Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1176

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
10/200324-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot woninginbraak door middel van valse sleutels (flipper). Op grond van het bewijs laat zich het gedrag van de verdachte niet anders duiden als als kijken naar de mogelijkheid om met behulp van een voorwerp/flipper een woning binnen te dringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/200324-17

Datum uitspraak: 19 januari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] , inmiddels bekend als [feitelijke naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting gedetineerd in

CTP Veldzicht voor Vreemdelingen te Balkbrug,

gemachtigd raadsman mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest (103 dagen bij directe uitspraak), waarvan 38 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zal meewerken aan zijn vertrek naar Algerije op 29 januari 2018.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte (primair) moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat het de verdachte was die heeft getracht in te breken. Het standpunt van de verdachte is dat hij op de galerij in de flat op zoek was naar de woning van een vriendin in die flat

4.1.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot bewezenverklaring te kunnen komen.

4.1.3.

Beoordeling

Vastgesteld wordt dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte heeft getracht in te breken en dat hij zich de toegang had verschaft tot het portaal van de woning van de aangever met behulp van een “flipper.De aangever heeft verklaard dat er op 9 oktober 2017 diverse malen bij hem werd aangebeld en dat hij even later gerommel hoorde. Vervolgens trof hij in het portaal, de ruimte direct achter de voordeur, de verdachte aan. Aangever heeft de verdachte vervolgens aangehouden en overgedragen aan de politie. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een aantal maal bij de woning van de aangever heeft aangebeld. De verdachte heeft ook erkend dat hijeen “flipper”bij zich had. Op de foto op pagina 16 van het strafdossier is te zien dat deze flipper een stuk plastic is dat op een bepaalde wijze is gebogen. Het is een feit van algemene bekendheid dat door een dergelijk voorwerp tussen het deurkozijn en de deur te duwen de schoot van een deurslot naar achteren kan worden geduwd en dat vervolgens de deur geopend kan worden.

Getuige [naam getuige] had kort voor de aanhouding van de verdachte de politie gebeld, omdat zij op de galerij van de flat een man zag van wie zij vermoedde dat hij (door zijn gedrag) probeerde in te breken. De man hield namelijk zijn handen bij het slot van meerdere woningen keek daar naar binnen en ging zo vrijwel de hele galerij af. Even later zag de getuige dat diezelfde man door de politie werd meegenomen. De verklaring van getuige [naam getuige] over hetgeen zich afspeelde op de galerij van de flat van de aangever vindt bevestiging in de door haar aan de politie verstrekte camerabeelden. Beide bewijsmiddelen beschrijven gedrag dat zich niet anders laat duiden als kijken naar de mogelijkheid om met behulp van een voorwerp een woning binnen te dringen.

Het standpunt van de verdachte dat hij in het flatgebouw (slechts) op zoek was naar de woning van een vriendin acht de rechtbank op grond van het voorgaande volstrekt ongeloofwaardig, ook al omdat de verdachte niet heeft willen verklaren wie deze vriendin is, zodat de verklaring van de verdachte daardoor oncontroleerbaar is gebleven. Dit verweer wordt daarom verworpen

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 9 oktober 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning

gelegen aan de [adres delict] , weg te nemen goederen en/of

geld, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] ,

en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen

door middel van een valse sleutel, naar voornoemde

woning is gegaan en(vervolgens) met een stuk plastic heeft

"geflipperd" tussen de (voor)deur(kozijn) en slot van voornoemde

woning, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gebaseerd op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft getracht in te breken in een flatwoning waarvan hij de voordeur al had open “geflipperd” toen hij in het portaal van de woning door de aangever werd opgemerkt.

