Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1133

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
25-02-2018
Zaaknummer
5421381
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewijswaardering, verjaring rentevordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5421381 / CV EXPL 16-41045

uitspraak: 9 februari 2018

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

gedaagde in verzet,

gemachtigde: mr. I. Alderlieste te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam],

gedaagde,

eiser in verzet,

gemachtigde: mr. J.N. Hoek te ’s Gravenhage.

Partijen zullen hierna wederom “[eiser]” respectievelijk “[gedaagde]” worden genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het tussenvonnis van 7 april 2017;

  • -

    het vonnis van 19 mei 2017, waarin het verzoek van [eiser] om hoger beroep toe te staan is afgewezen;

  • -

    de brief van 23 mei 2017, met producties, namens [eiser];

  • -

    het proces-verbaal van het op 6 september 2017 aan de zijde van [eiser] gehouden getuigenverhoor;

  • -

    het proces-verbaal van de op 27 november 2017 aan de zijde van [eiser] gehouden voortzetting van het getuigenverhoor;

  • -

    de conclusie na enquête aan de zijde van [eiser];

  • -

    de conclusie na enquête aan de zijde [gedaagde].

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 7 april 2017, (verder het tussenvonnis).

2.2

In dit tussenvonnis is [eiser] toegelaten tot het bewijs van feiten en

omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de handtekening onder het “Contract Terugbetaling” d.d. 13 juni 2009 en/of het “Contract Lening/terugbetaling” d.d. 14 oktober 2011, door [gedaagde] is geplaatst.

2.3

Om dit bewijs te leveren heeft [eiser] bij de hiervoor bedoelde brief van 23 mei 2017 een

aantal schriftelijke stukken in het geding gebracht. Daarnaast heeft hij op 6 september 2017 als getuige doen horen mevrouw [B.] (verder ook [B.]) en is [eiser] zelf als getuige gehoord via een facetime verbinding in verband met zijn verblijf op dat moment in Australië. Op 27 november 2017 heeft [eiser] tenslotte nog als getuige doen horen de heer [S.] (verder [S.]).

2.4

[gedaagde] heeft afgezien van het doen horen van getuigen in contra-enquête.

2.5

De kantonrechter stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 164, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de verklaring van een partijgetuige op wie de bewijslast rust (zoals in het onderhavige geval [eiser]), omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

Ad contract terugbetaling 13 juni 2009

2.6

De als (partij)getuige gehoorde [eiser] heeft verklaard, voor zover van belang:

“Het Contract Terugbetaling d.d. 13 juni 2009 is door [gedaagde] en mij getekend in Rotterdam in het huis waar [S.] woonde in [plaatsnaam]. Dat is gebeurd in aanwezigheid van ons drieën. Dat contract is getekend op de datum die op het contract staat. Alles wat in het contract staat is waar. Ik weet niet meer wie van ons beiden, [gedaagde] of ik, het contract als eerste heeft getekend.

(…)

Op vragen van mr. Hoek antwoord ik:

Ik heb kort voor dit getuigenverhoor nog contact gehad met [S.]. Wij hebben gesproken over de rechtszaak en dat er getuigenissen aan zaten te komen. Ook hebben wij er over gesproken dat ik het bewijs moet leveren dat [gedaagde] zijn handtekening onder het contract heeft gezet. Mr. Hoek vraagt me naar mijn band nu met [S.]. Het is een kennis; ik zou ook kunnen zeggen dat het een goede vriend is. Persoonlijk heb ik hem ongeveer 13 maanden geleden gesproken. Ik heb ongeveer per kwartaal contact met hem over de email en via Whatsapp, niet via Facetime. “

2.7

De als getuige gehoorde [S.] heeft verklaard, voor zover van belang:

“(…) Destijds, dat zal zo’n 8 jaar geleden zijn geweest, is er bij mij thuis een contract getekend door [gedaagde] en [eiser]. [gedaagde] is [gedaagde] en [eiser] is [eiser]. Ik ken ze als [gedaagde] en [eiser] en zal ze ook verder zo noemen. Het contract is niet alleen bij mij getekend maar ook opgemaakt. Dat gebeurde in de woning van mijn moeder bij wie ik destijds woonde. (…) U vraagt me waarom het opmaken en ondertekenen van het contract bij mij thuis gebeurde. Dat was waarschijnlijk zo omdat ik een printer had. Die printer stond in de kamer van mijn zusje.

