Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:11459

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
10/810033-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting, poging brandstichting en vernieling.

Oordeel dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is.

Ontslag van rechtsvervolging, plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis gedurende 1 jaar.

Maatregel beperking van de vrijheid gedurende 5 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/810033-18

Datum uitspraak: 30 mei 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiair Psychisch Centrum Haaglanden, locatie Scheveningen,

raadsvrouw mr. K.M. Bal, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 mei 2018.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Pieters heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, feit 4 en feit 5 primair;

  • -

    ontslag van alle rechtsvervolging en plaatsing van de verdachte in een forensisch psychiatrische kliniek voor de termijn van één jaar;

  • -

    oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een contactverbod met de familie [naam familie] voor de duur van vijf jaar. Bij overtreding van dat verbod dient er (telkens) twee weken hechtenis te worden toegepast, met een maximum van zes maanden.

Waardering van het bewijs

1. Inleiding

Het gaat in deze zaak om twee gevallen van brandstichting en drie gevallen van beschadiging/vernieling in Capelle aan den IJssel in de periode van 6 juli 2017 tot en met

15 januari 2018.

2. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de (primair) ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft zich ten aanzien van de brandstichting van de Volkswagen Polo (feit 2) gerefereerd. Ten aanzien van de overige feiten heeft zij - samengevat - aangevoerd dat de feiten niet bewezen kunnen worden verklaard omdat de verdachte iedere betrokkenheid ontkent en er onvoldoende bewijs is om hem aan die feiten te linken.

3. Beoordeling

3.1

Inleiding

Het gezin [naam gezin] , bestaande uit het echtpaar [naam familie] en hun dochter, woont in de aaneengeschakelde huizen gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] te Capelle aan den IJssel. Gedurende een periode van een bijna een half jaar zijn zij het slachtoffer geworden van meerdere incidenten. Zo zijn auto’s flink beschadigd, is graffiti op de woning gespoten en is meermalen brand gesticht.

Allereerst zal worden onderzocht hoe deze incidenten juridisch gezien moeten worden geduid.

3.2

Duiding van de feiten

Feit 5

Het begint op 6 juli 2017 met het inslaan van de ruit van de auto van de heer [naam slachtoffer 1] . Het echtpaar hoort de klappen en zien de mannelijke dader weglopen. In de auto wordt een rol wc-papier aangetroffen met daarop roetsporen. Bij gebrek aan overige bewijsmiddelen, meer in het bijzonder van bijvoorbeeld een forensische rapportage, kan niet worden vastgesteld dat sprake zou zijn geweest van brandstichting. Wel kan uit de bewijsmiddelen worden opgemaakt dat de auto is beschadigd.

Feit 4

Op 20 juli 2017 kwam [naam slachtoffer 1] bij zijn auto die geparkeerd stond op het erf van de woning aan de [adres 1] te Capelle aan den IJssel en zag dat zijn auto was besmeurd met lichtblauwe verf. Hieruit volgt dat sprake is van beschadiging van die auto.

Feit 3

In de nacht van 31 juli op 1 augustus 2017 zijn vernielingen aan de woning van [naam slachtoffer 2] gepleegd. Zij merkte op 1 augustus 2017 dat er graffiti was aangebracht op de muur, brievenbus en voordeur van de woning aan de [adres 2] te Capelle aan den IJsel. Uit de bewijsmiddelen kan daarom worden afgeleid dat de woning is beschadigd.

Feit 2
In de nacht van 3 op 4 januari 2018 is omstreeks 01.50 uur brand gesticht in de auto van

[naam slachtoffer 2] van het merk Volkswagen Polo die geparkeerd stond op het erf van de woning aan de [adres 2] te Capelle aan den IJssel. Zij en haar echtgenoot schrokken wakker van een autoalarm en zagen vanuit het slaapkamerraam de auto in brand staan. Op de foto’s die zijn gemaakt van beelden van de beveiligingscamera is zichtbaar dat zich in de directe nabijheid van de brandende auto diverse goederen bevonden waaronder een heg, waardoor gemeen gevaar voor goederen is ontstaan.

