Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:11306

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
10/033192-18 / VI-nummer: 99/000013-23
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ter zake poging tot afpersing, benadeelde partij niet-ontvankelijk. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen met aftrek, waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden ter zake poging tot afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/033192-18

VI-nummer: 99/000013-23

Datum uitspraak: 15 november 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet;

raadsvrouwen: mr. E. Kattestaart en mr. J.A. Smits, advocaten te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 november 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en het onder 2 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering in haar rapportage van 24 oktober 2018;

  • -

    gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, in de zaak met VI-nummer: 99/000013-23 voor een periode van 200 dagen.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 1

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen is dat de verdachte op 15 februari 2018 het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. Aangevoerd is dat de aangifte geloofwaardig is en wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam getuige 1] en getuige [naam getuige 2] , die verklaart dat aangever een schuld had bij ‘ [naam] ’ en dat hij hulp had ingeroepen van de verdachte bij het aflossen van die schuld.

4.1.2.

Beoordeling

Aangever heeft verklaard dat hij in de problemen zat omdat hij geld schuldig was aan [naam] (hierna: [naam] ). Hij heeft daarop contact gezocht met de verdachte en hem om hulp gevraagd. Aangever en de verdachte hebben vervolgens afgesproken in Zuidland om vervolgens samen het aan [naam] verschuldigde bedrag terug te gaan betalen. Aangever zou de verdachte voor zijn hulp betalen. Nadat aangever geld heeft gepind is hij bij de verdachte in de auto gestapt. De verdachte en aangever zaten achterin de autodie bestuurd werd door [naam getuige 1] (hierna: [naam getuige 1] ). Volgens aangever merkte hij zodra hij in de auto zat dat de verdachte niet gekomen was om hem te helpen, maar werd hij bedreigd en moest hij onder meer zijn pinpas en telefoon afgeven. Toen hij de verdachte tegen [naam getuige 1] hoorde zeggen 'geef me die niffy' (rb: ‘geef me het mes’) voelde aangever, die al bang was zich zo bedreigd dat hij heeft besloten uit de rijdende auto te springen.

De verdachte heeft verklaard dat hij aangever in Zuidland heeft opgehaald om het geld dat aangever aan [naam] schuldig was te gaan betalen. Hij heeft ook verklaard dat hij daar geld voor kreeg. Volgens de verdachte ontstond in de auto weliswaar een woordwisseling tussen hem en aangever, maar dat was omdat aangever terugkrabbelde en zelf niet meer mee wilde om het geld aan [naam] af te geven. Aangever is vervolgens uit de rijdende auto gestapt. De verdachte ontkent te hebben gedreigd en de pinpas en de telefoon van aangever te hebben afgenomen.

Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat aangever geld schuldig was aan [naam] en dat aangever met de verdachte had afgesproken om dat geld te gaan terugbetalen. Ook heeft zij verklaard dat de verdachte daarvoor geld zou krijgen.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier weliswaar dat de verdachte met aangever in Zuidland heeft afgesproken om samen het geld dat aangever aan [naam] schuldig was te gaan terugbetalen en dat de verdachte daarvoor betaald zou krijgen. De aangifte wordt ten aanzien van de afpersing in de auto door de verdachte echter niet door enig ander bewijsmiddel in voldoende mate ondersteund. [naam getuige 1] is als getuige gehoord, maar zijn verklaring biedt onvoldoende steun aan de aangifte. [naam getuige 1] heeft immers niet gezien dat aangever zijn pinpas en telefoon heeft afgegeven en weet niet wat er tussen aangever en de verdachte op de achterbank is gebeurd. [naam getuige 1] heeft alleen op enig moment geschreeuw gehoord en heeft toen naar achter geroepen dat ze normaal moesten doen. [naam getuige 1] weet niet wat er tussen aangever en de verdachte is besproken.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feit 2

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verklaring van getuige [naam getuige 3] van het bewijs moet worden uitgesloten omdat deze niet betrouwbaar is. Volgens de verdediging heeft [naam getuige 3] de verklaring die zij op 16 februari 2018 tegenover de politie heeft afgelegd later feitelijk gewijzigd, waardoor het lijkt of die verklaring is afgestemd met de verklaring van aangever. Bovendien zou [naam getuige 3] niet gezien kunnen hebben wat er is gebeurd, omdat zij in gesprek was met [naam getuige 1] . Met betrekking tot het door aangever opgelopen letsel is aangevoerd dat niet is uit te sluiten dat hij dit (nadien) op andere wijze heeft opgelopen.

