Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1169

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
6562391 VZ VERZ 18-91
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsrelatie; werknemer heeft langdurig heimelijk geluidsopnames gemaakt van gesprekken met management, collega's en relaties van werkgever

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6562391 VZ VERZ 18-91

uitspraak: 7 februari 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap

Maas en Kleiberg Subsidieadvies B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

verweerster in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. N.L.E.M. Bynoe te Rotterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende [plaatsnaam],

verweerder,

verzoeker in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. W.H.N.C. van Beek te Ulvenhout.

Partijen worden hierna “Maas en Kleiberg” en “[verweerder]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift met producties, ontvangen op 3 januari 2018;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende vorderingen als bedoeld in artikel 7:868a lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW), met producties;

  • -

    de producties 27 en 28 aan de zijde van Maas en Kleiberg;

  • -

    de pleitaantekeningen aan de zijde van Maas en Kleiberg;

  • -

    de aantekeningen voor de mondelinge behandeling van [verweerder].

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op vrijdag 19 januari 2018. De zaak is gelijktijdig behandeld met het kort geding tussen [verweerder] als eiser en Maas en Kleiberg als gedaagde bekend onder zaaknummer 6547443 VV EXPL 17-539. Namens Maas en Kleiberg zijn verschenen [M.] en [K.], directeur-aandeelhouders, bijgestaan door de gemachtigde mr. N.L.E.M. Bynoe. [verweerder] is verschenen, bijgestaan de door zijn gemachtigde mr. W.H.N.C. van Beek. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

1.2

De kantonrechter heeft de datum voor deze uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[verweerder], geboren op [geboortedatum] 1959, is op 1 januari 2016 bij Maas en Kleiberg voor onbepaalde tijd in dienst getreden in de functie van senior salesconsultant met een salaris van laatstelijk €2.950,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten bij een arbeidsduur van (gemiddeld) 40 uur per week.

2.2

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is in artikel 7 een bonusregeling, gebaseerd op het behalen van targets, neergelegd.

2.3

Op 1 februari 2017 heeft Maas en Kleiberg aan [verweerder] onder meer het volgende geschreven:

“(…) U heeft bij Maas & Kleiberg verzocht om een wijziging door te voeren in uw arbeidsvoorwaarden. Ondanks het niet behalen van de doelstelling willen wij u tegemoetkomen en is het management van Maas & Kleiberg akkoord met het wijzigen van de arbeidsvoorwaarden. De volgende wijzigingen gaan per 1 februari 2017 in:

Vast salaris wordt verhoogd naar € 2.950 bruto per maand;

De bonus per nieuw contract/account (excl. aanpalende BV’s uit dezelfde concernstructuur/ management BV’s etc.) bedraagt € 200:

Bovenstaande bonus wordt verlaagd naar € 100 indien het een contract betreft zonder abonnement en verhoogd naar € 300 bij een subsidieabonnement van € 1250 + WBSO (…)

2.4

Op 31 maart 2017 is door Maas en Kleiberg aan [verweerder] een formele waarschuwing gegeven in verband met het niet naleven van instructies in het kader van het salesproces van Maas en Kleiberg.

2.5

Op 18 oktober 2017 heeft Maas en Kleiberg [verweerder] een tweede officiële waarschuwing gegeven in verband met het zich negatief uitlaten tegenover andere medewerkers over een met Maas en Kleiberg gevoerd gesprek op 27 september 2017.

2.6

In het gespreksverslag van het gesprek dat op 30 oktober 2017 tussen de heer [M.] en [verweerder] plaatsvond over het functioneren van [verweerder] is, onder meer, het volgende opgenomen:

“(…) Na het gesprek heeft Rene Willem nog gesproken waarbij door Rene gevraagd werd om de laptop en telefoon in het kantoor achter te laten. In het gesprek gaf Rene aan dat hij al 1,5 jaar gesprekken met het management, leveranciers en medewerkers opneemt en dat hij daarin relevante informatie heeft verzameld voor een eventuele rechtszaak met M&K. (…)

