Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1134

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
10/712033-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW 1994 en artikel 8 WVW 1994, zwaar lichamelijk letsel. Aanrijding personenauto tegen hardloper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/712033-17

Datum uitspraak: 16 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. W.M. Sardjoe, advocaat te 's-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 februari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis, alsmede ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 18 (achttien) maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het eerste ten laste gelegde feit is door de officier van justitie meer in het bijzonder aangegeven dat de verdachte door een combinatie van factoren, waaronder het constant naar links kijken en het verkeren onder invloed van alcohol, onvoldoende zicht heeft gehad/gehouden op de weg, hetgeen heeft geleid tot de aanrijding van het slachtoffer.

4.1.2

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat bij de verdachte geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1, primair.

Daartoe heeft de verdediging aangevoerd, kort samengevat, dat niet kan worden uitgesloten dat het slachtoffer op een andere positie op de weg heeft gelopen dan uiterst rechts of dat hij zigzaggend op de weg heeft gelopen dan wel onverwacht uit de bosschages is gekomen. Voorts kan niet worden uitgesloten dat het slachtoffer minder goed zichtbaar is geweest dan de reconstructiefoto’s veronderstellen. Evenmin kan een causaal verband tussen het alcoholgebruik van de verdachte en het ongeval worden vastgesteld.

De verdediging heeft ten slotte betoogd dat op basis van het dossier onvoldoende is komen vast te staan dat door de aanrijding zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, te weten de overtreding van het bepaalde in artikel 5 van de WVW 1994, en het onder 2 ten laste gelegde.

4.1.3

Beoordeling

De vraag die de rechtbank ten aanzien van het eerste tenlastegelegde feit dient te beantwoorden is, of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994. Daarvan kan pas worden gesproken als de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Bij deze beoordeling komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat de verdachte op 25 december 2016, omstreeks 11:11 uur als bestuurder van een personenauto heeft gereden op de [naam dijk] te [plaats delict] . De verdachte, komende vanuit de richting [naam plaats] en rijdende in de richting van [plaats delict] , is op de [naam dijk] , ongeveer 92 meter vanaf de noordelijke kruising van de [naam dijk] met de [naam weg] , in botsing gekomen met [naam slachtoffer] , die daar – in dezelfde richting als de rijrichting van de verdachte – aan het hardlopen was. Het slachtoffer heeft als gevolg van de aanrijding letsel opgelopen bestaande uit verschoven nekwervels (6e en 7e wervel) met een breuk en diverse wonden aan het achterhoofd, een oor en de handen. De nekwervels zijn een aantal dagen na het ongeval operatief aan elkaar gezet, waarna het slachtoffer tenminste 12 weken een nekkraag heeft moeten dragen.

Na de aanrijding is door de ter plaatse gekomen verbalisanten vastgesteld dat het ademalcoholgehalte van de verdachte 575 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg. De verbalisanten hebben voorts vastgesteld dat de verdachte bloeddoorlopen ogen had, dat zijn adem naar alcohol rook, dat hij sprak met dubbele tong en onvast ter been was.

De plek waar het ongeval is gebeurd is een vrijwel rechte weg met goed zicht. Op het moment van de aanrijding was het licht en anders dan door de verdediging is gesuggereerd is niet gebleken van (weers)omstandigheden waardoor het zicht anderszins beperkt was.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanaf de noordelijke kruising van de

[naam dijk] met de [naam weg] , gedurende een langere afstand naar links heeft gekeken. Naar

eigen zeggen om te zien of er bij de zuidelijke kruising van de [naam dijk] met de [naam weg]

verkeer zou naderen. Toen de verdachte weer op de weg keek en het slachtoffer zag was het

te laat om hem nog te ontwijken. De verdachte heeft een stuurbeweging naar rechts gemaakt

en heeft het slachtoffer met de linker voorzijde van zijn personenauto geraakt.

Gelet op de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte, alsmede de conclusies uit de verkeersongevallen analyse staat voor de rechtbank voldoende vast dat het slachtoffer aan de rechterzijde van de weg heeft gelopen. Voor het betoog van de verdediging, dat niet uit te sluiten is dat het slachtoffer op een andere plek op de weg heeft gelopen dan wel onverwacht uit de rechts van de weg gelegen bosschages tevoorschijn is gekomen, biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd en dat hij daarbij over een afstand van ongeveer 92 meter onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verkeerssituatie voor hem. Door deze combinatie van factoren heeft de verdachte de hardloper die voor hem op de weg liep niet op tijd gezien en heeft hij de hardloper – terwijl hij zijn auto in een reflex naar rechts stuurde – van achteren aangereden.

Dat is een omstandigheid die hem aangerekend dient te worden. De rechtbank beschouwt het handelen van verdachte in de gegeven omstandigheden als aanmerkelijk onoplettend. Voorts is de verdachte met zijn handelen aanmerkelijk tekort geschoten in de van hem – als bestuurder van een motorvoertuig - te verwachten zorgvuldigheid. De rechtbank merkt daarbij op dat het een feit van algemene bekendheid is dat het reactievermogen van een persoon afneemt wanneer deze onder invloed is van alcohol.

