Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:11346

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
10/035496-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van MDMA en cocaïne. Vrijspraak voorhanden hebben wapen, betreft een onjuist tenlastegelegde categorie bij een omgebouwd wapen. Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/035496-18

Datum uitspraak: 31 mei 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdacht] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. E. Janse, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering ten aanzien van feit 2

Het onder 2 ten laste gelegde feit is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. Bij de aanhouding is een wapen aangetroffen in de broeksband van de verdachte. Dit wapen was van oorsprong een alarmpistool dat is gepoogd om te bouwen naar een pistool dat geschikt is om projectielen door een loop af te schieten. Omdat het niet is gelukt om het voorwerp om te bouwen naar een werkend pistool, zijn slechts de onderdelen daarvan ten laste gelegd. Die onderdelen zijn onderdelen van een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet Wapens en Munitie.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. In de tenlastelegging wordt verwezen naar een of meer onderdelen of hulpstukken van een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Categorie III onder 1º van de Wet Wapens en Munitie. Uit het proces-verbaal betreffende het onderzoek aan het wapen en de munitie blijkt dat het wapen niet is omgebouwd tot een werkend vuurwapen van deze categorie. Oorspronkelijk was het een alarmpistool als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 4º van de Wet Wapens en Munitie. Over de ombouw meldt dit proces-verbaal:

“Echter bij deze ombouwprocedure is de kamer van dit pistool zodanig verwijderd, dat

geen enkel soort en/of kaliber patroon verschoten kan worden.”

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het wapen nog steeds moet worden beschouwd als een alarmpistool. Nu de categorie waaronder een alarmpistool valt niet ten laste is gelegd en het wapen ook niet volledig is omgebouwd tot een werkend vuurwapen, kan het ten laste gelegde feit niet worden bewezen. Het wapen is naar alle waarschijnlijkheid wel geschikt voor afdreiging, maar deze kwalificatie is evenmin opgenomen in de tenlastelegging.

4.2.3.

Conclusie

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2

hij op 19 februari 2018 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

- 42,2 gram van een materiaal bevattende MDMA, en

- 0,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van MDMA en cocaïne. De omvang van deze harddrugs gaat die van het enkele gebruik ervan te boven. De verdachte bezat deze drugs samen met een naar het oog voor afdreiging geschikt wapen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers ervan vormt. Daarnaast zorgen harddrugs maatschappelijk gezien voor veel schade. De mensen die afhankelijk zijn van deze drugs veroorzaken veel overlast en schade om deze drugs te kunnen bekostigen. Daarbij komt dat de handel in harddrugs zich afspeelt in een crimineel circuit waarin het gebruik van (excessief) geweld geen uitzondering is. In de beschermde woonvorm waar verdachte verbleef, kunnen dit soort feiten voor de kwetsbare categorie personen die daar pleegt te verblijven extra risico’s met zich meebrengen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 april 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 april 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte is een 21-jarige man die geen inzicht geeft in de beweegredenen die tot het ten laste gelegde hebben geleid. Sinds veertienjarige leeftijd komt de verdachte met Justitie in aanraking. Tijdens het eerdere begeleidings- en behandeltraject voorafgaand aan de onderhavige feiten was er een positieve ontwikkeling zichtbaar, dit heeft verdachte echter niet weerhouden strafbare feiten te plegen. Er zijn nauwelijks beschermende factoren aanwezig. De reclassering acht de tenlastegelegde feiten zorgwekkend en betwijfelt of de door de reclassering geboden begeleiding afdoende is om de verdachte te weerhouden van het plegen van strafbare feiten. De recidivekans wordt dan ook ingeschat als hoog.

Psychologen drs. L. Heukelom en drs. R.C. Norp hebben een Pro Justitia rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 17 mei 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

Er is bij de verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, zwakbegaafdheid en hechtings- en ouder-kind relatieproblematiek. Er wordt aangenomen dat dit bijdraagt aan toekomstig grensoverschrijdend gedrag. Geadviseerd wordt daarom om behandeling en begeleiding in te zetten die wordt gericht op emotieregulatie en copingvaardigheden, waarbij rekening wordt gehouden met de beperkte cognitieve vermogens van de verdachte en er aandacht wordt besteed aan zijn middelengebruik.

De rechtbank heeft acht geslagen op voornoemde rapportages.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Anders dan de officier van justitie heeft geëist, acht de rechtbank een gevangenisstraf van langere duur dan 4 maanden passend en geboden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte is aangetroffen met een handelshoeveelheid aan verdovende middelen en met een op een wapen gelijkend voorwerp, waarover hij - ondanks meerdere mogelijkheden hiertoe - geen nadere uitleg heeft gegeven en slechts heeft volstaan met de mededeling ter zitting dat hij zich bedreigd voelde. De verdachte heeft zich er niet om bekommerd dat de medebewoners van de zorginstelling waar hij woonde angstig waren vanwege het feit dat hij dit voorwerp bij zich droeg. Daarnaast weegt het voor de rechtbank in het bijzonder in zijn nadeel mee dat de verdachte op 23 januari 2018 door het Gerechtshof Den Haag is veroordeeld wegens onder andere een Opiumwetdelict en dat hij nog geen maand later opnieuw een dergelijk strafbaar feit pleegt.

Op 23 januari 2018 is door het Gerechtshof Den Haag reeds een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden aan de verdachte opgelegd. Nu deze proeftijd loopt en de verdachte zich dient te houden aan deze voorwaarden, ziet de rechtbank geen noodzaak om opnieuw een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, zoals in het rapport van de psychologen is geadviseerd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. van Dijken, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en J. Fransen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Twist, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Rotterdam, althans in Nederland onderdelen c.q. hulpstukken van een pistool van het merk BBM 315 AUTO, althans een of meer onderde(e)len of hulpstuk(ken) van een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet Wapens en Munitie, te weten:

- een slede met slagpin en slagpinveer,

- een kast met trekkergroep,

- een open loop,

- een patroonhouder,

voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor

zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in

dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2

hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

- 42,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

MDMA, en

- 0,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne,

zijnde MDMA en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.