Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:11371

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
6067155 VZ VERZ 17-16056/2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging ontslag op staande voet. Ontbinding op (tegenverzoek werkgever

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummers: 6067155 VZ VERZ 17-16056

uitspraak: 9 april 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.F.M. Verheij,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Meram Rotterdam West B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. A. Ben Daoued en mr. L.M. Goeree.

Partijen zullen worden aangeduid als “ [verzoeker] ” respectievelijk “Meram”.

1 Het procesverloop

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    de beschikking d.d. 17 oktober 2017 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    het proces-verbaal van de op 20 november 2017 gehouden enquête aan de zijde van

[verzoeker] ;

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 december 2017 gehouden enquête aan de zijde van Meram;

  • -

    het proces-verbaal van de op 1 januari 2018 gehouden enquête aan de zijde van Meram;

  • -

    de conclusie na enquête van de zijde van Meram producties;

  • -

    de conclusie na enquête van de zijde van [verzoeker] , met producties.

1.2

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

in het verzoek van [verzoeker]

2.1

Volhard wordt bij hetgeen bij beschikking van 21 augustus 2017 is overwogen en beslist. In die beschikking is (voor zover nu van belang) als volgt geoordeeld:

“2.2 Geldig ontslag op staande voet? - Dringende reden

6.10

De kantonrechter is van oordeel dat indien vast komt te staan dat [verzoeker] wederrechtelijk geld aan Meram heeft onttrokken, sprake is van een dringende reden. Nu [verzoeker] betwist dat hij wederrechtelijk geld aan Meram heeft onttrokken is het in beginsel aan Meram om te bewijzen dat dit het geval is. Meram heeft hiertoe camerabeelden overgelegd en een accountantsverklaring waaruit een kasverschil volgt.

6.10

[verzoeker] komt op de camerabeelden echter niet voor en het kasverschil is niet (expliciet) naar [verzoeker] terug te leiden. Meram heeft weliswaar gesteld dat hij als manager mede verantwoordelijk was, maar dit is onvoldoende om te spreken van een dringende reden. Daar komt bij dat de reden voor ontslag, zoals geformuleerd in de ontslagbrief, (kort gezegd) gelegen was in het (zelf) wederrechtelijk onttrekken van gelden.

6.11

Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het – gelet op de gemotiveerde betwisting door [verzoeker] en het gebrek aan bewijs dat op dit moment is geleverd – aan Meram is het wederrechtelijk onttrekken van kasgelden door [verzoeker] te bewijzen.”

2.2

De onderhavige zaak loopt samen met de zaken met de zaaknummers 6058348 VZ VERZ 17-15723 en 6058223 VZ VERZ 17-15721, inzake het ontslag van de twee broers van [verzoeker] , [naam 1] en [naam 2] . Partijen hebben ingestemd met de gezamenlijke behandeling van de drie zaken en zij hebben er ook mee ingestemd dat de afgelegde verklaringen en ingediende stukken in alle zaken als ingebracht beschouwd worden.

2.3

Bij conclusie na enquête heeft Meram de verklaringen van de gehoorde getuigen en later ingebrachte verklaring van [naam getuige] als volgt geduid. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat [verzoeker] ook toegang had tot de kluis. Deze vaststelling moet in combinatie worden gezien met de bij conclusie na enquête ingebrachte verklaring van de heer [naam getuige] , die verklaart dat de drie broers aan hem hebben verklaard het kasgeld te hebben gebruikt voor betalingen aan hem voor de aankoop van onroerend goed in Turkije. Dit is het ‘sluitstuk’ van het te leveren bewijs, aldus Meram.