Als gevolg van dit ongeval is het slachtoffer gewond geraakt. De rechtbank is – anders dan de verdediging – van oordeel dat het letsel, onder meer bestaande uit een gebroken nekwervel en twee verschoven nekwervels, op zichzelf bezien, aangemerkt kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Dit geldt als zodanig in het normale spraakgebruik en de zwaarte van het letsel wordt verder onderstreept door de ingrijpende operatie die het slachtoffer heeft moeten ondergaan en het feit dat hij tenminste 12 weken een nekkraag heeft moeten dragen .

4.1.4

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Aangezien vast staat dat de verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden acht de rechtbank het tweede tenlastegelegde feit eveneens bewezen.

4.2

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.primair

hij op 25 december 2016 te [plaats delict] als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft

gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk,

onoplettend en met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de [naam dijk] ,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 575

microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg en hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde

in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle

hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij

als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van

hem werden vereist,

hij niet tijdig heeft opgemerkt dat aan de (uiterst) rechterzijde van die

[naam dijk] een voetganger hardliep en

hij onvoldoende afstand heeft gehouden tot de voetganger die op die rijbaan

liep en

hij een stuurbeweging -gezien verdachtes rijrichting - naar rechts heeft

gemaakt en in de rechter berm is gestuurd en

(tijdens die uitwijkmanoeuvre naar rechts) in botsing of aanrijding is gekomen

met die voetganger,

als gevolg waarvan die voetganger ten val is gekomen,

waardoor die voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel

(te weten verschoven en gebroken nekwervels en verwondingen aan hoofd, oor en

handen) werd toegebracht,;

2.

hij op 25 december 2016 te [plaats delict] als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik

van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 575 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

de eendaadse samenloop van

1 primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet

en

2

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft op 25 december 2016 een verkeersongeval veroorzaakt. Hij verkeerde onder invloed van alcohol en heeft aanmerkelijk onoplettend gereden waardoor hij een hardloper, die zich voor hem op dezelfde weg bevond, van achteren heeft aangereden. De gevolgen van het gedrag van verdachte zijn ernstig. Het slachtoffer heeft onder meer een gebroken nekwervel en verschoven nekwervels opgelopen waardoor operatief ingrijpen vereist was en het slachtoffer in ieder geval langere tijd is belemmerd in zijn dagelijks functioneren. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

7.3

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

17 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet recentelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

In de oriëntatiepunten voor straftoemeting geldt als uitgangspunt bij overtreding van artikel 6 van de WVW 1994, indien sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout, zwaar lichamelijk letsel en rijden onder invloed van minder dan 570 ug/l, een taakstraf van 160 uur en 18 maanden rijontzegging. Daarin is de samenloop van overtreding van artikel 6 van de WVW 1994 met overtreding van artikel 8 van de WVW 1994 verdisconteerd. Indien onder dezelfde omstandigheden een ongeval wordt veroorzaakt onder invloed van meer dan 570 ug/l, geldt een uitgangspunt van 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar. Verdachte zit met 575 ug/l dus net boven de grens waarvoor een taakstraf nog redelijkerwijs passend en geboden kan worden geacht. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval echter aanleiding om aan te sluiten bij de eerstgenoemde oriëntatiepunten en heeft voorts acht geslagen op hetgeen in soortgelijke gevallen aan straf wordt opgelegd.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om een deel van de voorgenomen ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank oplegging van een hogere taakstraf dan volgens de oriëntatiepunten passend zou zijn in de gegeven omstandigheden.

De verdediging heeft een aantal medische beperkingen van de verdachte aan de orde gesteld en betoogd dat deze de verdachte beperken in het uitvoeren van een taakstraf. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om af te zien van het opleggen van een taakstraf nu het de rechtbank ambtshalve bekend is dat de reclassering hierin een passende oplossing kan vinden.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.A.T. Werner, voorzitter,

mr. W.H.J. Stemker Köster en mr. I.W.M. Laurijssens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1. primair

hij op of omstreeks 25 december 2016 te [plaats delict] als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft

gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de [naam dijk] ,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 575

microgram, in ieder geval meer dan 220 microgram, alcohol per liter

uitgeademde lucht bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als

bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde

in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle

hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij

als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van

hem werden vereist,

hij niet (tijdig) heeft opgemerkt dat aan de (uiterst) rechterzijde van die

[naam dijk] een voetganger (hard)liep en/of

hij onvoldoende afstand heeft gehouden tot de voetganger die op die rijbaan

liep en/of

hij een stuurbeweging -gezien verdachtes rijrichting - naar rechts heeft

gemaakt en/of in de rechter berm is gestuurd en/of

(tijdens die uitwijkmanoeuvre naar rechts) in botsing of aanrijding is gekomen

met die voetganger,

als gevolg waarvan die voetganger ten val is gekomen,

waardoor die voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel

(te weten verschoven en gebroken nekwervels en verwondingen aan hoofd, oor en

handen) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair

hij op of omstreeks 25 december 2016 te [plaats delict] als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de [naam dijk] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die

weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die

weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

niet (tijdig) heeft opgemerkt dat aan de (uiterst) rechterzijde van die

[naam dijk] een voetganger (hard)liep en/of

onvoldoende afstand heeft gehouden tot de voetganger die op die rijbaan liep

en/of

een stuurbeweging -gezien verdachtes rijrichting - naar rechts heeft gemaakt

en/of in de rechter berm is gestuurd en/of

(tijdens die uitwijkmanoeuvre naar rechts) in botsing of aanrijding is gekomen

met die voetganger;

2.

hij op of omstreeks 25 december 2016 te [plaats delict] als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik

van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 575 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.