Het contract ging om een bedrag dat [eiser] leende aan [gedaagde]. Ik weet niet meer precies het bedrag, maar het ging om enkel duizenden euro’s. Ik meen 5 of 6 duizend. (…) [eiser] en [gedaagde] hebben het contract getekend tegen de voordeur aan. Dat deden ze aan de binnenkant van de voordeur. (…)

U zegt mij dat op 6 september 2017 [eiser] door u is gehoord als getuige via een facetime verbinding. U zegt mij dat [eiser] toen heeft verklaard (…) dat hij kort voor zijn getuigenverhoor nog met mij contact heeft gehad en met mij heeft gesproken over de rechtszaak en dat er getuigenissen aan zaten te komen. U leest ook voor dat [eiser] heeft verklaard “ook hebben wij erover gesproken dat ik het bewijs moet leveren dat [gedaagde] zijn handtekening onder het contract heeft gezet.” Het klopt dat ik toen met [eiser] heb gesproken. Ik moest op 6 september 2017 eigenlijk ook aanwezig zijn op de rechtbank om als getuige te worden gehoord, maar ik had me verslapen; ik kwam uit de nachtdienst. [eiser] heeft me tijdens ons gesprek via de Whatsapp gevraagd wat ik me nog ervan kon herinneren. Ik heb hem toen gezegd: was dat in mijn zusjes kamer en was het dat het contract werd getekend tegen de voordeur? [eiser] heeft dat bevestigd. Het ondertekenen van het contract door [eiser] en [gedaagde] heeft gespeeld in het jaar dat mijn moeder en ik en onze familie uit dat huis zijn verhuisd. Die verhuizing was rond kerst 2009. Ik kan niet precies zeggen wanneer het contract van de geldlening is ondertekend omdat er in die tijd meerdere keren door [eiser] geld aan [gedaagde] is geleend. (…) We wisten sowieso met z’n drieën over de geldleningen van [eiser] aan [gedaagde]. (…)

Op vragen van mr. Alderlieste antwoord ik als volgt:

In 2009 ging ik vriendschappelijk om met [eiser] en [gedaagde]; ik zag ze regelmatig.

Op vragen van mr. Hoek antwoord ik als volgt:

Mr. Hoek vraagt mij om mijn relatie met [eiser] te typeren. We waren en zijn goede vrienden.

(…)

Voor de zitting van 6 september 2017 hebben [eiser] en ik dat contact via Whatsapp gehad. [eiser] heeft aan mij gevraagd of ik nog wist dat [gedaagde] geld van [eiser] had geleend en dat er een contract was opgemaakt. Het ging erom wat ik er nog over wist want ik wist natuurlijk nog dat er door [eiser] geld was geleend aan [gedaagde]. [eiser] heeft mij ook verteld dat het getuigenverhoor op de rechtbank zou zijn en dat daarbij een advocaat zou zijn. Verder heeft hij mij gezegd dat ik moest vertellen wat ik wist en dat hij mij niet vroeg om te liegen. We kwamen in die tijd dat het contract is getekend regelmatig met z’n drieën samen. Dat was bij mij thuis, bij [eiser] thuis en op het voetbalveld; het was minder bij [gedaagde] thuis.

Op de nadere vragen van mr. Alderlieste antwoord ik het volgende:

[eiser] heeft niet zozeer inhoudelijke zaken verteld maar meer vragen gesteld over wat ik nog wist van de geldlening en het contract dat in dat kader is ondertekend door [gedaagde].”

2.8

De verklaring van [eiser] vindt steun in de getuigenverklaring van [S.], die over essentiële punten heeft verklaard, zoals waar, wanneer en in bijzijn van wie het contract van geldlening werd ondertekend en dat het ging om enkele duizenden euro’s, hij meent vijf of zes duizend. De verklaring van [S.] maakt de verklaring van [eiser] voldoende geloofwaardig. Daaraan doet niet af dat [S.] en [eiser] vrienden zijn. [S.] heeft immers verklaard dat hij in 2009 zowel met [eiser] als met [gedaagde] vriendschappelijk omging en hen regelmatig zag. Niet is gesteld of gebleken dat er in de relatie tussen [S.] en [gedaagde] iets is voorgevallen waardoor de getuigenverklaring van Sequiera niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt of dat [S.] belang heeft bij de uitkomst van de procedure. Ook de omstandigheid dat [eiser] en [S.] voorafgaand aan de getuigenverhoren er over gesproken hebben dat er een getuigenverhoor zou plaatsvinden en dat [eiser] aan [S.] heeft gevraagd of hij nog wist dat dat [gedaagde] geld van [eiser] had geleend en dat er een contract was opgemaakt maakt de verklaring niet onbetrouwbaar. [S.] heeft immers nader verklaard dat [eiser] niet zozeer inhoudelijke zaken heeft verteld maar meer vragen heeft gesteld over wat hij, [S.], nog wist. De conclusie is dan ook dat [eiser] is geslaagd in het bewijs dat de handtekening onder het “Contract Terugbetaling”
d.d. 13 juni 2009 door [gedaagde] is geplaatst.

2.9

Het “Contract Terugbetaling d.d. 13 juni 2009” betreft een (onderhandse) akte van schuldbekentenis, waarin slechts verbintenissen van één partij, te weten [gedaagde], zijn vastgelegd, die strekken tot voldoening van een geldsom. Nu deze akte niet is voorzien van een goedschrift in de zin van artikel 158 lid 1, is artikel 157 lid 2 Rv niet van toepassing op deze akte en levert de akte tussen partijen geen dwingend bewijs op maar heeft deze vrije bewijskracht (zie laatstelijk nog HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:566).

[gedaagde] heeft de inhoud van het Contract Terugbetaling d.d. 13 juni 2009 niet betwist en in zijn conclusie na enquête verder ook onbesproken gelaten. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van de inhoud van dit contract, bezien in onderling verband en samenhang met de door de getuigen [eiser] en [S.] afgelegde verklaringen, is komen vast te staan dat tussen [eiser] en [gedaagde] een leningsovereenkomst tot stand is gekomen met terugbetalingsafspraken, zoals weergeven in het Contract Terugbetaling d.d. 13 juni 2009. Het primaire verweer van [gedaagde] dat hij het Contract Terugbetaling d.d. 13 juni 2009 niet heeft ondertekend en [eiser] geen vordering op hem heeft ter hoogte van een bedrag van
€ 6.000,00 slaagt dan ook niet.

2.10

Het subsidiaire en meer subsidiaire verweer van [gedaagde] dat de vordering niet opeisbaar is, dan wel eerst per 1 januari 2020 en [eiser] om die reden niet ontvankelijk is in zijn vordering, wordt verworpen. Uit de tekst van het contract volgt dat het geleende bedrag op 1 januari 2010 terug betaald had moeten zijn, bij gebreke waarvan er per 2 januari 2010 5% rente bij komt en vervolgens elk jaar weer opnieuw. Deze rentebepaling stelt vanaf
2 januari 2010 slechts een sanctie op uitblijven van terugbetaling; de opeisbaarheid staat daar los van. Dat het contract ook inhoudt dat vanaf 1 januari 2010 minimaal een bedrag van
€ 50,00 moet worden betaald als het bedrag nog niet is afbetaald, met als uiterste termijn van volledige terugbetaling 1 januari 2020, moet gezien worden tegen de achtergrond van de vriendschappelijke relatie die partijen hadden en doet niet af aan het uitgangspunt van het contract dat het totale bedrag van € 6.000,00 terugbetaald had moeten zijn op 1 januari 2010. Nu tussen partijen onbetwist is dat [gedaagde] nog nooit enige betaling aan [eiser] heeft gedaan en [gedaagde] evenmin heeft betwist dat hij door [eiser] zowel mondeling als schriftelijk tevergeefs hierop is aangesproken moet worden geconcludeerd dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. Met zijn opstelling maakte [gedaagde] het voor [eiser] immers duidelijk dat er geen betaling meer zou volgen. De gevorderde hoofdsom van € 6.000,00 is dan ook opeisbaar en door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd.