Willem was erg verbaasd maar blijkbaar is er een diep wantrouwen van Rene richting M&K en andere partijen. Gezien het lange tijdsbestek waarbinnen Rene zich hier mee bezighoudt, en het feit dat Rene niet slechts gesprekken met het management maar ook, zonder hun medeweten, gesprekken met medewerkers en andere partijen opneemt, ziet M&K dit als een grove inbreuk op de privacy van alle betrokkenen. Dit is voor ons een ernstig feit en we beraden ons op maatregelen.(…)”

2.7

Op 3 november 2017 heeft Maas en Kleiberg aan [verweerder] het volgende, voor zover hier van belang, geschreven:

“(…) Deze brief is een schriftelijke bevestiging van uw schorsing per 3 november 2017. Deze schorsing is het gevolg van uw gedragingen jegens de werkgevers, medewerkers en andere stakeholders van M&K, specifiek het opnemen van gesprekken. Gezien het lange tijdsbestek waarbinnen u zich hier mee bezighoudt, en het feit dat u niet slechts gesprekken met het management maar ook, zonder hun medeweten, gesprekken met medewerkers en andere partijen opneemt, ziet M&K dit als een grove inbreuk op de privacy van alle betrokkenen. Dit is reeds aan u gecommuniceerd op donderdag 2 november. (…)

De schorsing zal voorlopig duren tot 9 november. Tevens hebben wij u de mogelijkheid geboden om overeenstemming met ons te bereiken over uitdiensttreding en de voorwaarden die hierbij horen. Tijdens de schorsing zal uw salaris worden doorbetaald met uitzondering van eventuele toeslagen, onkostenvergoedingen en dergelijke. (…)

2.8

Op 8 november 2017 heeft [verweerder] schriftelijk gereageerd op de brief van

3 november 2017 van Maas en Kleiberg. Hij heeft het volgende, voor zover hier van belang, geschreven:

“(…) Sinds 1 januari 2016 ben ik in dienst bij Maas & Kleiberg Subsidieadvies B.V. met veel plezier en passie vervul ik deze functie. Ook in de toekomst wens ik mijn werkzaamheden voor Maas en Kleiberg Subsidieadvies B.V. voort te zetten. Dat ik op 3 november 2017 van u een brief heb ontvangen met de mededeling dat er een schorsing plaatsvindt, verbaasd mij ten zeerste en betreurt mij enorm. Er bestaat rechtens geen enkele grond voor deze schorsing. (…)

[verweerder] heeft verder gevraagd de schorsing op te heffen, een rectificatiebericht aan het personeel te sturen, zijn salaris inclusief emolumenten waaronder bonus en onkostenvergoeding vanaf 3 november 2017 uit te betalen en hij heeft zich beschikbaar gehouden voor werk.

2.9

Op 17 november 2017 heeft [verweerder] aan de gemachtigde van Maas en Kleiberg,

mr. N.L.E.M. Bynoe, een e-mail gestuurd. Hij heeft onder meer geschreven:

“(…) Mijn juristen en een advocaat zijn tot de conclusie gekomen dat ik zeer sterk sta als Maas & Kleiberg een ontbindingsverzoek indient op basis van disfunctioneren of mogelijk verstoorde arbeidsverhouding. Er is een groot dossier aanwezig van opgenomen gesprekken. (…) De opgenomen gesprekken zijn uitsluitend met de directie van Maas & Kleiberg en dat is geen ontoelaatbare inbreuk op de privacy van de werkgever. De opnames zijn niet openbaar gemaakt maar zullen als bewijslast opgevoerd worden bij de rechter. (…)”

2.10

Partijen hebben gesproken over een beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden door een vaststellingsovereenkomst, maar hebben geen overeenstemming kunnen bereiken.

2.11

Op 27 november 2017 heeft [verweerder] zich ziek gemeld. De bedrijfsarts achtte [verweerder] met ingang van 12 december 2017 volledig geschikt voor eigen werk en heeft partijen geadviseerd een mediator in te schakelen. De schorsing is gehandhaafd door Maas en Kleiberg.

2.12

Partijen hebben een gesprek gehad met een mediator maar dit heeft niet tot positieve resultaten geleid.