Door een (poging tot) woninginbraak wordt een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers .Ook leiden woninginbraken en pogingen daartoe tot maatschappelijke onrust en brengen dit soort feiten bij veel mensen, onder wie de bewoner(s) en direct de omwonenden een groot gevoel van onveiligheid teweeg.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte veelvuldig eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en als zodanig als veelpleger aangemerkt kan worden. Ook is daarop te zien dat hij al een aantal maal voor woninginbraken tot (soms) forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen is veroordeeld.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit en gelet op het strafblad van de verdachte kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een geheel onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van tenminste vijf maanden.

Aangevoerd is echter dat de verdachte na een lang (illegaal) verblijf in Nederland en een reeks van (mislukte) vertrekprocedures als ongewenste vreemdeling zich nu bereid heeft verklaard om vrijwillig mee te werken aan zijn terugkeer naar zijn geboorteland Algerije. De verdachte ziet in dat hij gedurende zijn jarenlange verblijf in Nederland geen aanspraken kan maken op zorg of andere Nederlandse voorzieningen en het daardoor erg problematisch zal zijn om het hoofd op legale wijze boven water te houden. Ook het verkrijgen van noodzakelijke medicatie vormt daardoor een groot probleem voor hem.

De officier van justitie en de raadsman hebben verzocht om beperking van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zodat de verdachte aansluitend aan de detentie op 29 januari 2018 (op vrijwillige basis) mee kan werken aan zijn uitzetting (per vliegtuig) naar Algerije.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de door de verdediging overgelegde brief van het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht (afdeling maatschappelijk werk), gedateerd 17 januari 2018, waarin wordt meegedeeld dat de verdachte nu is erkend als Algerijns onderdaan en er een laisser passer is afgegeven voor zijn terugkeer naar Algerije. Door de Dienst Terugkeer en Vertrek (verder: DT&V) zijn verdere voorbereidingen getroffen voor een financiële tegemoetkoming en voor de begeleiding van de verdachte vanaf Schiphol tot de eindbestemming Algiers door twee verpleegkundigen van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Er is inmiddels een optie genomen op een vlucht vanaf Schiphol op 29 januari 2018. Vanuit het CTP Veldzicht is gezorgd voor een voorraad van de noodzakelijk medicatie voor tenminste drie maanden om daarmee de tijd te overbruggen die nodig is voor de inschakeling van de lokale gezondheidszorg in Algerije.

Uit voormelde brief blijkt ook dat voor het geval dat de verdachte onverhoopt niet vrijwillig meewerkt aan vertrek naar Algerije, de DT&V dan zal overgaan tot toepassing van vreemdelingenbewaring om met gebruikmaking van de afgegeven laisser passer onder escorte van de Koninklijke Marechaussee (KMAR) alsnog tot uitzetting van verdachte over te kunnen gegaan.

De rechtbank ziet op basis van het voorgaande aanleiding een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk opleggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel van de straf zal voortduren tot 29 januari 2018 en de voorgenomen uitzetting van de verdachte daarop aansluitend kan plaatsvinden.

Als stok achter de deur zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarde verbinden dat de verdachte zijn medewerking zal blijven verlenen aan het in samenspraak met hem opgestelde plan tot vertrek uit Nederland zoals dit is omschreven in de eerdergenoemde brief van het CTP Veldzicht , gedateerd 17 januari 2018.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 38 (achtendertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zijn volle medewerking zal blijven geven aan het plan van zijn vertrek uit Nederland zoals dit is omschreven in de brief van het CTP Veldzicht, gedateerd 17 januari 2018;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis (zo veel mogelijk) gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, in die zin dat de rechtbank er van uit gaat dat de detentieduur zal aansluiten op de uitzetting uit Nederland van de veroordeelde op 29 januari 2018.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. F.A. Hut en M. Cupido, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Nederlof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 januari 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 9 oktober 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning

gelegen aan de [adres delict] , weg te nemen goederen en/of

geld,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen

door middel van door middel van een valse sleutel, naar voornoemde

woning is gegaan en/of (vervolgens) met een hard stuk plastic heeft

"geflipperd" tussen de (voor)deur(kozijn) en/of slot van voornoemde

woning,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van

Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )