Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:11382

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
C/10/550561 / JE RK 18-1524 en C/10/555673 / JE RK 18-2454
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2019:11381. Aangehouden verzoeken ondertoezichtstelling en (verlenging) uithuisplaatsing. Minderjarige vertelt de kinderrechter dat hij heel verdrietig is, omdat hij in het uitwijkhuis is geplaatst waardoor hij veel minder naar zijn ouders kan dan toen hij in de crisisopvang verbleef. De minderjarige mist zijn ouders en wil snel naar huis. De kinderrechter stelt vast dat de gecertificeerde instelling (GI) de minderjarige in het uitwijkhuis heeft geplaatst, terwijl overwogen was dat dat een achterhaald plan was. Ook is de omgang, zonder redengevende onderbouwing, fors verminderd. Indien de visie van de Raad voor de kinderbescherming en de GI wordt gevolgd, blijft de minderjarige nog maanden uit huis met een beperkte omgang. De kinderrechter acht dit niet in het belang van de minderjarige. Opheffing uithuisplaatsing twee dagen na de uitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/550561 / JE RK 18-1524 en C/10/555673 / JE RK 18-2454

datum uitspraak: 6 september 2018

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en opheffing uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2005 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 2 augustus 2018 en de daarin genoemde stukken;

- de brief met bijlagen van de GI van 31 augustus 2018, ingekomen bij de griffie op

3 september 2018;

- de briefrapportage met bijlagen van de Raad van 30 augustus 2018, ingekomen bij de griffie op 3 september 2018.

Op 6 september 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- [voornaam minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord;

- de moeder;

- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ;

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan dhr. [naam begeleider] , begeleider vanuit

het uitwijkhuis.

Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Arabische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van B. Arabi, tolk in de Arabische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [voornaam minderjarige] verblijft in het uitwijkhuis.

Bij beschikking van 2 augustus 2018 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 14 augustus 2018 tot 14 september 2018. De kinderrechter heeft bij beschikking van 2 augustus 2018 ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 14 augustus 2018 tot 14 september 2018. Het overige verzochte is aangehouden.

Het verzoek

De Raad heeft verzocht [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verzocht voor de duur van negen maanden. Het aangehouden deel van het verzoek resteert, te weten een ondertoezichtstelling tot 14 augustus 2019 en een machtiging tot uithuisplaatsing tot 14 mei 2019.

De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De Raad acht het van belang dat, alvorens over te gaan tot een thuisplaatsing, de hulpverlening vanuit de Waag is gestart. Nu dit nog niet het geval is, is de Raad van oordeel dat vanuit het uitwijkhuis gekeken moet worden naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing. Dit dient gefaseerd en met de inzet van de juiste hulpverlening te gebeuren, gezien het verleden van ernstig huiselijk geweld.

Het standpunt van de GI

De GI sluit zich aan bij het verzoek van de Raad. [voornaam minderjarige] kon niet langer bij de crisisopvang blijven. Er bestond nog geen concreet plan voor een thuisplaatsing, dit maakte dat na overleg is besloten tot plaatsing bij het uitwijkhuis. De ouders zijn niet gekomen bij dit overleg. De GI wil met de ouders in gesprek over de omgang.

Het standpunt van belanghebbenden

De ouders zijn het niet eens met het verzoek van de Raad. Zij willen dat [voornaam minderjarige] weer thuis komt. Toen [voornaam minderjarige] in de crisisopvang zat kwam hij vaak thuis. Dit ging goed. Ook tussen de vader en [voornaam minderjarige] gaat het goed. De ouders hebben op de vorige zitting de indruk gekregen dat [voornaam minderjarige] snel thuis zou komen. Dat lijkt nu niet het geval, als het aan de instanties ligt.

Het standpunt van de minderjarige

[voornaam minderjarige] is heel erg verdrietig. Hij had na de vorige zitting begrepen dat hij snel naar huis mocht, omdat het weer goed gaat thuis. Nu is hij in het uitwijkhuis geplaatst en mag hij maar één weekend per 2 weken naar huis. Hij mist zijn ouders. Hij wil graag snel naar huis.