3 Het verzoek

3.1

Maas en Kleiberg verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op grond van artikel 7:671b Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 7:699 lid 1 en lid 3 sub g BW en subsidiair op grond van artikel 7:671b BW jo. artikel 7:699 lid 3 sub d BW. Aan haar verzoek legt Maas en Kleiberg ten grondslag dat de arbeidsrelatie met [verweerder] is verstoord. [verweerder] heeft meer dan een jaar heimelijk gesprekken opgenomen met Maas en Kleiberg, medewerkers van Maas en Kleiberg en andere relaties van Maas en Kleiberg met het oog op een eventuele rechtszaak. [verweerder] is het vertrouwen in Maas en Kleiberg kennelijk al geruime tijd kwijt. Hij heeft hierover nooit gesproken met Maas en Kleiberg. Na ontvangst van de schorsingsbrief heeft [verweerder] zijn verklaring bijgedraaid en zou hij alleen gesprekken met het management hebben opgenomen. Of [verweerder] nu werkelijk al die tijd allerhande gesprekken heeft opgenomen of dat het gewoon bluf is geweest maakt echter niet uit en dat hoeft Maas en Kleiberg ook niet uit te zoeken. Hij heeft die mededeling aan Maas en Kleiberg gedaan en zij heeft hem geloofd. [verweerder] liet ook weten niet te stoppen met de opnames en heeft verder geen informatie willen prijsgeven. [verweerder] heeft ongeoorloofde inbreuk gemaakt op de privacy van betrokkenen. Het heimelijke opnemen is voor Maas en Kleiberg aanleiding geweest [verweerder] te schorsen. Partijen hebben aanvankelijk geprobeerd in overleg de arbeidsovereenkomst te beëindigen maar dat is niet gelukt. Vervolgens hebben partijen een mediator ingeschakeld maar dat is niet succesvol geweest. Nu de arbeidsrelatie onherstelbaar is verstoord dient de arbeidsovereenkomst te worden ontbonden.

3.2

Maas en Kleiberg stelt zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van disfunctioneren. Al in de eerste drie maanden van het dienstverband is [verweerder] erop gewezen dat hij zijn targets niet haalde. Er zijn vervolgens steeds afspraken met [verweerder] gemaakt over zijn functioneren. Zijn targets zijn bijgesteld terwijl wel aan [verweerder] tegemoet is gekomen door zijn basissalaris te verhogen. [verweerder] heeft voldoende tijd gehad om zijn functioneren te verbeteren. Dit heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid. De incidenten stapelden zich juist op en er zijn twee officiële waarschuwingen gegeven. Van Maas en Kleiberg kan dan ook niet worden verwacht dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] nog langer voortzet.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek van Maas en Kleiberg. Subsidiair, in het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst mocht ontbinden, verzoekt [verweerder] de kantonrechter te bepalen dat aan [verweerder] de transitievergoeding toekomt en een billijke vergoeding van € 150.000,- bruto.

4.2

Op de afzonderlijke verweren van [verweerder] wordt hierna onder de beoordeling ingegaan.

4.3

[verweerder] heeft verder bij zelfstandig tegenverzoek een aantal vorderingen als bedoeld in artikel 7:686 lid 3 BW ingesteld. Ook deze vorderingen en het verweer zullen hierna onder de beoordeling nader worden besproken.

5 De beoordeling van het verzoek

Ontbinding arbeidsovereenkomst

5.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden moet worden. In geval van ontbinding moet ook beoordeeld worden of aan [verweerder] een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding toegekend dient te worden.

5.2

Vooropgesteld wordt dat uit 7:671b BW in samenhang met art. 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen ontbonden kan worden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld.

5.3

Vastgesteld wordt dat geen sprake is van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of een vergelijkbaar opzegverbod.

Redelijke grond

5.4

Uit artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW volgt dat van een redelijke grond sprake is in geval van een verstoorde arbeidsverhouding zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.5

Voor Maas en Kleiberg heeft de bekentenis van [verweerder] dat hij al meer dan een jaar allerlei gesprekken opneemt geleid tot de schorsing van [verweerder] en uiteindelijk de conclusie dat de arbeidsrelatie is verstoord. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie is van belang dat de verstoring ernstig en duurzaam is en dat de verstoorde arbeidsrelatie niet moet zijn veroorzaakt door (het gedrag van) de werkgever. Tegen deze achtergrond overweegt de kantonrechter als volgt.

