Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1181

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
10/811056-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 20u voorwaardelijke taakstraf voor mishandeling ex-vriendin in 2015. Vrijspraak voor bedreiging.

Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/811056-17

Datum uitspraak: 30 januari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. W.N. Sardjoe, advocaat te ’s Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. Du Croix heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van vijftig uur, met aftrek van voorarrest, volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 44 uren te verrichten taakstraf resteert, subsidiair 22 dagen hechtenis; alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal melden bij de reclassering en zich laat behandelen bij de polikliniek 'De Waag' te Rotterdam of een soortgelijke instelling;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de op te leggen bijzondere voorwaarden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een complexe relatie tussen de verdachte en de aangeefster, waarbij er gedurende vele jaren regelmatig sprake is geweest van heftige ruzies.

De uitlatingen zoals omschreven in de tenlastelegging leveren door het ontbreken van de nodige context waarin zij zijn gedaan niet de overtuiging op dat sprake is van een opzettelijke bedreiging van de ex-partner met zware mishandeling, dan wel een bedreiging met een misdrijf tegen haar leven gericht. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.

De door de raadsman gevoerde verweren met betrekking tot dit feit behoeven daarom geen bespreking.

4.2.

Feit 2

De verdediging heeft ook ten aanzien van dit feit vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat een objectieve verklaring over het letsel aan het bovenbeen van de aangeefster ontbreekt. Op de foto van het letsel in het dossier ontbreekt een datum en daarnaast zouden de zichtbare ontvellingen eerder passen bij brand- en/of schaafwonden dan bij een tandenbeet. Dat de aangeefster letsel heeft opgelopen, betekent niet dat zij is mishandeld door de verdachte. De verdachte ontkent het feit.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster wel steun vindt in overige bewijsmiddelen. Zo heeft getuige [naam getuige] verklaard dat de aangeefster, nadat ze met haar kinderen bij de verdachte was weggegaan, angstig en hyperventilerend bij haar binnenkwam en bij haar de nacht heeft doorgebracht. Zij heeft toen van aangeefster gehoord dat de verdachte haar in haar been heeft gebeten en bij aangeefster een beetwond in het been gezien met duidelijk zichtbare tandafdrukken en huidverkleuring ter plekke. Samen hebben ze besloten om dat letsel te fotograferen. Deze foto is door de aangeefster bij gelegenheid van haar aangifte aan de verbalisanten verstrekt.

De verklaring van getuige [naam getuige] sluit aan bij de door de verdachte ter zitting afgelegde verklaring dat de aangeefster op een avond in april 2015 bij hem is weggegaan en toen naar haar vriendin [naam getuige] in Rijswijk is gegaan.

De verklaringen van aangeefster en getuige [naam getuige] worden verder ondersteund door de foto die de aangeefster aan de politie heeft verstrekt. De aard van het letsel dat de rechtbank op deze ter terechtzitting getoonde foto heeft waargenomen, past bij de verklaring van de aangeefster dat zij is gebeten. Dat dit letsel ook op andere wijze kan zijn opgelopen, acht de rechtbank niet aannemelijk en evenmin aannemelijk is de suggestie van de verdachte dat de aangeefster een dergelijke verwonding op die plaats aan het lichaam bij zichzelf heeft toegebracht.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verklaringen van de aangeefster. Dat brengt met zich mee dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat zij is mishandeld door de verdachte

4.3. .

.Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij omstreeks 10 en/of 11 april 2015 te Rotterdam zijn levensgezel, [naam slachtoffer] , heeft mishandeld door haar in het been te bijten, ten gevolge waarvan zij pijn en letsel heeft opgelopen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit onder 2 levert op:

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin mishandeld door haar in haar been te bijten.

Het slachtoffer heeft door deze gebeurtenis pijn geleden en ook fysiek letsel opgelopen, bestaande uit een forse bloeduitstorting.

De rechtbank acht het laakbaar dat de verdachte het in zijn frustratie en door relationele problemen heeft laten komen tot deze mishandeling van zijn partner. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk huiselijk geweld nog lange tijd daarna angstgevoelens en andere psychische klachten kunnen ondervinden door hetgeen hen is aangedaan. Dit blijkt ook uit het feit dat de aangeefster is gevlucht voor de verdachte naar een geheim adres. De impact die dit op aangeefster heeft gehad blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter zitting is voorgelezen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van

18 december 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf voor mishandelingen en doodslag in de relationele sfeer.

Reclassering Nederland heeft op 13 november 2017 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder andere het volgende in.

Sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis op 9 maart 2017 heeft de verdachte zich gehouden aan het daarbij opgelegde contact- en locatieverbod. Het feit kan, mits bewezenverklaard, duiden op agressieproblematiek en problemen met impulsiviteit bij de verdachte in de relationele sfeer. De relatie met de aangeefster is verbroken. De kans op recidive wordt als laag/gemiddeld ingeschat en het opleggen van een werkstraf behoort tot de mogelijkheden. Indien de ernst van de feiten het toelaten wordt geadviseerd een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer.

