Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:11383

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
C/10/555101 / JE RK 18-2339, C/10/555107 / JE RK 18-2340 & C/10/555392 / JE RK 18-2403
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

“Verzoek (voorlopige) ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing van één week oude baby. Toewijzing voor zeer korte termijn, onder bepaling nieuwe zittingsdatum. Een opname in een moeder-kindtraject moet worden gerealiseerd. De kinderrechter overweegt dat er per direct twee keer per week omgang dient te zijn tussen moeder en kind, vooraf te gaan door een urinecontrole. De kinderrechter verzoekt de Gecertificeerde Instelling een brondocument te overleggen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/555101 / JE RK 18-2339, C/10/555107 / JE RK 18-2340 &

C/10/555392 / JE RK 18-2403

datum uitspraak: 1 augustus 2018

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaken van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2018 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikkingen van de kinderrechter in deze rechtbank van 19 juli 2018 en 24 juli 2018 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de moeder, mr. S. van Beers, van 30 juli 2018;

- de door de advocaat van de moeder ter zitting overgelegde stukken.

Op 1 augustus 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Beers voornoemd,

- twee vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] ,

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West (hierna: de GI), mw. [naam vertegenwoordigster 3] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] verblijft in een crisispleeggezin.

Bij beschikking van 19 juli 2018 is [naam kind] voorlopig onder toezicht gesteld tot 19 oktober 2018. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een ziekenhuis voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van 24 juli 2018 is een machtiging tot uithuisplaatsing in een ziekenhuis, gevolgd door een plaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken. Het overig verzochte is aangehouden.

De verzoeken

De Raad heeft een ondertoezichtstelling verzocht, voorafgegaan door een voorlopige ondertoezichtstelling. Tevens heeft de Raad verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

De Raad heeft de verzoeken ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De bevalling is goed verlopen. De Raad heeft van de GI begrepen dat [naam kind] afkickverschijnselen heeft vertoond. In zijn bloed zijn signalen van drugs gevonden, daarom moest hij langer in het ziekenhuis blijven. Hij heeft in een ziekenhuis in Nieuwegein verbleven, zodat hij specifieke zorg kon krijgen. De moeder is zeer betrokken bij [naam kind] . Bij de moeder is sprake van middelengebruik. Zij is afhankelijk van Ritalin en gebruikt ook cocaïne. De Raad is van mening dat de moeder eerst aan haar eigen problematiek dient te werken, maar dat zij daarna zo spoedig mogelijk dient te worden herenigd met [naam kind] .

Het standpunt van de GI

De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. De moeder heeft sinds de geboorte elke dag gebeld en heeft haar welwillendheid laten zien. Morgen zal een eerste bezoek van de moeder aan [naam kind] plaats vinden, na de bevalling. De GI betreurt het dat dat niet eerder mogelijk was; dat is veroorzaakt door de noodzakelijk ingezette hulp en medische verzorging voor [naam kind] in onder meer het ziekenhuis in Nieuwegein. Het is in samenspraak met de kinderarts gebeurd. De GI heeft de intentie om [naam kind] en de moeder zo spoedig mogelijk te herenigen. Aangezien het echter in de maanden voorafgaand aan de bevalling niet is gelukt om hulpverlening in te zetten, is de GI van mening dat de hulpverlening eerst tot stand gebracht moet worden voordat de verantwoordelijkheid voor de zorg van [naam kind] volledig bij de moeder kan worden gelegd. De GI ziet het liefst een opname in een moeder-kindtraject. De moeder zou daar eerst opgenomen kunnen worden, zodat er zicht komt op haar middelengebruik. Daarna zou [naam kind] kunnen aansluiten bij het traject. Er is echter nog geen zicht op een plek in een moeder-kindtraject. Er wordt ook gedacht aan een opname bij de Hoop, bij het Babyhuis of bij Brijder.

Het standpunt van de belanghebbende

Namens en door de moeder is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek, voor zover het de uithuisplaatsing van [naam kind] betreft. De moeder is van mening dat de uithuisplaatsing van [naam kind] niet in zijn belang is. De zorgen van de Raad zijn achterhaald en het verzoekschrift bevat onjuistheden. De moeder heeft afspraken in het ziekenhuis niet afgezegd. De moeder heeft juist zelf aangegeven dat zij een tinteling voelde en dat dat mogelijk zou betekenen dat zij zwangerschapsvergiftiging had. De moeder is ook de controle in het ziekenhuis op 17 juli 2018 nagekomen. De moeder heeft hoogstens tweemaal tijdens de zwangerschap cocaïne gebruikt. De moeder wordt begeleid door Rivas en de vertrouwensarts bij de Hoop is betrokken. Zij zijn echter niet benaderd door de Raad, terwijl zij belangrijke informatie hebben. Rivas kan voor observatie in de thuissituatie zorgen, zodat bekeken kan worden of de moeder voldoende zorg kan bieden aan [naam kind] . Er was aan de moeder beloofd dat zij na de bevalling een uur met [naam kind] kon doorbrengen, maar al na tien minuten werd [naam kind] bij haar weggehaald. Dit was heel ingrijpend. Er is geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een netwerkpleeggezin. De advocaat stelt dat er voldoende alternatieven mogelijk zijn binnen de thuissituatie, waardoor er geen noodzaak bestaat voor de uithuisplaatsing van [naam kind] . Daarom is primair verzocht om het verzoek af te wijzen. Subsidiair heeft de moeder een spoedige opname in een moeder-kindtraject verzocht.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling en veiligheid van [naam kind] . Er is op 19 juli 2018 een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken naar aanleiding van zorgen over het middelengebruik van de moeder tijdens de zwangerschap. [naam kind] is op [geboortedatum kind] 2018 geboren en moest enkele dagen in het ziekenhuis verblijven, volgens de Raad en de GI mede vanwege afkickverschijnselen. Inmiddels verblijft [naam kind] in een crisispleeggezin.