5.6

Op grond van artikel 139a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is het stiekem maken van geluidsopnames van een gesprek alleen dan strafbaar, als de persoon die de opnames maakt zelf geen deelnemer is aan het gesprek. Een werknemer hoeft dus geen toestemming te vragen om een gesprek op te nemen en hoeft dit ook niet vooraf aan de werkgever, andere werknemers of relaties van de werkgever aan te kondigen. Voorwaarde is dus wel dat de werknemer zelf deelnemer is aan het gesprek. In strafrechtelijke zin heeft [verweerder] dus niks verkeerd gedaan. Dit betekent echter nog niet dat het gedrag van [verweerder] in de verhouding tussen werkgever en werknemer niet kan leiden tot een verstoring van die relatie. Hetzelfde geldt voor de schending van de privacy van de werkgever, andere werknemers en zakenrelaties. Nu niet is gebleken dat [verweerder] de opnames heeft geopenbaard of op enigerlei wijze daarvan misbruik heeft gemaakt en zelfs de opnames in de onderhavige procedure niet heeft gebuikt kan niet gezegd worden dat de privacy van betrokkenen is door hem is geschonden. Dit zegt echter niets over de invloed van dergelijk gedrag op het onderlinge vertrouwen tussen werkgever en werknemer.

5.7

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] het opnemen van de gesprekken ingezet als dreigmiddel jegens zijn werkgever. Hij heeft hiermee Maas en Kleiberg laten weten dat hij haar al langere tijd niet vertrouwt en dat hij verwachtte op enig moment in een rechtszaak met haar te zullen belanden. Hij was dus als het ware al langere tijd bezig een dossier op te bouwen. Dat [verweerder] later zijn verklaring heeft bijgesteld, in die zin dat hij alleen gesprekken met het management heeft opgenomen doet hier niet aan af. Maas en Kleiberg kan niet achterhalen welke verklaring juist is. Zij heeft immers geen kennis van de inhoud van de opnames, maar zij had geen enkele reden om te twijfelen aan de eerste verklaring van [verweerder]. [verweerder] heeft dit uit zichzelf op tafel gegooid en hij heeft tijdens de mondelinge behandeling ook erkend dat hij het zo heeft gezegd. [verweerder] heeft betoogd dat hij dit uit frustratie heeft geroepen maar zo heeft hij dit achteraf niet gecommuniceerd naar Maas en Kleiberg. Hij heeft geen excuses aangeboden voor het dreigement noch heeft hij zijn dreigement volledig herroepen. Hij heeft alleen zijn verklaring bijgesteld. Dat maakt het in zijn ogen blijkbaar minder ernstig maar ook als hij alleen de gesprekken met het management al gedurende meer dan een jaar opneemt getuigt dat van een grote mate van wantrouwen jegens Maas en Kleiberg zonder daar ook maar op enig moment melding van die gevoelens te maken. In de brief van 17 november 2017 herhaalt hij overigens zijn dreigement dat hij een groot dossier heeft opgebouwd en dat de opnames als bewijs zullen worden opgevoerd bij de rechter. [verweerder] gooit daarmee nog eens olie op het vuur.

5.8

Hoewel [verweerder] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij nog wel bij Maas en Kleiberg kan werken - hij heeft in kort geding ook wedertewerkstelling gevorderd - heeft hij tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij zich “besodemieterd” voelt door Maas en Kleiberg. Indien daarbij wordt opgeteld het langdurige opnemen van de gesprekken dan kan niet anders worden geconcludeerd dan dat ook aan de zijde van [verweerder] geen vertrouwen bestaat in een vruchtbare voortzetting van het dienstverband.

Partijen hebben nog getracht door mediation nader tot elkaar te komen maar dit heeft geen vruchten afgeworpen. Dat beide partijen vraagtekens zetten bij de serieuze bedoelingen van de ander bij mediation onderstreept eens te meer dat partijen het vertrouwen in elkaar zijn verloren. Dat mediation niet tot enig resultaat heeft geleid is dus niet verwonderlijk.

