Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:11351

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
30-04-2019
Zaaknummer
C/10/539124 / FA RK 17-9540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek vervangende toestemming verhuizing afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/539124 / FA RK 17-9540

Beschikking van 23 april 2018 betreffende de kinderbijdrage

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

advocaat mr. J. Broijl te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

advocaat mr. W.A. Berghuis te Dordrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de verwijzingsbeschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van

8 mei 2018.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 maart 2018.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- de vrouw met haar advocaat mr. Broijl;

- de man met zijn advocaat mr. Derogee-Berghuis.

1.3.

Mr. Broijl heeft pleitaantekeningen overgelegd.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Haarlemmermeer op 13 mei 2011.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2010 te [geboorteplaats minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2012 te [geboorteplaats minderjarige 2] .

2.3.

Bij beschikking van 8 mei 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is de behandeling van het verzoek om een kinderbijdrage verwezen naar de enkelvoudige kamer.

2.4.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.5.

Onderhoudsbijdrage

2.5.1.

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 223,- per maand per kind vast te stellen.

2.5.2.

De man voert gemotiveerd verweer dat strekt tot afwijzing van het verzoek.

2.5.3.

De rechtbank overweegt het volgende.

2.5.4.

De behoefte

2.5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarigen in het jaar 2016 € 653,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar heden bedraagt de behoefte thans

€ 677,- (afgerond) per maand.

2.5.6.

De draagkracht

2.5.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor het inkomen van de vrouw in het kader van de draagkracht moet worden uitgegaan van de jaaropgave 2017, en daarmee van een netto inkomen van € 15.752,- op jaarbasis. De draagkracht van de vrouw bedraagt derhalve € 50,- per maand.

2.5.8.

De vrouw stelt in haar verzoekschrift gemotiveerd dat de draagkracht van de man, rekening houdend met een zorgkorting van 25%, betaling van een bijdrage van € 223,- per kind per maand toelaat.

2.5.9.

De man betwist dat zijn draagkracht zo hoog is als de vrouw stelt.

Volgens hem is het moeilijk om zijn netto besteedbaar inkomen te bepalen omdat zijn inkomsten en kosten jaarlijks wisselen. Het door de vrouw voor 2016 berekende besteedbaar inkomen van € 1.651,- per maand sluit volgens de man het beste aan bij zijn huidige inkomen. De man heeft (extra) inkomsten uit loondienst gehad in 2017, maar deze zijn volgens hem gebruikt om schulden af te lossen.

De man stemt in met de zorgkorting van 25%.

2.5.10.

De rechtbank stelt voorop dat het aan de man is zijn stelling dat hij onvoldoende draagkracht heeft voor de gevraagde bijdrage, met stukken te onderbouwen. De man overlegt met betrekking tot zijn financiële situatie echter slechts een jaaropgave betreffende een deel van het jaar 2017 en gegevens betreffende zijn omzet in 2017. Hij geeft daarmee, mede gelet op hetgeen op dit punt door de vrouw naar voren is gebracht, onvoldoende inzage in het door hem te genereren inkomen. Deze omstandigheid blijft voor zijn rekening en risico. De rechtbank passeert daarom het door de man gevoerde draagkrachtverweer en zal het door de vrouw verzochte bedrag aan kinderalimentatie toewijzen.

Conclusie

2.5.11.

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 223,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

2.5.12.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

2.5.13.

Omdat niet is verzocht de kinderbijdrage met terugwerkende kracht vast te stellen, zal de kinderbijdrage worden vastgesteld met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat er geen bijdrage is bepaald in het kader van een voorlopige voorziening.

2.6.

Proceskosten

2.6.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 223,- per kind per maand;

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Wieman-Bart, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. van Alebeek-Baars op 23 april 2018.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.