Feit 1

In de nacht van 14 op 15 januari 2018 is omstreeks 01.50 uur brand gesticht bij de woning van [naam slachtoffer 1] aan de [adres 2] te Capelle aan den IJssel waar zijn dochter [naam slachtoffer 3] op dat moment lag te slapen. [naam slachtoffer 1] werd gealarmeerd omdat hij een klap hoorde. Toen hij bij de voordeur van [adres 2] kwam, rook hij een penetrante geur van wasbenzine. Toen hij opendeed, zag hij dat de deurmat buiten in brand stond, dat er een gat in het sierglas van de voordeur zat, maar niet in het dikkere glas erachter en dat verder op het erf een zekeringsstop lag die eerder ook in de Volkswagen Polo was aangetroffen. Op de mat lag een brandende toorts. Hoewel het vermoeden bestaat dat de dader de bedoeling had met de zekeringsstop een gat in de voordeur te slaan en de brandende toorts daardoor naar binnen te gooien, is de brand tijdig ontdekt waardoor het ‘slechts’ bij een brandende deurmat is gebleven. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voorhanden dat de woning in brand had kunnen geraken. Dat maakt dat, anders dan de officier van justitie ter zitting heeft bepleit, het bij een poging tot brandstichting is gebleven.

3.3.

Zijn de feiten door dezelfde persoon gepleegd?

Uit de stukken in het dossier blijkt dat bij beide brandstichtingen (feit 1 en 2) een soort toorts is gebruikt, zekeringsstoppen zijn aangetroffen en de geur van een brand versnellende stof is geroken. De heer [naam slachtoffer 1] heeft daaromtrent bij de politie verklaard dat hij op de bewegende beelden van de beveiligingscamera heeft gezien aan de manier van lopen en handelen van de dader dat het om dezelfde persoon gaat. Mevrouw [naam slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat zij op de beelden van de beveiligingscamera zag dat de dader een lange slanke man is, dat hij ongeveer 1.80 à 1.90 meter is en dat hij een donkere jas met capuchon en sneakers droeg.

Uit de stukken met betrekking tot de beschadigingen (feit 3 en 4) blijkt dat de teksten op de muur van de woning aan de [adres 2] te Capelle aan den IJssel en de teksten op de auto van de heer [naam slachtoffer 1] met elkaar overeenkomen in die zin dat op de muur het woord ‘ANON’ met daaronder een smiley is aangebracht en dat op een plek van de auto het woord ‘ANNONYMOUS’ en op een andere plek van de auto een smiley is aangebracht in eenzelfde soort handschrift. Daarbij is dezelfde kleur verf - lichtblauw - gebruikt. [naam slachtoffer 2] heeft met betrekking tot de graffiti bij de politie verklaard dat zij op de bewakingsbeelden zag dat de dader heel lang is.

Met betrekking tot de vernieling aan de auto van de heer [naam slachtoffer 1] (feit 5) blijkt uit de stukken dat de echtgenote van [naam slachtoffer 1] uit het slaapkamerraam een lange slanke jongeman naast de auto zag staan.

Ter zitting zijn genoemde camerabeelden besproken. Daarop is steeds een lange man te zien die donkere kleding met capuchon draagt en schoenen aan heeft met witte strepen en een witte zool.

Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, leidt tot de conclusie dat al deze feiten door een en dezelfde persoon zijn begaan. Er zijn geen aanwijzingen voorhanden dat het zou gaan om wisselende daders. Kennelijk zijn de feiten begaan door iemand die het gemunt heeft op dit specifieke gezin.

3.4

Is de verdachte de dader?