2.4

Het standpunt van Meram steunt dus met name op de verklaring van [naam getuige] . Deze verklaring wordt door [verzoeker] gemotiveerd betwist. Hij heeft nimmer aan [naam getuige] verklaard geld uit Meram te hebben onttrokken. Uit die verklaring van [naam getuige] volgt ook niet, althans niet voldoende direct, dat [verzoeker] gelden aan Meram heeft onttrokken. Het aan [naam getuige] overhandigde geld kan ook door (enkel) de broers van [verzoeker] zijn onttrokken. Dat [naam getuige] verklaart dat de broers aan hem hebben verklaard dat zij gelden aan Meram hebben onttrokken en dat zij die gelden hebben gebruikt voor betalingen aan hem, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat [verzoeker] ook daadwerkelijk (zelf) gelden heeft onttrokken. Ook als de verklaring van [naam getuige] juist is, kan die verklaring de conclusie dat [verzoeker] gelden heeft onttrokken niet dragen. Dat geldt ook als die verklaring wordt bezien tegen de door Meram gestelde achtergrond van de getuigenverklaringen, inhoudende de vaststelling dat [verzoeker] toegang had tot de kluis en zich bezig hield met kasgeld.

2.5

De conclusie is dat Meram het haar opgedragen bewijs niet heeft geleverd, zodat in rechte niet komt vast te staan dat [verzoeker] wederrechtelijk geld aan Meram heeft onttrokken. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag moet daarom worden toegewezen. De vordering tot toelating tot het werk wordt – gelet op hetgeen onder het tegenverzoek zal worden overwogen – afgewezen.

2.6

Nu de arbeidsovereenkomst niet door het ontslag op staande voet geëindigd is en [verzoeker] zich beschikbaar heeft gehouden voor werk, zal de vordering tot doorbetaling van loon vanaf de maand april 2017 worden toegewezen. De wettelijke verhoging zal, gelet op de omstandigheden van het geval, worden gematigd tot 10%.

2.7

Meram zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit deel van de procedure.

in het tegenverzoek van Meram

2.8

Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is primair gegrond op verwijtbaar handelen door [verzoeker] . Het verwijtbaar handelen zoals door Meram gesteld, is gegrond op dezelfde feiten als die ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag op staande voet. Hiervoor is geoordeeld dat die gestelde feiten niet zijn komen vast te staan. Het verzoek tot ontbinding, voor zover gegrond op verwijtbaar handelen, moet dus worden afgewezen.

2.9

Dat (inmiddels) sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, is de kantonrechter wel gebleken. Zo is [verzoeker] , naar nu blijkt ten onrechte, beschuldigd van diefstal c.q. verduistering. Gedurende de procedure is ook gesteld dat sprake is geweest van bedreiging. Duidelijk is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor beide partijen onwenselijk en praktisch onmogelijk is. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden op grond van 7:669 lid 3 onderdeel g BW. Herplaatsing ligt, gelet op de mate van verstoring, de functie van [verzoeker] en de omvang van Meram, niet in de rede. De datum van ontbinding wordt, conform artikel 7:671b lid 8 sub a BW, vastgesteld op 1 juni 2018.

2.10

[verzoeker] is op 1 januari 2017 in dienst getreden bij Meram. Gelet op de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, 1 juni 2018, heeft de arbeidsovereenkomst korter geduurd dan twee jaar, zodat geen transitievergoeding verschuldigd is.

2.11

Omdat Meram [verzoeker] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen en bovendien de reden van ontbinding van de arbeidsovereenkomst met name een gevolg is van het handelen van Meram, bestaat wel aanleiding een billijke vergoeding toe te kennen.

2.12

De billijke vergoeding zal worden vastgesteld op € 1.000,- bruto. De kantonrechter acht hierbij van belang dat vast staat dat [verzoeker] op het moment dat het verzoekschrift werd ingediend (15 juni 2017) pas zes maanden bij Meram in dienst was en dat [verzoeker] gedurende deze procedure (dus 10 maanden) recht heeft op doorbetaling van loon. Deze procedure heeft zo lang geduurd vanwege de koppeling met de twee ontslagzaken van de broers van [verzoeker] en het te leveren bewijs. Ten tijde van de mondelinge behandeling op 6 juli 2017 kon reeds vastgesteld worden dat verhoudingen tussen Meram en [namen] zodanig verstoord waren dat van Meram niet gevergd kon worden dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] , voort zou duren.