Ad Contract lening/terugbetaling d.d. 14 oktober 2011

2.11

De als getuige gehoorde [B.] heeft verklaard, voor zover van belang:

“Ik ben op de hoogte van het geschil tussen de partijen in deze procedure. Ik herkende [gedaagde] ook direct toen ik hem hier op de rechtbank zag. Hij heeft alleen nu een baard en dat had hij niet destijds toen hij bij mij op kantoor kwam met [eiser]. (…) Ik zie op het scherm van de I-pad via de face-time verbinding een manspersoon die ik herken als [eiser], die destijds samen met [gedaagde]. op mijn kantoor is geweest. Dat kantoor was het kantoor van GGN Maas-Delta bij het Hofplein. Ik was werkzaam als incassospecialist en zat op advocaat zaken. Het kantoor van mr. Alderlieste was in deze zaak onze opdrachtgever. Ik heb een brief van mr. Alderlieste ontvangen waar ook dossierstukken in zaten. (…) In de brief vroeg mr. Alderlieste of ik me nog de zaak kon herinneren. Bij het doornemen van de tukken ging de film weer direct rollen. Ik sloeg aan op het rentebedrag en de namen van partijen. Het was heel bijzonder dat er een crediteur en een debiteur in een vriendschappelijke sfeer bij ons op kantoor kwamen, want meestal was het haat en nijdig tussen een crediteur en debiteur. (…) Bij de stukken die met de brief werden meegestuurd zat de overeenkomst, een map overzicht en een brief over executiemaatregelen in de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] die al gaande was in opdracht van
mr. Alderlieste. Ik kan nu niet meer precies vertellen in welk stadium de beslagmaatregelen waren. Ik weet nog wel dat ik na het gesprek met [eiser] en [gedaagde] een brief aan mr. Alderlieste heb geschreven en dat ik haar daarin heb gemeld dat [eiser] en [gedaagde] op mijn kantoor zijn geweest en in mijn bijzijn een overeenkomst hebben getekend en dat wij de executiemaatregelen voorlopig zouden opschorten, (…).

Bij de brief die ik toegestuurd kreeg zat zoals gezegd ook de overeenkomst die [eiser] en [gedaagde] allebei in mijn bijzijn op het kantoor bij GGN hebben getekend. Ik kan mij nog heel goed de situatie voor de geest halen hoe dat gesprek met de heren is gegaan. De aanleiding waarom zij op kantoor kwamen weet ik nu niet meer. Wat ik nog wel weet is dat ik ze moest ontvangen op kantoor. Ik heb dat ook in een gespreksnotitie opgeschreven. (…)

[eiser] en [gedaagde] kwamen samen op kantoor en kwamen bij mij in de spreekkamer. Ze kwamen samen binnen, in een vriendschappelijke sfeer. Het leken mij vrienden. Ik zat achter kogelvrijglas. (…) De heren brachten een tekst mee van een overeenkomst. Ik weet niet meer wie van de twee de tekst bij zich had. Nu u dit zo dicteert herinner ik me dat het [eiser] was.(…) herinner ik mij ook nog dat het mij opviel dat er in de overeenkomst iets is opgenomen over dat wanneer er iets met [eiser] zou gebeuren er betaald moest worden aan zijn familieleden, zus en vader (…). Ik heb de tekst van de overeenkomst gelezen.

[gedaagde] vroeg op een gegeven moment of [eiser] even de kamer kon verlaten omdat hij even met mij wilde praten. [eiser] ging zonder bezwaar de kamer uit. [gedaagde] vroeg aan mij toen [eiser] weg was wat ik van de overeenkomst vond. Ik antwoordde hem dat ik het vrij redelijk vond. Hij vroeg “en de rente dan?”Ik vroeg hem of hij begreep waar rente voor stond. Ik had gelezen dat in de overeenkomst 10% rente werd genoemd. Ik heb hem uitleg gegeven over de rente. Ik weet nog heel goed dat ik een vergelijking heb gemaakt met 3% rente. Ook weet ik nog dat ik met [gedaagde] heb gesproken over rechtsmaatregelen en beslag. Op een gegeven moment heeft [gedaagde] tegen mij gezegd dat hij het goed vond en dat [eiser] terug kon komen in de kamer.

Toen de beide heren weer in de spreekkamer waren hebben ze elk de overeenkomst ondertekend.

(…)

U vraagt me of ik iets kan zeggen over wanneer dit speelde. In mei 2011 ben ik bevallen en ben ik er ongeveer 4 maanden uit geweest. Het moet dus najaar 2011 zijn geweest.

(…)

Ik heb zelf daadwerkelijk gezien dat de beide mannen een handtekening onder de overeenkomst hebben gezet. Ik weet dat nog zo goed omdat ik ze de pen heb gegeven waarmee ze hebben getekend.

(…)

Voor zover ik me herinner is de zaak van [eiser] en [gedaagde] mijn enige zaak waarin een crediteur en een debiteur zo vriendschappelijk samen op kantoor zijn geweest. Dit is ook een element van de zaak waardoor de zaak mij goed bij gebleven is.