4.2.2.

Beoordeling

De verdachte heeft verklaard dat hij op 15 februari 2018 samen met [naam getuige 1] naar het huis van aangever is gegaan omdat aangever hem nog geld schuldig was en omdat de verdachte aangever duidelijk wilde maken dat aangever geen negatieve verhalen over hem moest vertellen. Aangever heeft verklaard dat toen hij die avond de deur van zijn huis opendeed de verdachte samen met [naam getuige 1] zijn woning binnenkwam. Eenmaal in de woonkamer is [naam getuige 1] met [naam getuige 3] naar de keuken toegegaan en zijn aangever en de verdachte in de woonkamer gebleven. Zowel aangever als getuige [naam getuige 3] verklaren dat de verdachte vervolgens verschillende keren met een vuist in het gezicht van aangever heeft geslagen en dat de verdachte bij het verlaten van de woning heeft geroepen dat aangever de volgende dag € 100,- moest betalen omdat anders het vervolg zou komen.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van getuige [naam getuige 3] betrouwbaar. Zij heeft weliswaar de eerder door haar afgegeven verklaring laten aanpassen, maar dat betrof geen delen van de verklaring die zien op de afpersing. De verklaring van [naam getuige 3] , dat zij zag dat aangever werd gestompt, wordt bovendien ondersteund door de verklaring van [naam getuige 1] . Hij heeft verklaard dat hij, toen hij met [naam getuige 3] in de keuken stond te praten, vanuit de woonkamer een stemverheffing hoorde en aan [naam getuige 3] zag dat er iets gebeurde. Dat de verklaring van [naam getuige 3] niet betrouwbaar zou zijn omdat zij vanuit de keuken geen zicht had op de woonkamer, zoals door de verdediging gesteld, volgt de rechtbank niet, nu ook [naam getuige 1] verklaart dat [naam getuige 3] vanuit de keuken nog wel zicht had op de woonkamer.

De verklaring van [naam getuige 3] dat zij zag dat de verdachte aangever tegen zijn oogkas, neus en kaak sloeg, wordt bovendien ondersteund door beschrijving van het letsel bij aangever. Dat dit letsel later door een ander bij aangever is toegebracht, zoals door de verdediging aangevoerd, acht de rechtbank niet aannemelijk en vindt ook geen steun in het dossier.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is dat het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

op 15 februari 2018 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (100 euro),

-de woning van die [naam slachtoffer 1] is binnengedrongen en

-die [naam slachtoffer 1] meermalen, (met kracht) in het gezicht,

althans tegen/op het hoofd heeft gestompt en

-tegen die [naam slachtoffer 1] heeft gezegd dat deze de andere dag 100 euro

moest betalen anders zou het vervolg komen, althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

2

poging tot afpersing

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging om aangever af te persen. De verdachte is naar het huis van aangever gegaan omdat hij nog geld van hem zou krijgen. Toen aangever de deur opendeed is de verdachte naar binnen gedrongen en heeft hij aangever een aantal keer in het gezicht gestompt. Aangever heeft daarbij letsel opgelopen. De verdachte heeft vervolgens gezegd dat aangever de volgende dag € 100,- moest betalen omdat anders het vervolg zou komen.

Afpersing is een ernstig feit. Door het geweld en de dreiging heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Kwalijk daarbij is dat dit handelen van verdachte in de woning van aangever en zijn vriendin heeft plaatsgevonden, bij uitstek een plek waar men zich veilig zou moeten voelen. De verdachte heeft met zijn handelen angst aangejaagd.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 juli 2018, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte eerder tot een langdurige gevangenisstraf is veroordeeld voor een ernstig geweldsdelict.

7.3.2.

Rapportages

Psycholoog H. Leijsen heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 1 oktober 2018. Dit rapport omvat onder meer het volgende.

