vordering afgewezen wordt.

schade wegens ongemak en vernietigen emotioneel beladen dierbaarheden € 5.000

5.21

Nu gesteld noch gebleken is dat Van Deursen het oogmerk had om [eiser] ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen, komt het gevorderde bedrag of een deel daarvan, niet voor toewijzing in aanmerking (artikel 6:106 BW).

kosten rechtsbijstand tot aan moment opstellen dagvaarding € 1.313,-.

5.22

Deze kosten betreffen in feite de buitengerechtelijke kosten en zullen als zodanig worden beoordeeld. Buitengerechtelijke kosten komen pas voor toewijzing in aanmerking wanneer méér is verricht dan het verzenden van een eventueel herhaalde sommatie. Welke buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht wordt echter niet gesteld door [eiser]. Dit onderdeel van de vordering komt als onvoldoende onderbouwd niet voor toewijzing in aanmerking.

compensatie voor hogere huur € 5.000,-

5.23

Dit deel van de vordering is gebaseerd op de verwachting van [eiser] dat hij, wegens het niet verstrekken van een neutrale huurdersverklaring door Van Deursen als verhuurder, enkel een woning kan huren in de particuliere sector waardoor de huur tenminste € 370 per maand hoger zal zijn. Van [eiser] had verlangd mogen worden dat hij zijn vordering nader concreet had onderbouwd. Dat [eiser] daadwerkelijk een andere woning is gaan huren met een hogere huur is niet aangevoerd. Van concrete schade is dan ook niet gebleken, zodat dit onderdeel van de vordering als ongegrond wordt afgewezen.

waarborgsom

5.24

Dat [eiser] bij het aangaan van de huurovereenkomst een waarborgsom van € 1.480,- heeft betaald staat bij gebrek aan betwisting vast. Nu de huurovereenkomst tussen partijen is geëindigd dient Van Deursen dit bedrag in beginsel aan [eiser] terug te betalen, tenzij zij een hiermee te verrekenen tegenvordering heeft. Dat heeft zij voor zover dat betrekking heeft op het onbetaald gelaten restantbedrag van € 741,26. Ook de kosten ad € 92,94 verband houdend met de betekening op 13 december 2016 van het verstekvonnis komen voor verrekening in aanmerking. De overige door Van Deursen gemaakte kosten komen als nodeloos gemaakt niet voor verrekening in aanmerking In totaal een mag Van Deursen dus € 834,20 verrekenen met de waarborgsom. Voor toewijzing komt daardoor een bedrag van € 645,80 in aanmerking.

5.25

Resumerend komt voor toewijzing in aanmerking:

schade inboedel € 15.212,70;

kosten hotelovernachting en dierenpension € 239,58

restitutie deel waarborgsom € 645,80

totaal: € 16.098,08

De gevorderde wettelijke rente is als op de wet gegrond toewijsbaar.

5.26

Van Deursen wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 567,31 aan verschotten (€ 470,-- vast recht en € 97,31 explootkosten) en € 400,-- (1 punt à € 400,--) aan gemachtigdensalaris.

6 De beslissing

De kantonrechter,

verklaart voor recht dat de ontruiming onrechtmatig was en derhalve de kosten van de ontruiming voor rekening en risico van Van Deursen komen;

veroordeelt Van Deursen om aan [eiser] tegen kwijting te betalen de som van € 16.098,08, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Van Deursen in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 567,31 aan verschotten en € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

693