Op 21 januari 2018 omstreeks 02.20 uur wordt de verdachte met een bivakmuts op aangetroffen en vervolgens aangehouden bij de woning aan de [adres 2] door [naam familielid] , een familielid van de heer [naam slachtoffer 1] , die daar aan het posten was. Hij heeft de verdachte in bedwang gehouden totdat de politie was gearriveerd. Deze [naam familielid] verklaarde dat hij een lange slanke man zag fietsen met een bivakmuts op, dat deze stopte bij de woning aan de [adres 2] en om zich heen keek. Omdat hij weet dat de dader van de eerdere incidenten ook lang en slank is en de verdachte wilde wegfietsen toen hij werd aangesproken, is [naam familielid] bovenop de verdachte gesprongen. Deze riep: Anonymous, Anonymous. Je weet niet waar dit over gaat. Anonymous, Anonymous.’’ De verdachte heeft geen logische - en daarmee mogelijk voor hem ontlastende verklaring - kunnen afleggen omtrent de redenen van zijn aanwezigheid op dat adres. Opvallend is ook het tijdstip. Alle aan de orde zijnde feiten zijn in de (diep)nachtelijke uren gepleegd.

Na de aanhouding van de verdachte zijn foto’s van zijn kleding genomen waaruit blijkt dat de verdachte een zwarte jas met capuchon droeg en donkere schoenen met witte strepen en een witte zool, net zoals de man op de camerabeelden. De verdachte heeft daarnaast op de zitting verklaard dat hij 2.10m lang is, wat hem bovengemiddeld lang maakt.

Bij onderzoek op de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte zijn twee foto’s aangetroffen met daarop de namen [naam 1] en [naam 2] en een foto van de voordeur van de woning van het gezin [naam gezin] . De verdachte heeft voor de aanwezigheid van die foto’s op zijn telefoon geen (aannemelijke) verklaring gegeven.

Op 23 januari 2018 heeft de politie de woning van de verdachte doorzocht. Daarbij zijn een blik lichtblauwe verf aangetroffen, zekeringsstoppen en handgeschreven brieven.

De verdachte heeft zelf het jegens hem meest belastende bewijs opgesteld. Het gaat dan om een handgeschreven brief, gericht aan de familie [naam familie] . In die brief geeft hij toe hun auto in brand te hebben gestoken. Hij omschrijft daarbij ook zijn motief, het gaat om een oorlog welke vooral gericht is tegen hun zoon. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij die zoon, [naam 1] , ervan verdacht dat deze op enige wijze bij de groep Anonymous betrokken was. Naar zijn eigen zeggen was [naam 1] of zijn familie de kortste schakel om de groep te raken die hem in de gaten hield. De verklaring van de verdachte dat de brief slechts was bedoeld om een reactie van Anonymous uit te lokken en dus niet als een bekentenis kan worden beschouwd, is volstrekt onaannemelijk en kan hem niet baten. [naam 1] is in de wereld van on-line gaming een ware beroemdheid en heeft meerdere kampioenstitels op zijn naam staan. De verdachte, zelf obsessief gamer, heeft erkend dat hij bewust op zoek is gegaan naar deze jongen en via openbare bronnen zijn (voormalige) woonplaats heeft achterhaald. Dat is het adres alwaar de feiten allemaal zijn begaan.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en geplaatst tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor ten aanzien van de persoon van de dader is vastgesteld, leiden tot de vaststelling dat het de verdachte is geweest die de hierboven geduide feiten heeft gepleegd.

Conclusie

Zoals uit het bovenstaande blijkt kunnen de feiten 1 primair en 5 primair niet worden bewezen. Vrijspraak zal volgen. De verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 15 januari 2018 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in het bedrijfspand, tevens woning van [naam slachtoffer 3] , gelegen aan de [adres 1] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten was, te weten gevaar voor dat bedrijfspand, tevens woning van [naam slachtoffer 3] , gelegen aan de [adres 1] en de in dat voornoemde pand en aanwezige goederen en levensgevaar voor [naam slachtoffer 3]

immers heeft hij, verdachte, met dat opzet

- een toorts gemaakt van een tak van een boom, met daaraan een prop van folders en kranten, omwikkeld met rood/wit afzetlint en

- toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met die toorts, en met een brandbare stof, en

- met een stop, geschikt voor een meterkast, een gat in het (sier)glas van de

voordeur van dat pand geslagen en

- gepoogd met de punt van een stop, geschikt voor een meterkast, een gat in

het dikke glas van de voordeur van dat pand te slaan en

- die toorts vlak voor de voordeur van dat pand, op de deurmat, gelegd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 4 januari 2018 te Capelle aan den IJssel opzettelijk brand heeft gesticht in een personenauto (merk Volkswagen, type Polo, kleur grijs, kenteken [kentekennummer 1] ), geparkeerd op het erf aan de [adres 2] , immers heeft verdachte

- een toorts gemaakt van een tak van een boom, omwikkeld met een doek en

- toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met die toorts,

en/ met een brandbare stof en

- met de punt van een stop, geschikt voor een meterkast, een gat in het rechter achterruitje van die auto geslagen en

- die brandende toorts door het ontstane gat in het ruitje van die auto

gegooid,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en die auto geheel is

verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor en zich in de nabijheid van die auto aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij op 1 augustus 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en wederrechtelijk het pand aan de [adres 1] , in elk geval enig goed, toebehorende aan [naam bedrijf slachtoffers] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , heeft beschadigd ;

4.

hij in de periode van 19 juli 2017 tot en met 20 juli 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Mercedes S, kleur zwart, kenteken [kentekennummer 2] ), toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , heeft beschadigd ;

5.

hij op 06 juli 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Mercedes-Benz type S 350 Bluetec, kleur zwart, kenteken [kentekennummer 2] ), toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , heeft beschadigd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1

poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is;

2

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

3

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen;

4

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen;

5

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte en de noodzaak tot oplegging van een maatregel

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie stelt dat de verdachte wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ter behandeling moet hij worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. De verdediging sluit zich hierbij aan.

Beoordeling

De verdachte is onderzocht door een psychiater en een psycholoog. De verdachte heeft meegewerkt aan deze onderzoeken. De psychiater drs. [naam psychiater] en de psycholoog [naam psycholoog] hebben op 26 maart 2018 gerapporteerd.

De bevindingen van beide deskundigen komen grotendeels overeen.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten leed de verdachte aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Deze stoornis heeft ook zijn gedragskeuzes en gedragingen op dat moment beïnvloed. Er is sprake van een paranoïde-psychotische vertekening van de realiteit. Volgens de psycholoog moet het risico als tenminste reëel worden beschouwd indien geen adequate behandeling zou plaatsvinden. Aangezien de verdachte geen ziektebesef heeft en vrijwillige hulpverlening in het verleden is afgebroken, wordt geadviseerd de verdachte op basis van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te plaatsen op een forensisch psychiatrische afdeling. Binnen dat kader is behandeling met medicatie mogelijk.

De rechtbank neemt de conclusies uit de rapporten over. De bewezen verklaarde feiten kunnen de verdachte niet worden toegerekend wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. De verdachte is dus niet strafbaar. Hij zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging zodat aan de verdachte geen straf opgelegd zal worden. Wel is de rechtbank op grond van de rapportages van de deskundigen van oordeel dat de veiligheid van de verdachte en de algemene veiligheid van goederen en personen ter voorkoming van herhaling van strafbare feiten, het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar eist. Aan de wettelijke voorwaarden zoals genoemd in artikel 37 Sr is voldaan.