5.9

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat sprake is van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie waarbij mede in aanmerking is genomen dat al twee officiële waarschuwingen aan [verweerder] zijn gegeven in verband met zijn gedrag ten opzichte van het management en andere medewerkers.

5.9

Gelet op de verstoorde arbeidsrelatie ligt herplaatsing binnen Maas en Kleiberg niet in de rede.

5.10

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat voldoende is komen vast te staan dat de arbeidsverhouding is verstoord en dat geen mogelijkheid is tot herplaatsing. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen Maas en Kleiberg en [verweerder] wordt dan ook toegewezen op de “g-grond”. Hetgeen subsidiair aan het verzoek tot ontbinding ten grondslag is gelegd hoeft dan ook geen bespreking meer.

Datum einde arbeidsovereenkomst

5.11

Vervolgens dient te worden beoordeeld tegen welke datum de arbeidsovereenkomst behoort te eindigen. Gelet op de duur van het dienstverband bedraagt de in acht te nemen wettelijke opzegtermijn een maand. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 onder a BW (bij de aftrek doorlooptijd procedure is rekening gehouden met de datum indiening bij de rechtbank Den Bosch 29 december 2017) brengt dit met zich dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2018 zal worden ontbonden.

Transitievergoeding

5.12

Voor het geval de ontbinding wordt uitgesproken heeft [verweerder] aanspraak gemaakt op de wettelijke transitievergoeding. Maas en Kleiberg heeft deze aanspraak niet betwist maar betwist wel de hoogte van de gevorderde transitievergoeding. [verweerder] is uitgegaan van een transitievergoeding waarbij rekening is gehouden met de gemiddelde uitbetaalde bonussen over het hele dienstverband maar volgens Maas en Kleiberg staat dat bedrag helemaal niet vast.

Bij de vaststelling van de transitievergoeding is van belang of [verweerder] recht heeft op de betaling van bonus tijdens de schorsing en ook of hij aanspraak kan maken op € 2.500,- bruto in verband met nog gerealiseerde contracten. Partijen verschillen hierover van mening. Hierna onder de beoordeling van de vorderingen in het tegenverzoek zal daarop worden ingegaan zodat daarna kan worden vastgesteld hoe hoog de transitievergoeding dient te bedragen.

Billijke vergoeding

5.13

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] ten laste van Maas en Kleiberg een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671, lid 8, aanhef en onder c BW toe te kennen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

Zoals hiervoor overwogen is de verstoring van de arbeidsrelatie in overwegende mate te wijten aan [verweerder] zodat van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Maas en Kleiberg geen sprake is. Dat zij bewust en zonder gegronde reden heeft aangestuurd op een einde van het dienstverband zoals door [verweerder] is betoogd, is in elk geval onvoldoende gebleken. Andere omstandigheden zijn door [verweerder] niet gesteld.

6 De beoordeling van het tegenverzoek

6.1

[verweerder] heeft bij het tegenverzoek een aantal vorderingen ingediend. Hierna zullen de vorderingen puntsgewijs, voor zover die niet reeds door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst of de uitspraak in kort geding zijn komen te vervallen, worden besproken.

Verdiende bonus over geboekte overeenkomsten

6.2

[verweerder] vordert betaling van bonus over contracten die nog op zijn conto moeten worden bijgeschreven omdat die als gevolg van zijn werkzaamheden kort voor de schorsing zijn gerealiseerd. Het gaat volgens [verweerder] om een bedrag van € 2.500,- bruto. [verweerder] heeft dit echter onvoldoende onderbouwd. Hij heeft een aantal namen genoemd maar Maas en Kleiberg heeft tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist waarom [verweerder] voor die contracten geen recht op bonus toekomt. In de meeste gevallen betrof het een verlenging van het contract. Overigens is de vordering ook in cijfermatige zin slechts summier onderbouwd en betreft het een schatting. Het gevorderde bedrag van

€ 2.500,- bruto wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Gemiddelde bonus tijdens periode schorsing