Er is bij betrokkene sprake van een stoornis in middelengebruik en een persoonlijkheidsstoornis met paranoïde en antisociale trekken. Dus het inzetten van een op gedragsverandering gerichte (psychologische) behandeling is - vanuit zorgoogpunt - bij betrokkene geïndiceerd. In eerste instantie zal betrokkene geholpen moeten worden bij het vinden van een geschikte woonplek en het regelen van zijn uitkering. Er zal eerst op dit vlak een stabiele situatie gecreëerd moeten worden, voordat betrokkene aan de slag kan met zijn psychologische problemen. Vervolgens zal hij begeleid moeten worden bij het vinden van werk (ook in verband met zijn financiële situatie) - in ieder geval het creëren van een adequate dagstructuur en daginvulling. In de verdere behandeling zal vervolgens aandacht besteed moeten worden aan vergroting van de impulscontrole. Betrokkene zal moeten leren om zijn impulsen beter te beheersen en leren beter na te denken over de consequenties van zijn gedrag (vaardigheidstraining). Ook zal aandacht besteed moeten worden aan de verslavingsgevoeligheid van betrokkene, om te voorkomen dat hij terugvalt in verslavingsgedrag. Hierbij zal het van belang zijn om betrokkene alternatieve, adequatere copingvaardigheden aan te leren. Hierbij zal tevens aandacht besteed moeten worden aan het vergroten van het inzicht: betrokkene zal inzicht moeten krijgen in factoren die bijdragen aan zijn (probleem)gedrag, hij zal signalen die kunnen leiden tot delictgedrag moeten leren herkennen en benoemen (op tijd aan de rem trekken). De insteek zal gedragsmatig/ gedragstherapeutisch moeten zijn, gericht op het aanleren van vaardigheden (maar ook aandacht voor rouw/ verwerking). De nadruk zal moeten komen te liggen op de ervaring en op gedrag, niet zozeer op cognities. Ten slotte is het van belang - in verband met het wantrouwen van betrokkene - om een stevige werkrelatie op te bouwen met een vaste behandelaar (goede match). Een gedragsmatige behandeling die alle hierboven genoemde doelen nastreeft, is geïndiceerd.

Daar pogingen om betrokkene ambulant te helpen al herhaaldelijk niet van de grond zijn gekomen, lijkt het opstarten vanuit een klinische setting de enige manier om de begeleiding en behandeling van betrokkene adequaat vorm te geven. Betrokkene lijkt in eerste instantie regels en structuur nodig te hebben (dit is hij gewend ; hij is min of meer geïnstitutionaliseerd geraakt in de loop der tijd). Hierbij kan gedacht worden aan een opname op een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) of een gelijkwaardige afdeling/ instelling. Vanuit de klinische setting kan dan langzaamaan toegewerkt worden naar een beschermde woonvorm in een ambulant nazorgtraject, waarbij zijn vrijheden geleidelijk opgebouwd kunnen worden om uiteindelijk tot een adequate resocialisering te komen. Daar betrokkene in de regio Rotterdam/ Spijkenisse, nog steeds bekend is met veel criminele of antisociale netwerkleden, kan hij het beste geplaatst worden op een klinische afdeling buiten de regio Rotterdam/ Spijkenisse.

Betrokkene kan door de Reclassering verwezen worden voor bovengenoemde klinische opname. Bij een eventuele langere detentie, zou betrokkene in het kader van detentiefasering en een TR-traject (Terugdringen Recidive) ook al eerder overgeplaatst kunnen worden.

Antes Reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 oktober 2018. De reclassering acht het behandelvoorstel van de NIFP zoals opgenomen in het rapport van 1 oktober 2018 het aangewezen traject om te volgen. De reclassering ziet een hoog algemeen recidiverisico indien de huidige bijzondere voorwaarden niet worden aangevuld met een klinische behandelverplichting en adviseert de volgende bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf:

De verdachte moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de verdachte zich melden bij de reclassering voor zolang en zo frequent als zij gedurende deze periode nodig acht. Betrokkene zal uitgenodigd worden door de reclassering voor een eerste gesprek.

De verdachte wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ nog af te geven indicatiestelling zich voor behandeling te laten opnemen in een FPA, of een soortgelijke intramurale instelling, zulks te beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven.

De verdachte wordt verplicht om zich ambulant te laten behandelen voor zowel zijn verslavings- als psychische problematiek bij een instelling voor ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. De reclassering acht het daarbij van belang dat een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek kan plaatsvinden binnen een ambulant behandelingstraject.

Verzocht wordt om in de beslissing op te nemen dat de verdachte wordt verplicht tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken, als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Betrokkene wordt verplicht om zich te laten opnemen in een begeleide woonvorm (bij voorkeur zonder gebruik) van Antes GGZ of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, daar te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Deze aanmelding voor begeleid wonen zal door de reclassering worden beoordeeld op noodzaak, en duur.

Dat verdachte zal gedurende de proeftijd deelnemen aan de gedragsinterventie GI-GGZ Leefstijltraining, waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie aan verdachte zullen worden gegeven.