Er zijn aanwijzingen dat de moeder zeker drie keer cocaïne heeft gebruikt tijdens de zwangerschap, mogelijk als een soort zelf-medicatie omdat zij geen (door de arts voorgeschreven) Ritalin meer had; eenmaal aan het begin van de zwangerschap en tweemaal tegen het einde van de zwangerschap. Pogingen van Veilig Thuis om de moeder, mede ter bescherming van haar ongeboren kind, zich tijdig te laten opnemen bij de Hoop zijn niet gelukt. De indruk bestaat dat de moeder de situatie bagatelliseerde en haar prioriteiten verkeerd heeft gesteld. De kinderrechter is, met de Raad en de GI, van oordeel dat er op dit moment onvoldoende zicht is op het middelengebruik van de moeder.

Het pleit voor de moeder dat zij in haar woning alle voorzieningen voor [naam kind] aanwezig had, dat zij sinds de bevalling er alles aan doet om met de hulpverlening mee te werken en mee te denken en dat zij gestart is met urinecontroles. De kinderrechter stelt wel vast dat de moeder geen of weinig netwerk in haar directe omgeving lijkt te hebben dat haar kan steunen.

Het streven van de Raad en de GI is dat de moeder en [naam kind] zo spoedig mogelijk op een veilige manier herenigd kunnen worden. De kinderrechter vindt daarbij een spoedige opname van moeder en kind bij de Hoop of in een (ander) moeder-kind-project het meest passend. Daarop dient ingezet te worden. De kinderrechter zal daarom het verzoek tot verdere uithuisplaatsing slechts voor een korte termijn toewijzen en voor het overige verzochte aanhouden. De komende periode dient benut te worden om de opname in een moeder-kindtraject te realiseren. Mocht dit niet spoedig lukken, dan dient een alternatief gezocht te worden, zoals plaatsing van [naam kind] binnen het netwerk of een plaatsing bij de moeder met een veiligheidsplan.

Uit het voorgaande volgt dat op dit moment de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen tot 1 september 2018. Het overig verzochte zal worden aangehouden en behandeld op de zitting van 20 augustus 2018.

De kinderrechter stelt vast dat de moeder [naam kind] sinds de bevalling niet meer heeft kunnen zien. Wat daarvan ook de oorzaak is, de kinderrechter acht dit, gelet op de hechting van [naam kind] aan de moeder, zorgelijk. De kinderrechter vindt het in het belang van [naam kind] noodzakelijk dat er vanaf heden twee keer per week omgang is tussen [naam kind] en de moeder. Vóór elk bezoek dient, overeenkomstig het beleid van de GI, een urinecontrole plaats te vinden bij de moeder waaruit moet blijken dat de moeder geen (verboden) middelen heeft gebruikt.

De Raad wordt verzocht voor de zitting van 20 augustus 2018 te rapporteren over de stand van zaken op dat moment. De kinderrechter verzoekt daarnaast de GI het brondocument waaruit blijkt dat [naam kind] last heeft (gehad) van afkickverschijnselen te overleggen, nu dit door de moeder ter zitting is weersproken.

Omdat het onderzoek door de Raad nog niet is voltooid, wordt ook het verzoek tot een definitieve ondertoezichtstelling aangehouden, te weten tot de zitting van 4 oktober 2018. De Raad wordt verzocht uiterlijk twee weken voor deze zitting de definitieve raadsrapportage te overleggen.

De beslissing

De kinderrechter:

Ten aanzien van zaaknummers C/10/555101 / JE RK 18-2339 & C/10/555392 / JE RK 18-2403:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg tot

1 september 2018;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat het verhoor van de Raad, de GI, de belanghebbende en mr. S. van Beers inzake het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling zal plaatsvinden op 20 augustus 2018 te 12:00 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.

De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.C. Enkelaar, kinderrechter.

Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de belanghebbende en mr. S. van Beers.

Verzoekt de Raad en de GI voor de genoemde datum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.

Ten aanzien van zaaknummer C/10/555107 / JE RK 18-2340:

Bepaalt dat het verhoor van de Raad, de GI, de belanghebbende en mr. S. van Beers inzake het verzoek tot een definitieve ondertoezichtstelling zal plaatsvinden op 4 oktober 2018 te 9:30 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.

De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, kinderrechter.

Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de belanghebbende en mr. S. van Beers.

Verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter de rapportage omtrent het verzoek tot een definitieve ondertoezichtstelling te doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Verhaart als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.