De rechtbank heeft voorts het volgende in aanmerking genomen. Het verloop, het resultaat en het eventuele vervolgtraject van de in te zetten behandeling laten zich op voorhand niet voorspellen. De bewezenverklaarde feiten zijn geen op zichzelf staande incidenten, maar vormen een serie van incidenten die in relatief korte periode plaatsvond. De verdachte geeft er voorts blijk van onvoldoende inzicht te hebben in de gevolgen van zijn handelen voor zijn slachtoffers. De rechtbank zal daarom op grond van het hiervoor genoemde in onderlinge samenhang bezien, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming dat de familie [naam familie] opnieuw doelwit wordt van de verdachte aan hem een maatregel opleggen strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar, in de vorm van een contactverbod. Het recht van de verdachte op bewegingsvrijheid wordt door deze maatregel slechts in geringe mate en voor bepaalde duur beperkt en dit staat in verhouding tot de daarmee nagestreefde doelen. Om de verdachte ertoe te zetten zich aan het contactverbod te houden, zal de rechtbank bepalen dat twee weken hechtenis wordt toegepast voor elke overtreding van het contactverbod.

Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:

  • -

    [naam slachtoffer 2] . Zij vordert een vergoeding van € 514,17 aan materiële schade ter zake van brandstichting in een personenauto, Volkswagen Polo (feit 2) en een vergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade ter zake van alle tenlastegelegde feiten;

  • -

    [naam slachtoffer 1] . Hij vordert ter zake van alle tenlastegelegde feiten een vergoeding van € 864,75 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade;

  • -

    [naam slachtoffer 3] . Zij vordert ter zake van alle tenlastegelegde feiten een vergoeding van
    € 1.500,- aan immateriële schade.

Gevorderd is daarnaast steeds vergoeding van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie acht de vorderingen van de benadeelde partijen toewijsbaar, met uitzondering van de vordering van [naam slachtoffer 1] met betrekking tot de opgevoerde kosten voor het posten’.

De verdediging heeft zich gerefereerd met betrekking tot de vorderingen van [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] ter zake van materiële schade met uitzondering van de door de laatstgenoemde opgevoerde kosten voor het posten aangezien deze onvoldoende is onderbouwd. Hij dient voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging bepleit de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren dan wel de vorderingen te matigen aangezien de bewezenverklaarde feiten niet toe te rekenen zijn aan de verdachte.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door de bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht, de vorderingen genoegzaam zijn onderbouwd en de verdediging zich heeft gerefereerd, zullen deze worden toegewezen met uitzondering van de vordering van [naam slachtoffer 1] ten aanzien van de door hem opgevoerde kosten voor het ‘posten’ (bestaande uit verstrekte vergoedingen aan vrienden en familieleden die zijn woning in de nachtelijke uren in de gaten hielden). Deze is onvoldoende met verifieerbare stukken onderbouwd. Nader onderzoek naar de gegrondheid en de omvang voor dit deel van de vordering vergt een nadere mondelinge behandeling en vormt daarom een onevenredige belasting voor dit strafproces. Hij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partijen door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden begroot op € 500,- per persoon. De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vorderingen thans ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vorderingen en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van deze vorderingen een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Deze kunnen derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf 15 januari 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 37, 45, 57, 157, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 5 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van 1 (één) jaar;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

zich te onthouden van direct of indirect contact met de familie [naam familie] , gedurende vijf jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van twee weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 1.014,71 (zegge: een duizend veertien euro en eenenzeventig eurocent), bestaande uit € 514,71 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] te betalen

€ 1.014,71 (hoofdsom, zegge: een duizend veertien euro en eenenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.014,71 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van

20 dagentoepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van een bedrag van € 710,81 (zegge: zevenhonderd en tien euro en eenentachtig eurocent), bestaande uit € 210,81 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] te betalen

€ 710,81 (hoofdsom, zegge: zevenhonderdentien euro en eenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 710,81 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van

14 dagentoepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] te betalen

€ 500,- (hoofdsom, zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

15 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 500,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.W. van Lottum, voorzitter,

en mrs. J.H. Janssen en L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 mei 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 januari 2018 te Capelle aan den IJssel opzettelijk brand heeft gesticht in en/of bij het bedrijfspand, tevens woning van [naam slachtoffer 3] , gelegen aan de [adres 1] , immers heeft verdachte