De verdachte wordt verplicht om zich in te spannen voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle (betaalde) dagbesteding en het op orde stellen van de financiële zaken. Betrokkene geeft de toezichthouder ten aanzien van dagbesteding en financiën openheid van zaken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Daarbij legt de rechtbank een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit, [naam benadeelde] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3042,11 aan materiële schade en een vergoeding van € 6000,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

9 Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

9.1.

Beslissing waarvan herroeping wordt gevorderd

Bij arrest van 16 december 2008 van de strafkamer van de Hoge Raad is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 13 jaar en 10 maanden, met aftrek van voorarrest en bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 15 augustus 2005 voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdachte is op 13 januari 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de hierbij gestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd is ingegaan op 27 februari 2015 en bedroeg 1772 dagen.

Daarna is de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen, namelijk bij uitspraak van 10 november 2017 van deze rechtbank, voor een periode van 60 dagen.

9.2.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de vordering niet in verhouding staat met de feiten waarvan de verdachte wordt verdacht en waarvoor de verdachte al geruime tijd in voorlopige hechtenis zit. Volgens de verdediging moet rekening worden gehouden met de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft doorgemaakt, die blijkt uit de rapportage van de reclassering. Toewijzing van de vordering zou de voortgang van de verdachte teniet doen.

9.3.

Beoordeling

Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde niet nageleefd.

Gelet op het bewezenverklaarde ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals door de raadsvrouw is betoogd, de door de officier van justitie gevorderde periode van 200 dagen te matigen. De duur van de voorlopige hechtenis is niet relevant bij de vraag of de gevorderde herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden gematigd. De omstandigheid dat de verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, zoals aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om de vordering te matigen. De verdachte heeft zich immers tijdens de periode waarin hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld, schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, gedeeltelijk, te weten voor een periode van 200 dagen, moet worden ondergaan.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 40 (veertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt dan wel tijdens die proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Antes Reclassering zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal op basis van de door het NIFP-IFZ nog af te geven indicatiestelling zich voor behandeling te laten opnemen in een FPA, of een soortgelijke intramurale instelling, zulks te beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

3. de veroordeelde zal zich ambulant laten behandelen voor zowel zijn verslavings- als psychische problematiek bij een ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. De veroordeelde wordt verplicht tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

4. de veroordeelde zal verblijven in de instelling voor begeleid wonen van Antes GGZ of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zal zich houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Deze aanmelding voor begeleid wonen zal door de reclassering worden beoordeeld op noodzaak, en duur. De veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven;

5. de veroordeelde zal deelnemen aan de gedragsinterventie GI-GGZ Leefstijltraining, waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie aan verdachte zullen worden gegeven;

6. de veroordeelde wordt verplicht om zich in te spannen voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle (betaalde) dagbesteding en het op orde stellen van de financiële zaken. Betrokkene geeft de toezichthouder ten aanzien van dagbesteding en financiën openheid van zaken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de onder nummers 1 tot en met 6 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

gelast dat van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog een gedeelte, groot 200 (tweehonderd) dagen, moet worden ondergaan.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

en mrs. P. Putters en D.Y.A. van Meersbergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.W.A. Sonneveld-de Raad, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 15 februari 2018 te Simonshaven, gemeente Nissewaard,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de

afgifte van een pinpas en/of een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn

mededader

(nadat die [naam slachtoffer 2] bij verdachte en zijn mededader in de auto was gestapt)

-tegen die [naam slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat deze zijn pinpas en zijn mobiele

telefoon moest afgeven en/of

-(waarbij) hij, verdachte, (vervolgens) aan zijn mededader de woorden

heeft toevoegd:"Geef (mij) het mes", althans woorden van gelijke dreigende

aard en/of strekking en/of

-bij die [naam slachtoffer 2] angst heeft/hebben ingeboezemd;

2.

hij

op of omstreeks 15 februari 2018 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen

misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] te dwingen tot de

afgifte van een geldbedrag (100 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan die [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader,

-de woning van die [naam slachtoffer 1] is/zijn binnengedrongen en/of

-die [naam slachtoffer 1] bij zijn shirt heeft/hebben vastgepakt en/of

-die [naam slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht,

althans tegen/op het hoofd heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

-tegen die [naam slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat deze de andere dag 100 euro

moest betalen anders zou het vervolg komen, althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 15 februari 2018 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet, meermalen, althans eenmaal,

die [naam slachtoffer 1] (met kracht) in het gezicht, althans tegen/op het hoofd

heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.