6.3

Een schorsing of non-actiefstelling ligt in de risicosfeer van de werkgever en is een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen in de zin van artikel 7:628 lid 1 BW. Dat is ook het geval indien de werkgever gegronde redenen had om de werknemer te schorsen of op non-actief te stellen en de schorsing of op non-actiefstelling aan de werknemer zelf is te wijten. (HR 21 maart 2003, NJ 2007/332, JAR 2003/91 (Van der Gulik/Vissers & Partners). Gelet hierop was Maas en Kleiberg dus ook gehouden het loon te betalen. Maas en Kleiberg heeft dat ook gedaan voor zover dat het vaste loon betreft. Onder loon wordt in het geval de oorzaak van het niet verrichten van de arbeid voor rekening van de werkgever komt - gelet op het bepaalde in artikel 7:628 lid 3 BW - ook het loon in geld dat op andere wijze dan naar tijdruimte wordt vastgesteld verstaan (zie bijvoorbeeld Hof Den Bosch, 19 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1792). Een bonusregeling komt daarvoor dus in aanmerking. [verweerder] heeft gedurende de schorsing tot aan het einde van het dienstverband maandelijks dan ook recht op de gemiddelde bonus per maand in 2017. Het gaat om een bedrag van € 830,- bruto per maand. [verweerder] heeft nog betoogd dat het gemiddelde over het hele dienstverband moet worden genomen. Nu echter de businesscase in 2017 is gewijzigd en het vaste loon van [verweerder] in 2017 is verhoogd, ligt dat niet in de rede. Dat zou immers leiden tot een hoger bedrag dan hij in de voorliggende periode gemiddeld heeft verdiend en niet waarschijnlijk is dat hij in werkelijkheid een hoger bedrag zou hebben gekregen. [verweerder] heeft in de periode van schorsing tot aan het einde van het dienstverband dan ook recht op € 830,- bruto per maand aan bonus naast het vaste loon.

Schadevergoeding leasekosten

6.4

[verweerder] heeft om hem moverende redenen gekozen voor een privéleaseregeling met een kilometervergoeding van Maas en Kleiberg. Nu hij al sinds 3 november 2017 geen werkzaamheden verricht komen de kosten van de leaseauto geheel voor zijn rekening. Hij ontvangt immers geen kostendekkende kilometervergoeding meer, aldus [verweerder]. De leasekosten bedragen € 880,- netto per maand. [verweerder] vordert een schadevergoeding van € 880,- maal negen maanden omdat hij de leaseauto privé moet blijven betalen.

6.5

Naar het oordeel van de kantonrechter dient dit deel van de vordering te worden afgewezen wegens het ontbreken van een deugdelijke grondslag. Voor een aanspraak op schadevergoeding dient sprake te zijn van onrechtmatig handelen of wanprestatie aan de zijde van Maas en Kleiberg. Voor zover [verweerder] bedoeld heeft dat de schorsing onrechtmatig is geweest kan dat geen stand houden nu immers is geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op grond van dezelfde feiten en omstandigheden die aan de schorsing ten grondslag zijn gelegd. Er bestond dan ook aanleiding voor de schorsing. Overigens heeft [verweerder] bij aanvang van het dienstverband zelf gekozen, en opnieuw in juni 2016, voor een privéleaseregeling met een kilometervergoeding. De bijbehorende risico’s, zoals bijvoorbeeld het niet kunnen verrichten van arbeid wegens arbeidsongeschiktheid en verlies van baan, worden geacht te zijn meegewogen bij zijn keuze, maar blijven in elk geval voor zijn rekening.

Hoogte transitievergoeding

6.6

De transitievergoeding wordt vastgesteld op het door [verweerder] gevorderde bedrag van € 2.972,67 bruto. Indien uitgegaan wordt van een gemiddelde bonus vanaf november 2017 tot einde dienstverband van € 830,- bruto dan bedraagt de gemiddelde bonus over het gehele dienstverband van € 1.191,- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). De transitievergoeding zou dan uitkomen op een bedrag van € 2.981,52 bruto en bedraagt dus enkele euro’s meer dan het bedrag dat door [verweerder] is gevorderd. Nu niet meer kan worden toegewezen dan gevorderd wordt een bedrag toegewezen van € 2.972,67 bruto als genoemd.

