Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1183

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
25-02-2018
Zaaknummer
6394930 CV EXPL 17-7479
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst; verjaring; artikel 3:307 lid 1 BW door verloop van vijf jaren; termijnenbetalingen; daad van erkenning; stuiting verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6394930 CV EXPL 17-7479

uitspraak: 15 februari 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

eiseres,

gemachtigde: dhr. J.J. Sikkema,

tegen

1 [gedaagde 1],

2) [gedaagde 2],

beiden wonende te [plaatsnaam],

gedaagden,

verschenen bij dhr. J.P. Beker.

Partijen worden hierna aangeduid als NN, [gedaagden].

Verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het exploot van dagvaarding van 4 oktober 2017, met producties;

  2. de aantekeningen van het mondelinge antwoord;

  3. de conclusie van repliek, met producties;

  4. de aantekeningen van de mondelinge dupliek.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1

[gedaagden] hebben op 20 juli 1988 een (doorlopende) kredietovereenkomst met de rechtsvoorgangster van NN, Financieringsmaatschappij Vola B.V. (hierna: Vola), gesloten waarbij aan [gedaagden] een krediet is verstrekt van ƒ 18.200,-. [gedaagden] zijn hoofdelijk aansprakelijk. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van

Vola van toepassing.

1.2

Conform de algemene voorwaarden is het gehele saldo aan openstaand krediet in zijn geheel opeisbaar geworden.

2. De vordering, de grondslag en het verweer

2.1

NN vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 10.192,83, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2016 danwel vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagden], hoofdelijk, in de kosten.

2.2

NN legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] tekort schieten in de nakoming van hun (terug)betalingsverplichting uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Naast een hoofdsom van € 5.729,95 vordert NN een bedrag van € 4.462,88 aan krediet-vergoeding, berekend tot en met 31 maart 2016.

2.3

[gedaagden] hebben aangevoerd dat de vordering verjaard is zodat deze afgewezen dient te worden. Voor zover de vordering niet is verjaard, is deze volgens hen in zijn geheel voldaan.

Beoordeling van het geschil

3.1

Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen, zoals waar in het onderhavige geval sprake van is, verjaart op grond van artikel 3:307 lid 1 BW door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
Blijkens de als productie 3 bij dagvaarding overgelegde ‘opeisingsbrieven’, is het krediet opgeëist per 20 februari 2014 dan wel per 31 maart 2016. Uitgaande van deze data, zijn nog geen 5 jaar verstreken en is van verjaring dus nog geen sprake.

Voor zover [gedaagden] hebben willen betogen dat de verjaringstermijn reeds is gaan lopen in 2009 nu zij 21 jaar na het afsluiten van het krediet in 1988 een brief hierover hebben gekregen, gaat dit evenmin op om de volgende reden. [gedaagden] hebben, zoals blijkt uit het door NN in het geding gebrachte en door [gedaagden] niet betwiste betalingsoverzicht, in de periode van 6 mei 2009 tot en met 6 november 2013 17 termijnen van € 40,- betaald. Deze betalingen worden gezien als een daad van erkenning zoals terecht door NN is gesteld. Gevolg van een erkenning is dat de verjaring wordt gestuit. Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen de dag nadat de laatste termijnbetaling is gedaan, in dit geval derhalve op 7 november 2013.
Nu NN haar rechtsvordering binnen vijf jaar na 1 april 2016 c.q. binnen vijf jaar na

7 november 2013 heeft ingesteld, is van verjaring geen sprake.

3.2

[gedaagden] hebben voorts aangevoerd dat de lening al volledig is afgelost. Het had echter op hun weg gelegen, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stelling van NN dat er nog een openstaand saldo is, om hun verweer met concrete en specifieke feiten en omstandigheden zoals bankafschriften te onderbouwen. Dit hebben zij niet gedaan zodat hun verweer wordt verworpen. De gevorderde hoofdsom zal dan ook worden toegewezen.

3.3

Op basis van de overeenkomst zijn [gedaagden] -naast de maandelijks te betalen termijnen- over het openstaande saldo een rente verschuldigd van 11,8% per jaar (de kredietvergoeding), welk rentepercentage voldoet aan de wettelijke criteria daarvoor.

De tot en met 31 maart 2016 berekende kredietvergoeding zal daarom eveneens worden toegewezen.

3.4

De gevorderde wettelijke rente over de periode vanaf 1 april 2016 zal als onweersproken en op de wet gegrond eveneens worden toegewezen.

3.5

[gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, tot aan deze uitspraak aan de zijde van NN bepaald op € 104,79 aan dagvaardingskosten, € 470,- aan vast recht en € 600,- aan salaris voor de gemachtigde.

De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. Genoemde bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der voldoening, indien [gedaagden] deze bedragen niet binnen de genoemde termijn zullen hebben voldaan.

De beslissing

De kantonrechter,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk - des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd - om aan NN tegen kwijting te betalen een bedrag van € 10.192,83, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 1 april 2016 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk - des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd – tot betaling van de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van NN vastgesteld op € 574,79 aan verschotten, € 600,- aan salaris voor de gemachtigde en € 131,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- aan kosten voor betekening onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, genoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der voldoening, indien [gedaagden] deze bedragen niet binnen de genoemde termijn hebben voldaan;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

745