De rechtbank zal de inhoud van het genoemde reclasseringsrapport mede bij haar oordeel betrekken.

De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op het rapport van H.E.W. Koornstra, psycholoog, waarin hij heeft gerelateerd dat er niet tot forensisch psychologische beschouwing kon worden gekomen omdat de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek.

Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij op vrijwillige basis gesprekken heeft met een psycholoog, waarbij hij aan zijn boosheid werkt (welke zou zijn ontstaan door het langdurig niet kunnen zien van zijn kinderen) en dat hij daar veel baat bij heeft. Hij heeft weliswaar gesproken met de reclassering maar op dit moment loopt er geen (verplicht) reclasseringscontact.

7.4.

Beoordeling

Gelet op al het voorgaande zal aan de verdachte een voorwaardelijke taakstraf worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur van de taakstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank, in voor verdachte gunstige zin rekening gehouden met de relatief lange duur van de berechting, zoals door de raadsman is bepleit.

Om diezelfde reden en ter beperking van het als laag/gemiddeld ingeschatte herhalingsgevaar zal de rechtbank volstaan met een proeftijd van twee jaar.

Nu de verdachte al onder behandeling van een psycholoog is, zal de rechtbank anders dan door de officier van justitie is geëist, geen reclasseringstoezicht opleggen. Mede vanwege het gebrek aan draagvlak en de persoonlijkheid van de verdachte ziet de rechtbank geen heil in het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

8 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van de onder

1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van

€ 2.250,- aan immateriële schade als gevolg van zowel de bedreiging als de mishandeling.

De officier van justitie heeft de toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.500,- gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de niet ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering bepleit, primair vanwege de door hem bepleite vrijspraken, subsidiair vanwege het niet kunnen vaststellen van de causaliteit.

De benadeelde partij zal in de vordering niet ontvankelijk worden verklaard, nu de vordering onder meer is gegrond op feit 1 waarvoor de verdachte is vrijgesproken en voorts ziet op gebeurtenissen die (ook) hebben plaatsgevonden buiten de periode waarop de tenlastelegging ziet. De vaststelling van het causale verband en van het concrete bedrag aan schadevergoeding voor het deel dat ziet op het bewezenverklaarde feit 2 levert gelet op de complexiteit van het onderscheiden daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Die vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;

bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden algemene voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. B.E. Dijkers, voorzitter,

mrs. J. Snitker en J. van Dort, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2018.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 08 november 2015 tot en met 28 december 2015 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer] dreigend (onder meer) de woorden toegevoegd:

- " zoals ik altijd tegen jou zeg, je moet opletten. Dan moet je maar hopen dat nooit iemand mijn dochters iets aandoet, serieus ik wacht en het is gewoon afgelopen hoor ‘ja, jij ook en iedereen de je helpt met het verbergen van kinderen van mij (d.d. 8-11-2015, zie p,82)" en/of

- " Je moet luisteren als ik je iets vertel. Dat gebeurde toen ook en dat heeft er toe geleid dat die situatie explodentieel uit de klauwen liep...in een zeer korte tijd weg...poeff..(...)En we weten allemaal wat de gevolgen is. Eén heeft het nooit na kunnen vertellen.(...)"Onder de juiste omstandigheden...met de juiste bewerking... op het juiste moment kunnen de meest verschrikkelijke dingen gebeuren" (d.d. 28-12-2015, p. 91)

- " [naam slachtoffer] , luister naar me. Al die keren dat ik jou gewaarschuwd heb, gebruik mijn kinderen niet tegen mij. Daar ben je goed mee weggekomen jij en anderen. (...) Dus als er ook maar iets met mijn kinderen gebeurt op welke wijze dan ook dan wil je echt niet weten waartoe ik in staat ben. En dat is geen bedreiging [naam slachtoffer] ." (...) van [naam] een bewuste keuze is geweest.(...) Je moet me niet uitdagen." (d.d. 28-12-2015, p. 92) en/of

"je kan veel met mij doen maar bepaalde dingen moet je absoluut niet met me doen want er komt een moment dan sla ik zo gruwelijk hard terug je weet echt niet wat je overkomt (...) "ik waarschuw mensen op voorhand, als ze niet willen luisteren dat is het hun beslissing (...) " (d.d. 28-12-2015, p. 93) althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2015 tot en met 30 april 2015, in ieder geval op of omstreeks 10 en/of 11 april 2015 te Rotterdam zijn levensgezel, [naam slachtoffer] , heeft mishandeld door haar in het been te bijten, tengevolge waarvan zij pijn en/of letsel heeft opgelopen.