De beoordeling

In de beschikking van 2 augustus 2018 is overwogen dat [voornaam minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er bestaan ernstige zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en het ontbreken van basale zorg en veiligheid binnen de opvoedsituatie. Er is sprake van een zeer belaste gezinsgeschiedenis met mogelijke oorlogstrauma’s ten gevolg. Voorts is sprake geweest van huiselijk geweld waaraan [voornaam minderjarige] is blootgesteld en waarvan hij het slachtoffer is geweest. De aanwezige ernstige en complexe problematiek vraagt tijd en intensieve behandeling. De ernst van de problematiek overstijgt de mogelijkheden binnen het vrijwillig kader. De kinderrechter is van oordeel dat, gezien deze complexe situatie, er ook de komende periode toezicht dient te blijven vanuit de GI op het gezin. Belangrijk is dat, naast de huidige begeleiding van Fier, zo spoedig mogelijk hulpverlening van de Waag (of een soortgelijke instelling) gaat starten.

Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengen voor het overige verzochte, te weten de periode tot 14 augustus 2019.

Ter zake van de uithuisplaatsing is in de beschikking van 2 augustus 2018 onder meer overwogen: “Omdat [voornaam minderjarige] al regelmatig - mogelijk dagelijks - thuis is, acht de kinderrechter overplaatsing van [voornaam minderjarige] naar het uitwijkhuis een achterhaald plan. [voornaam minderjarige] is immers al gestart met het traject gericht op een gefaseerde terugkeer naar huis. Nu de ouders veel weerstand tonen richting de hulpverlening en gezien de grote wens van [voornaam minderjarige] , acht de kinderrechter het noodzakelijk dat [voornaam minderjarige] op een zo kort mogelijke termijn wordt thuis-geplaatst zodat vanuit de thuissituatie de juiste hulpverlening kan worden ingezet. Voor een spoedige thuisplaatsing is het wel van belang dat in de thuissituatie geen escalaties plaats-vinden en dat de ouders en [voornaam minderjarige] hulpverlening binnen de thuissituatie accepteren.

Tijdens voornoemde zitting van 2 augustus 2018 is namens Fier kenbaar gemaakt dat de ouders 1 of 2 keer per week bezocht worden en dat [voornaam minderjarige] ook gezien wordt. Fier heeft de indruk dat [voornaam minderjarige] een soort van vrij is om (toen nog vanuit de crisisopvang) naar huis te gaan en dat hij bijna dagelijks thuis komt. [voornaam minderjarige] heeft kenbaar gemaakt dat hij graag weer definitief thuis komt wonen. Als dat zou gebeuren, blijft Fier in dezelfde frequentie komen als nu gebruikelijk is. De indicatie loopt nog tot en met februari 2019.

Tijdens voornoemde zitting heeft de Raad het standpunt ingenomen dat in de weken na deze zitting gefaseerd zou moeten worden toegewerkt naar een thuisplaatsing.

De kinderrechter heeft bij de beschikking van 2 augustus 2018 de machtiging tot uithuis-plaatsing voor korte duur verlengd, uitdrukkelijk ter overbrugging van het verblijf van [voornaam minderjarige] in de opvang naar zijn verblijf thuis.

Uit de gedragsbeschrijving van Enver van 17 augustus 2018 blijkt dat [voornaam minderjarige] ontspannen terug komt van zijn ouders wanneer hij bij hen is geweest.

Tijdens de zitting van vandaag is echter gebleken dat niet is overgegaan tot thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] . De GI heeft [voornaam minderjarige] geplaatst in het uitwijkhuis, ondanks de vaststelling tijdens de vorige zitting dat dit een achterhaald plan wordt geacht. Tegelijkertijd is de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de ouders, zonder redengevende onderbouwing, fors verminderd. De Raad en de GI hebben het standpunt ingenomen, dat thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] pas kan plaats vinden als de hulpverlening vanuit de Waag is ingezet. De wachtlijst bij de Waag is circa vier maanden, wat betekent dat het in dat scenario nog maanden zal duren voordat [voornaam minderjarige] weer naar huis kan. De kinderrechter ziet geen logica in deze gang van zaken. Immers, sinds de vorige zitting hebben geen voorvallen plaats gehad die uitstel rechtvaardigen van de ook door de Raad op 2 augustus jl. mogelijk geachte thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] binnen enkele weken.

De kinderrechter acht, op basis van de stukken en het verhandelde tijdens de zittingen van 2 augustus 2018 en van heden, langer verblijf van [voornaam minderjarige] in het uitwijkhuis niet in zijn belang. De uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] is niet langer noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Er wordt daarmee niet meer voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:265b, eerste lid, BW. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuis-plaatsing opheffen en het verzoek voor het overige afwijzen. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de ouders naar behoren blijven samenwerken met Fier en, te zijner tijd, met de Waag.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 14 augustus 2019;

heft de machtiging tot uithuisplaatsing op per 8 september 2018;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. van Damme als griffier en in het openbaar uitgesproken op

6 september 2018.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 13 september 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.