Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:120

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-01-2018
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
parketnummer 10/178524-17 / parketnummer vordering TUL VV 05/840075-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte pleegt diverse vernielingen en heeft uitgebreid strafblad.

ISD-maatregel opgelegd voor de duur van 6 maanden, niet voor de gebruikelijke termijn van 2 jaar.

Verdachte heeft kort geleden al een ISD maatregel ondergaan die niet effectief is gebleken.

Binnen thans opgelegde ISD-maatregel van 6 maanden moet alsnog diagnostiek plaatsvinden en woonruimte voor de verdachte worden gezocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/178524-17

Parketnummer vordering TUL VV: 05/840075-17

Datum uitspraak: 8 januari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte]
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsvrouw mr. J.A. van Gemeren, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 december 2017 en 8 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.A.M. de Jong heeft gevorderd:

in de zaak met parketnummer 10-178524-17

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    oplegging aan de verdachte van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, met een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en de opdracht zo snel mogelijk diagnostiek te laten plaatsvinden en een passende woonplek voor de verdachte te vinden;

in de zaak met parketnummer 05/840075-17

- afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van een week.

4 Bewijs en bewezenverklaring

Bewijsverweer

De verdachte heeft ontkend dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 respectievelijk 2 tenlastegelegde vernieling van een scooter en bromfiets. Hij heeft verklaard dat de scooter en bromfiets zijn omgevallen doordat hij er tegen aankwam, of doordat hij met zijn jas is blijven haken aan de scooter waardoor deze omviel op de bromfiets.

Beoordeling bewijsverweer

Het verweer wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder door het proces-verbaal relaterende de verklaring van [naam getuige] . Deze beveiligingsmedewerker heeft immers verklaard dat hij zag dat de verdachte een scooter en motorfiets omver gooide.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Bewijsmiddelen en bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 11 september 2017 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een

motorscooter, merk: Aprilia Vl Atlantica, die aan een ander, te weten aan [naam slachtoffer 1] toebehoorde, heeft beschadigd;

2.

hij op 11 september 2017 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een bromfiets, merk: Peugeot Djangodie aan een

ander, te weten aan [naam slachtoffer 2] , toebehoorde, heeft beschadigd;

3.

hij op 11 september 2017 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk plantenbakken die aan een ander, te weten aan Reclassering Nederland , toebehoord, heeft vernield;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

2.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

3.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering maatregel

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een bromfiets en een motorscooter opzettelijk omver gegooid waardoor ze beschadigd raakten. De voertuigen stonden beiden geparkeerd voor een gebouw waar de reclassering kantoor houdt. Voorts heeft de verdachte op nagenoeg hetzelfde moment uit plantenbakken die daar stonden planten getrokken, op de grond gegooid en aldus vernield. De verdachte pleegde deze feiten omdat hij ontevreden was over de reclassering. Door dit handelen heeft de verdachte zowel de reclassering als de andere benadeelden ergernis, overlast en schade bezorgd.

Blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 december 2017 is de verdachte al vele malen voor onder andere vernieling, belediging, bedreiging, diefstallen etc. veroordeeld. Bij vonnis van deze rechtbank van 4 maart 2014 is hem de ISD-maatregel opgelegd voor de duur van twee jaar. De verdachte liep ook nog in een aantal proeftijden toen hij de onderhavige delicten pleegde.

Psychiater Boedhoe, verbonden aan het NIFP Zuid-Holland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 oktober 2017. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte is bekend met schizofrenie (resttype). Hij is op dit moment niet psychotisch. Verder is hij bekend met middelenafhankelijkheid. Wat zijn persoonlijkheid betreft zijn er aanwijzingen voor een cluster B persoonlijkheid, premorbide dan wel ten gevolge van zijn schizofrenie en chronisch middelengebruik en cognitief verval daardoor.

De psychiater adviseert een neuropsychologisch en intelligentie onderzoeken te doen om de persoonlijkheid en (rest)cognitieve kwaliteiten van de verdachte in kaart te brengen.

Er zijn geen contra-indicaties voor het opleggen van een ISD-traject waarbij de inzet voornamelijk gericht zal moeten zijn op nadere diagnostiek, passende behandeling, inclusief agressiehantering en sociaal maatschappelijke rehabilitatie door toewerken naar opleiding en arbeid conform zijn kwaliteiten.