2.12

De als (partij)getuige gehoorde [eiser] heeft verklaard, voor zover van belang:

“(…) Het tweede contract Contract lening/terugbetaling d.d. 14 oktober 2011 is door [gedaagde] in mijn bijzijn getekend op het kantoor van de deurwaarder nabij het Hofplein in Rotterdam. [gedaagde] heeft getekend in aanwezigheid van een mevrouw die daar aanwezig was achter de balie, achter een kogelvrijglas. (…) Ik weet wel dat ook ik mijn handtekening heb gezet op het kantoor van de deurwaarder op de datum dat wij, [gedaagde] en ik, daar waren maar ik weet niet meer precies of ik dat gedaan heb voordat we met de dame van het deurwaarderskantoor spraken.

Ik ben samen met [gedaagde] naar het kantoor van de deurwaarder gegaan. (…) U vraagt me waarom het contract daar is getekend. Dat leek mij verstandig omdat [gedaagde] wel eens afspraken niet nakwam. Ik wilde afspraken vastleggen. We waren samen overeengekomen om het zo op te lossen in die zin dat [gedaagde] er voor zou tekenen dat hij mij terug zou betalen, waarop ik de procedure die tegen hem liep op pauze zou zetten. (…) U vraagt mij waarom de overeenkomst getekend is op het kantoor van de deurwaarder omdat het ook elders kon gebeuren. Dat had zijn reden. Ik wilde dat [gedaagde] de nieuwe, de tweede overeenkomst tekende waarna ik samen met de instanties zoals de deurwaarder en de advocaat gelijk met hen kon regelen dat de procedure op pauze zouworden gezet. De deurwaarder en de advocaat regelden immers dat er in het kader van de procdure en de uitspraak brieven werden geschreven aan [gedaagde]. [gedaagde] wilde geen brieven meer krijgen en wilde ook niet dat zijn moeder kennis zou nemen van die brieven die betrekking hebben op procedures. Ik wilede de procedure alleen op pauze zetten als [gedaagde] akkoord zou gaan met een overeenkomst en de voorwaarden daarin en daarvoor zou tekenen.(…)”

2.13

De verklaring van de getuige [B.] sluit aan bij het overgelegde mapoverzicht in de

zaak van het deurwaarderskantoor GGN waarin bij 14-10-2011 staat vermeld: “eiser wil vandaag langskomen met deb om nieuwe afspraken te maken.” en voorts bij de brief van
30 december 2011 die [B.] destijds heeft geschreven aan mr. Alderlieste, ook toen de gemachtigde van [eiser], waarin [B.] haar meldt dat [eiser] en [gedaagde] een aantal weken daarvoor op haar kantoor zijn geweest en een zelf opgestelde overeenkomst hebben ondertekend en de zaak toen voorlopig even werd aangehouden.

2.14

[gedaagde] heeft gesteld dat toezending van het dossier aan deze getuige afbreuk doet aan

de betrouwbaarheid van haar verklaring. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan de kantonrechter [gedaagde] hierin niet volgen. In haar toenmalige functie van incassospecialist kwam de getuige [B.] in aanraking met veel crediteuren en debiteuren. Onder die omstandigheden mag van haar worden verlangd dat zij zich ter voorbereiding van een door haar af te leggen verklaring als getuige op de hoogte stelt van schriftelijke stukken of kennis neemt van gegevens die er aan kunnen bijdragen dat zij haar geheugen opfrist en op adequate wijze vragen zal kunnen beantwoorden. (Zie ook HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8273, NJ 2005/454 (Van Hulst/ Van Eewijk). Getuige [B.] heeft verklaard dat bij het doornemen van de stukken de film voor haar direct weer ging rollen en dat zij aansloeg op het rentebedrag en de namen van partijen. Daarnaast was voor haar in deze zaak heel bijzonder dat, anders dan de gebruikelijke sfeer van haat en nijd, een crediteur en een debiteur in een vriendschappelijke sfeer samen op haar kantoor kwamen. Evenmin doet de omstandigheid dat de gemachtigde van [eiser] cliënt was van de toenmalige werkgever van [B.] afbreuk aan haar betrouwbaarheid als getuige. Immers is niet gesteld of gebleken dat de getuige belang heeft bij de uitkomst van de procedure tussen [eiser] en [gedaagde].