Relatiebeding

6.7

In artikel 19 van de arbeidsovereenkomst is een relatiebeding opgenomen. Het beding

luidt:

“a. Het is de werknemer verboden om zonder uitdrukkelijke toestemming van de werkgever binnen 2 jaar na het feitelijke einde van de dienstbetrekking in zelfstandig beroep, in dienstbetrekking of anderszins direct of indirect werkzaamheden te verrichten voor cliënten van de werkgever, ongeacht het geografisch gebied, die ten tijde van beëindiging van de dienstbetrekking of in een periode één jaar voorafgaand aan de beëindiging van de dienstbetrekking, cliënt waren van de werkgever en waarvoor de werknemer direct werkzaamheden heeft verricht.

(…)”

6.8

Door Maas en Kleiberg is erkend dat het concurrentiebeding als opgenomen in artikel 20

van de arbeidsovereenkomst is komen te vervallen. [verweerder] is van mening dat dit ook voor het relatiebeding heeft te gelden op grond van artikel 20 sub a van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter volgt [verweerder] hierin niet. Niet valt in te zien waarom een bepaling met betrekking tot het concurrentiebeding mede betrekking heeft op het relatiebeding. Indien Maas en Kleiberg eveneens in die mogelijkheid had willen voorzien voor het relatiebeding dan had dat in artikel 19 opgenomen moeten zijn geweest. Dat zulks de bedoeling van partijen is geweest is evenmin gebleken. Uit de e-mail van 26 november 2015 die [H.] van Maas en Kleiberg in het kader van de onderhandelingen over de arbeidsovereenkomst aan [verweerder] heeft gestuurd blijkt juist dat uitdrukkelijk is overeengekomen dat het relatiebeding bij einde van de arbeidsovereenkomst in stand zal blijven.

6.9

Een relatiebeding moet voldoen aan het bepaalde in artikel 7:653 lid 1 BW. In dit geval

is voldaan aan de voorwaarden die daarin worden genoemd. Verder is het relatiebeding naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk en laat geen ruimte voor discussie. Het gaat om cliënten - zonder geografische beperking - die ten tijde van het einde van het dienstverband van [verweerder] of een periode van één jaar daaraan voorafgaand, cliënt waren van Maas en Kleiberg én waarvoor [verweerder] direct werkzaamheden heeft verricht. Het gaat dus om klanten van Maas en Kleiberg die gelet op de datum einde dienstverband klant waren in de periode van 1 april 2017 tot 1 april 2018 en waarvoor [verweerder] direct werkzaamheden heeft verricht. Dit is door Maas en Kleiberg als zodanig ook niet betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] verklaard dat het relatiebeding in stand kan blijven als het helder is dat het relatiebeding daarop ziet. [verweerder] heeft dan ook geen belang meer bij de gevorderde verklaring voor recht. Van een beperking of gedeeltelijke vernietiging van het beding is immers geen sprake.

Kosten rechtsbijstand

6.10

De kantonrechter wijst de door [verweerder] gevorderde vergoeding voor de gemaakte kosten voor rechtsbijstand af. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt afgeweken van liquidatietarief en is plaats voor toewijzing van de volledige juridische kosten. Dit kan zich voordoen wanneer een partij misbruik van procesrecht maakt of onrechtmatig handelt door een procedure te starten. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.

in het verzoek en het tegenverzoek

6.11

De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

7 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2018;

kent aan [verweerder] ten laste van Maas en Kleiberg een transitievergoeding toe van

€ 2.972,67 bruto en veroordeelt Maas en Kleiberg om die vergoeding aan [verweerder] uiterlijk op 1 mei 2018 te betalen;

veroordeelt Maas en Kleiberg om aan [verweerder], naast het vaste loon, te betalen een bedrag van € 830,- bruto per maand bij wijze bonus vanaf dat de datum van schorsing, zijnde 3 november 2017, tot aan het einde van het dienstverband;

compenseert de proceskosten in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt;


wijst af het méér of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Steenderen-Koornneef en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

540