- een toorts gemaakt van een tak van een boom, met daaraan een prop van folders en/of kranten, omwikkeld met rood/wit afzetlint en/of

- toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die toorts,

en/of met wasbenzine, althans met (een) brandbare stof(fen), en/of

- die toorts vlak voor de voordeur van dat pand, op de deurmat gelegd, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of die deurmat geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand, tevens woning van [naam slachtoffer 3] , gelegen aan de [adres 1] en/of de in dat voornoemde pand en/of zich in de nabijheid van dat pand en/of aangrenzende percelen aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [naam slachtoffer 3] , in elk geval een ander, te duchten was;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 januari 2018 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in en/of bij het bedrijfspand, tevens woning van [naam slachtoffer 3] , gelegen aan de [adres 1] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was, te weten gevaar voor dat bedrijfspand, tevens woning van [naam slachtoffer 3] , gelegen aan de [adres 1] en/of de in dat voornoemde pand en/of zich in de nabijheid van dat pand en/of aangrenzende

percelen aanwezige goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [naam slachtoffer 3] immers heeft hij, verdachte, met dat opzet

- een toorts gemaakt van een tak van een boom, met daaraan een prop van folders en/of kranten, omwikkeld met rood/wit afzetlint en/of

- toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die toorts, en/of met wasbenzine, althans met (een) brandbare stof(fen), en/of

- met een stop, geschikt voor een meterkast, een gat in het (sier)glas van de

voordeur van dat pand geslagen en/of

- gepoogd met de punt van een stop, geschikt voor een meterkast, een gat in

het dikke glas van de voordeur van dat pand te slaan en/of

- die toorts vlak voor de voordeur van dat pand, op de deurmat, gelegd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 4 januari 2018 te Capelle aan den IJssel opzettelijk brand heeft gesticht in een personenauto (merk Volkswagen, type Polo, kleur grijs, kenteken [kentekennummer 1] ), geparkeerd op het erf aan de [adres 2] , immers heeft verdachte

- een toorts gemaakt van een tak van een boom, omwikkeld met een doek en/of

- toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die toorts,

en/of met wasbenzine, althans met (een) brandbare stof(fen), en/of

- met de punt van een stop, geschikt voor een meterkast, een gat in het rechter achterruitje van die auto geslagen en/of

- het rechter achterruitje van die auto in gegooid en/of

- die brandende toorts door het ontstane gat in het ruitje van die auto

gegooid, althans gelegd,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of die auto geheel of gedeeltelijk is

verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en/of de in die auto

en/of zich in de nabijheid van die auto/aangrenzende percelen aanwezige

goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 januari 2018 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Volkswagen Polo, kenteken [kentekennummer 1] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 1 augustus 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en wederrechtelijk het pand aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf slachtoffers] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2017 tot en met 20 juli 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Mercedes S, kleur zwart, kenteken [kentekennummer 2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

5.

hij op of omstreeks 06 juli 2017 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een personenauto (merk Mercedes-Benz type S 350 Bluetec, kleur zwart, kenteken [kentekennummer 2] ), geparkeerd op het erf aan de [adres 2] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten gevaar voor die auto en/of de in die auto en/of zich in de nabijheid van die

auto/aangrenzende percelen aanwezige goederen, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet

- een wc-rol en/of een hamer en/of een aansteker en/of lucifers meegenomen

naar genoemd erf en/of

- toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die wc-rol, althans met (een) brandbare stof(fen), en/of

- met een hamer beide, althans een, ruit(en) aan de bestuurderszijde van die auto ingeslagen, althans beide, althans een, ruit(en) aan de bestuurderswijze van die auto vernield en/of

- die brandende wc-rol door het ontstane gat in een van die ruiten op de bestuurdersstoel van die auto gegooid, althans gelegd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 juli 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Mercedes-Benz type S 350 Bluetec, kleur zwart, kenteken [kentekennummer 2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.