2.15

Met de verklaring van de getuige [B.] en de genoemde schriftelijke stukken acht de

kantonrechter het bewijs reeds geleverd dat [gedaagde] (ook) het “Contract Lening d.d. 14 oktober 2011 heeft getekend. Hetgeen [eiser] als getuige heeft verklaard is in lijn met deze bewijsmiddelen.

2.16

Verwezen wordt naar hetgeen is overwogen in r.o. 2.9 met betrekking tot het ontbreken van een goedschrift en de vrije bewijskracht ten aanzien van het Contract Terugbetaling d.d. 13 juni 2009, hetgeen voor het onderhavige contract eveneens geldt. Ook geldt dat [gedaagde] de inhoud van het Contract lening/terugbetaling d.d. 14 oktober 2014 niet heeft betwist en in zijn conclusie na enquête eveneens verder onbesproken heeft gelaten. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van de inhoud van het contract, bezien in onderling verband en samenhang met de hiervoor onder 2.13 tot en met 2.15 besproken bewijsmiddelen, is komen vast te staan dat tussen [eiser] en [gedaagde] een leningsovereenkomst tot stand is gekomen met terugbetalingsafspraken zoals weergegeven in het Contract lening/terugbetaling d.d. 14 oktober 2011. Het primaire verweer van [gedaagde] dat hij dit contract niet heeft ondertekend en [eiser] geen vordering op hem heeft ter hoogte van een bedrag van € 2.350,00 slaagt niet. De gevorderde hoofdsom ad € 2.350,00 betreffende het “Contract lening/terugbetaling” d.d. 14 oktober 2011 is dan ook door [gedaagde] verschuldigd aan [eiser].

Ad renteverweer: beroep op verjaring

2.17

[gedaagde] heeft gesteld dat zowel de contractuele- als de wettelijke rentevordering zijn verjaard, omdat er niet binnen vijf jaar nadat het verstekvonnis op 26 augustus 2011 is uitgesproken een rechtsgeldige stuiting van de verjaring is geweest. Eerst op 30 augustus 2016 is [gedaagde] op de hoogte gesteld van de inhoud van het verstekvonnis.

[eiser] heeft betwist dat de rentevorderingen zijn verjaard.

2.18

Met zijn beroep op het bepaalde in artikel 3:324 lid 3 BW miskent [gedaagde] dat het in de onderhavige procedure niet gaat om (verjaring van) een rentevordering na een uitspraak in het kader van de tenuitvoerlegging van die uitspraak, maar om een rentevordering van vóór het (verstek)vonnis. Immers, met het verzet van [gedaagde] tegen het verstekvonnis van
26 augustus 2011 is, ingevolge het bepaalde in artikel 147 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het geding heropend, waarbij de verzetdagvaarding heeft te gelden als de conclusie van antwoord.

2.19

Op grond van artikel 3:322 lid 1 BW is het de rechter niet toegestaan om ambtshalve het middel van verjaring toe te passen. Op degene die zich op verjaring beroept rust de stelplicht en eventuele bewijslast van de feiten die aan het verjaringsverweer ten grondslag worden gelegd. Duidelijk moet zijn welk middel van verjaring wordt aangevoerd (zie HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1943 Buyck/van den Ameele en verder aantekening 2 bij genoemd artikel in T&C). [gedaagde] heeft zich beroepen op verjaring in de zin van artikel 3:324 lid 3 BW, welk artikel, zoals hiervoor is overwogen, in dit geval helemaal niet van toepassing is. Andere middelen van verjaring zijn door hem niet aangevoerd. Dit alles leidt tot de conclusie dat zijn beroep op verjaring van de rentevorderingen wordt verworpen.

2.20

Het voorgaande betekent dat het op 26 augustus 2011 onder zaaknummer 1263882 / CV EXPL 11-44414 tussen partijen gewezen verstekvonnis terecht is gewezen en bekrachtigd wordt. Omdat [gedaagde] de partij is die ongelijk krijgt, wordt hij veroordeeld in de proceskosten in de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak begroot op
€ 5,00 aan taxe getuigen en € 375,00 (1,5 punt à € 250,00) aan salaris voor de gemachtigde van [eiser].

3 De beslissing

De kantonrechter:

bekrachtigt het op 26 augustus 2011 onder zaaknummer 1263882 / CV EXPL 11-44414 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 5,00 aan taxe getuigen en € 375,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis, voor zover de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

362