Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1202

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
ROT 17/3142
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst met de bevoegde Luxemburgse autoriteiten voor de jaren 2013 en 2014 afgewezen. Beroep voor zover dit ziet op de periode na 1 mei 2010 gegrond. Verweerder had het regularisatieverzoek moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten. Beroep voor zover dit ziet op de tijdvakken voor 1 mei 2010 ongegrond. Verweerder heeft het herzieningsverzoek op goede gronden afgewezen. Geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 17/3142

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Marijnissen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van

eiser om herziening van de afwijzende beslissingen inzake zijn regularisatieverzoeken voor de jaren 2010 en 2011 afgewezen.

Bij besluit van 10 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser was in 2010 en 2011 werkzaam aan boord van het Rijnvaartschip ‘[naam]’ dat toebehoort aan de Nederlandse exploitant [naam exploitant] te [vestigingsplaats]. Eiser heeft in deze jaren op de loonlijst gestaan van de vennootschappen naar Luxemburgs recht [naam vennootschappen] Door deze ondernemingen zijn voor eiser in Luxemburg premies afgedragen voor een aantal sociale verzekeringen. De Luxemburgse autoriteit ‘Centre Commun de la securité sociale’ heeft op 5 augustus 2011 een zogenoemde E106-verklaring afgeven die betrekking heeft op eiser.

1.2.

Bij brief van 1 juli 2016 heeft eiser verweerder het verzoek gedaan om, voor zover nodig met toepassing van artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag), te bepalen dat eiser in de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en de periode 1 januari tot en met 31 oktober 2014 uitsluitend verzekerd is geweest op grond van de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg en dat eiser over die periode geen sociale verzekeringspremie in Nederland verschuldigd is.

1.3.

Verweerder heeft het verzoek van eiser voor wat betreft de jaren 2010 en 2011 aangemerkt als een verzoek om herziening van de eerdere afwijzende beslissingen van verweerder in dat kader. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het afwijzende besluit gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit – kort weergegeven – ten grondslag gelegd dat op 2 april 2013 en 13 augustus 2014 eerder namens eiser verzoeken zijn gedaan om voor de jaren 2010 en 2011 een regularisatieovereenkomst te sluiten. Bij beslissingen van respectievelijk 17 december 2013 en 13 augustus 2014 heeft verweerder deze verzoeken afgewezen. Niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden of dat de besluiten van 17 december 2013 en 13 augustus 2014 onmiskenbaar onjuist zijn. Verweerder ziet dan ook geen reden om terug te komen van deze besluiten. Tevens verklaart verweerder het bezwaar van eiser tegen de over de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 afgegeven A1-verklaring ongegrond.

3. Eiser stelt zich in beroep primair op het standpunt dat verweerder ten onrechte zijn verzoek om herziening van de afwijzende besluiten voor de jaren 2010 en 2011 heeft afgewezen. Volgens eiser is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden omdat de overgelegde documenten, onder meer de E106-verklaring en het U1 document, nog niet aan de orde zijn geweest.

3.1.

Artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Het tweede lid voegt hieraan toe dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

3.2.

In geschil is of verweerder op goede gronden het herzieningsverzoek heeft afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

3.3.

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2123 en de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, volgt dat de CRvB zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit heeft gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dit het geval is, is de conclusie in beginsel dat verweerder het verzoek mocht afwijzen, tenzij dat evident onredelijk is.

3.4.

Op 1 mei 2010 is Verordening (EG) nr. 883/2004 in werking getreden. Op grond van artikel 87, eerste lid, van Verordening 883/2004 in samenhang met artikel 7, tweede lid, onder a van Verordening 1408/71 blijft voor tijdvakken voorafgaande aan 1 mei 2010 het Rijnvarendenverdrag van toepassing.

3.5.

Voor wat betreft de periode na 1 mei 2010 volgt uit het bepaalde in artikel 18 van Toepassingsverordening (EG) nr. 987/2009 dat een verzoek van de werkgever of een betrokkene om een uitzondering te maken op de artikelen 11 tot en met 15 van Verordening 883/2004 wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit of Lidstaat waarvan de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving wordt verzocht.

3.6.

Nu het herzieningsverzoek van eiser erop is gericht toepassing te krijgen van de Luxemburgse wetgeving was verweerder niet bevoegd dit verzoek zelf in behandeling te nemen en had verweerder het regularisatieverzoek, voor zover dat ziet op de periode na 1 mei 2010, moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten. Gelet hierop moet het beroep gegrond worden verklaard en moet het bestreden besluit worden vernietigd voor wat betreft de periode na 1 mei 2010. Verweerder wordt opgedragen om het verzoek van eiser door te zenden aan de bevoegde Luxemburgse autoriteiten.

3.7.

Voor wat betreft de tijdvakken voor 1 mei 2010 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Anders dan eiser meent, is in dat kader niet van belang of verweerder bekend was met alle door eiser genoemde feiten en omstandigheden, maar of deze niet eerder door eiser aangevoerd hadden kunnen worden. Ten aanzien van de E106-verklaring blijkt uit de dossierstukken dat deze reeds op 5 augustus 2011 is afgegeven. De rechtbank ziet niet in waarom eiser deze verklaring niet eerder had kunnen overleggen. Dit geldt eveneens voor de U1 verklaring.

De rechtbank begrijpt uit het verhandelde ter zitting dat de gemachtigde van eiser niet eerder de beschikking kreeg over deze stukken. Wat hiervan ook zij, deze omstandigheid dient voor rekening en risico van eiser te blijven, nu het zijn verantwoordelijkheid is alle relevante stukken tijdig ter beschikking te stellen aan zijn gemachtigde. Voor zover eiser zich beroept op het e-mailbericht van de Luxemburgse autoriteiten dat hij bij zijn beroepschrift heeft gevoegd, kan deze correspondentie evenmin worden aangemerkt als een nieuwe feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb, reeds omdat deze correspondentie niet aan eiser is gericht.

3.8.

Nu er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, heeft verweerder het herzieningsverzoek van eiser voor wat betreft de tijdvakken voor 1 mei 2010 op goede gronden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat dit evident onredelijk is. Als gevolg hiervan behoeven de beroepsgronden van eisers over de afwijzing van zijn regularisatieverzoek geen bespreking meer. Ten aanzien van de A1-verklaring is de rechtbank ter zitting gebleken dat eiser inmiddels een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt bij deze rechtbank. Wat eiser tegen de volgens hem onterechte afgifte van deze verklaring naar voren heeft gebracht, dient hij naar voren te brengen in die procedure.

4. Gelet op wat onder 3.6 is overwogen is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd voor wat betreft de periode na 1 mei 2010. Het beroep is voor het overige ongegrond.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 2.004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de periode vanaf 1 mei 2010;

- herroept het primaire besluit in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter en mr. F. Wegman en mr. drs. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. F.A.L.M. van Daal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.