2.13

Omdat het dienstverband eindigt, dient [verzoeker] de aan hem ter beschikking gestelde auto in te leveren. De dienaangaande ingestelde vordering is toewijsbaar. Gelet op de moeizame verhouding tussen partijen zal de kantonrechter ook een dwangsom toewijzen, zij het dat de dwangsom wordt beperkt als hierna vermeld. Voorts heeft Meram verzocht [verzoeker] te veroordelen tot terugbetaling van het (onverschuldigd) betaalde salaris over de maand maart 2017. Reeds bij beschikking van 21 augustus 2017 is geoordeeld dat [verzoeker] op dat moment nog in dienst was van Meram, zodat dit deel van de vordering dient te worden afgewezen.

2.14

Verder heeft Meram verzocht te bepalen dat [verzoeker] primair een bedrag van € 385.695,-- aan Meram is verschuldigd, subsidiair een bedrag van € 289.006,47 en meer subsidiair een bedrag van € 89.442,- en [verzoeker] te veroordelen tot betaling daarvan aan Meram. De geldvordering is opgebouwd uit een bedrag van € 289.006,47 op grond van nakoming van een rekening-courantovereenkomst en een bedrag van € 96.688,53 aan onrechtmatige kasonttrekkingen. Het meer subsidiaire bedrag is eveneens gebaseerd op de rekening-courantovereenkomst.

2.15

Door [verzoeker] is aangevoerd dat bovengenoemd verzoek van Meram onvoldoende verband houdt met de vorderingen in het kader van het ontslagrecht (7:686a lid 3 BW). Uit de parlementaire geschiedenis volgt echter dat in beginsel alle vorderingen die te maken hebben met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst of het herstel daarvan kunnen worden ingediend. Juist de vordering van Meram, die meent dat [verzoeker] aan haar nog geld verschuldigd is, is een vordering die opkomt bij het einde van het dienstverband. De kantonrechter zal dit deel van het verzoek dan ook beoordelen.

2.16

De rekening-courantovereenkomst is gesloten tussen Meram Zuid en [verzoeker] . Meram Zuid is echter geen partij in deze procedure, zodat dit deel van de vordering dient te worden afgewezen.

2.17

Op het deel van de vordering van Meram dat verband houdt met de onrechtmatige onttrekkingen van kasgelden wordt in een volgende beschikking teruggekomen. De beoordeling van die vordering vergt meer tijd en het is in het belang van partijen dat de beslissing in de arbeidsrechtelijke geschillen niet langer uitblijft.

2.18

De beslissing over de proceskosten in het tegenverzoek van Meram zal worden aangehouden totdat op alle verzoeken van Meram een eindbeslissing is genomen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

in het verzoek van [verzoeker] :

vernietigt het op 1 mei 2017 gegeven ontslag;

veroordeelt Meram om aan [verzoeker] te betalen het achterstallig loon van € 1.239,35 bruto per maand en 8% vakantiebijslag vanaf april 2017 tot aan 1 juni 2018 vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10%, alsmede de wettelijke rente ingaande op het tijdstip waarop de te betalen bedragen zijn verschuldigd tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Meram in de kosten van de procedure tot aan deze uitspraak vastgesteld op

€ 800,- aan gemachtigdensalaris en € 78,- aan griffierecht;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

in het tegenverzoek van Meram

ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2018;

bepaalt dat Meram geen transitievergoeding verschuldigd is;

veroordeelt Meram tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van € 1.000,- bruto;

bepaalt dat [verzoeker] de bedrijfsauto, te weten de Mercedes GLA 180d met kenteken [kentekennummer] , binnen vijf dagen na betekening van de beschikking aan Meram dient te overhandigen op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag, tot een maximum van € 20.000,-

wijst het verzoek van Meram voor zover dat gestoeld is op de rekening-courantovereenkomst af;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 18 mei 2018;

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

527