De reclassering heeft meerdere rapporten over de verdachte opgemaakt. De rechtbank heeft met name gelet op het laatste rapport van Bouman GGZ, afdeling reclassering, van 8 december 2017 dat op de terechtzitting is toegelicht. Dit rapport en de daarop gegeven toelichting houden onder meer het volgende in.

Bij een veroordeling wordt geadviseerd aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De verdachte is een man die een pre-label ISD, veelpleger en HG status heeft binnen het justitiële kader. Hij is ruim negen jaar dakloos, verslaafd aan middelen en heeft meerdere pandverboden bij GGZ-instellingen wegens agressie-incidenten. Er is sprake van een uitvoerige delictsgeschiedenis en een patroon van vermogens- en geweldsdelicten. Betrokkene bleek in een voorwaardelijk kader niet te motiveren tot positieve gedragsverandering. Er worden, mede om deze redenen, geen behandel- en /begeleidingopties meer gezien voor de verdachte in een ambulant kader.

De reclassering sluit zich aan bij het advies van het NIFP om een neuropsychologisch en intelligentie-onderzoek te laten plaatsvinden om de persoonlijkheid en (rest)cognitieve kwaliteiten van de verdachte in kaart te brengen. Dit zal eerst onderzocht moeten worden voordat aan de verdachte een voor hem passend behandeltraject kan worden gegeven.

Aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één of meer misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verder is de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 december 2017 in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. De onderhavige feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, gelet op eerdere veroordelingen en de problematiek van de verdachte, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van het NIFP en de reclassering dat het is aangewezen om de verdachte opnieuw een ISD-maatregel op te leggen.

Oplegging van die maatregel kan er immers toe bijdragen dat de maatschappij tegen de verdachte wordt beveiligd en kan door behandeling e.d. tevens dienen om de recidive van de verdachte te beëindigen of te verminderen.

Gelet op feit dat de verdachte kort geleden al een ISD-maatregel heeft ondergaan, die niet effectief is gebleken ziet de rechtbank echter aanleiding de maatregel niet opnieuw voor de maximale termijn van twee jaren op te leggen. De rechtbank acht het noodzakelijk dat onmiddellijk na het ingaan van de ISD-maatregel met de groots mogelijke spoed (alsnog) de gewenste diagnostiek, waaronder een intelligentie- en neuropsychologisch onderzoek van de verdachte plaatsvindt, gevolgd door een zo spoedig mogelijke plaatsing in een geschikte woonruimte. De rechtbank is van oordeel dat er alles aan moet worden gedaan om dit binnen een aantal maanden te realiseren en zal met name met dat doel de ISD maatregel opleggen. Daarom zal de ISD-maatregel voor de termijn van zes maanden worden opgelegd en niet voor de gebruikelijke maximale termijn van twee jaar.

De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

8 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van feit 1. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 80,63 ter zake van materiële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht. De daarvoor gevorderde schadevergoeding van € 80,63 zal worden toegewezen, omdat dat bedrag voldoende is onderbouwd en door de verdachte niet is weersproken.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal bepalen dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 11 september 2017, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Naast de veroordeling tot betaling van deze schadevergoeding aan de benadeelde partij wordt ook de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter Arnhem van 1 februari 2017 is de verdachte ter zake van vernieling veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 weken, waarvan een gedeelte groot 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 16 februari 2017.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf worden gelast.
De rechtbank zal daartoe echter niet overgaan. Gelet op de ISD-maatregel die aan de verdachte zal worden opgelegd zou het nu tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf contraproductief zijn. De vordering zal worden afgewezen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 38m, 38n en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

in de zaak met parketnummer 10/178524-17

verklaart bewezen, dat de verdachte de laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 6 (zes) maanden;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen een bedrag van € 80,63 (zegge: tachtig euro en drieënzestig eurocent), ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 80,63 (zegge: tachtig euro en drieënzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 80,63 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 dag; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

in de zaak met parketnummer 05/840075-17

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter Arnhem van 1 februari 2017 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. H. de Doelder en M.J.M. van Beckhoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. H. C. Fraaij en M.D. Hes, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 januari 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 september 2017 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk motorscooter, merk: Aprilia Vl Atlantica, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(Artikel art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 11 september 2017 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een bromfiets, merk: Peugeot Django, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam slachtoffer 2] , toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(Artikel art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 11 september 2017 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk

een of meerdere plantenbakken, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Reclassering Nederland , toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(Artikel art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)