Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:11280

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-12-2018
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
10/996626-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In mega Kalifornsky stonden 24 verdachten terecht, deels voor de meervoudige strafkamer, deels bij de politierechter. De kern van de strafzaak betreft (faillissements- en belasting)fraude binnen verschillende bedrijven uit de uitzendbranche. Verschillende verdachten waren werkzaam bij die bedrijven of verleenden diensten als boekhouder. Weer andere verdachten stonden terecht wegens het versturen van valse facturen aan een van die uitzendbedrijven. Een van de hoofdverdachten kreeg 4,5 jaar gevangenisstraf, de straffen van de andere verdachten (voor zover veroordeeld) varieerden van taakstraffen tot 30 maanden gevangenisstraf. Bij enkele verdachte-vennootschappen is geen straf opgelegd. Het onderhavige vonnis betreft een van de hoofdverdachten (4,5 jaar gevangenisstraf)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/996626-16

Datum uitspraak: 20 december 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Karaman (Turkije) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 30 oktober 2018, 31 oktober 2018 en 20 december 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd, zoals nadien gewijzigd op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie. De tekst van de aldus gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 eerste en tweede cumulatief, 5, 6 (medeplegen van gewoontewitwassen) en 7 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs1

4.1.

Inleiding

Centraal in de strafzaak Kalifornsky staan enkele vennootschappen die werkzaam waren in de uitzendbranche. Het betreft [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ), [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2] ), [naam bedrijf 3] (hierna: [naam bedrijf 3] ) en [naam bedrijf 4] (hierna: [naam bedrijf 4] ). Binnen die vennootschappen zou volgens de officier van justitie op grootschalige wijze faillissementsfraude, valsheid in geschrifte, belastingfraude en witwassen hebben plaatsgevonden. Hij stelt dat er sprake is van een criminele organisatie en verwijt de verdachte daaraan deelgenomen te hebben. Verder stelt de officier van justitie dat de verdachte een aantal specifieke strafbare feiten heeft begaan.

De verdediging stelt dat de verdachte van de feiten 1, 2 primair en 3 primair moet worden vrijgesproken (omdat bij de laatste twee feiten geen sprake zou zijn van strafbare gedragingen van de rechtspersonen) en subsidiair dat de verdachte aan die feiten geen leiding heeft gegeven, zodat vrijspraak om die reden moet volgen.

Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit omdat de verdachte geen leiding heeft gegeven aan het feit. De verdediging heeft gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 5 onder C en D omdat er geen sprake is van valse stukken. Van het ten laste gelegde onder 5 A en B moet eveneens vrijspraak volgen omdat de verdachte niet feitelijk leiding heeft geven aan de strafbare gedraging van de rechtspersoon en daar evenmin opdracht toe heeft gegeven. De verdediging heeft verzocht het onder feit 6, vierde gedachte streepje, tenlastegelegde bedrag (€ 1.552.668,94) te matigen en de verdachte vrij te spreken van het (gewoonte)witwassen van de overige bedragen. Ten slotte heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de onder feit 7 ten laste gelegde verduistering en heeft ze zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de eveneens onder dat feit ten laste gelegde oplichting.

Bij de waardering van het bewijs zal de rechtbank eerst ingaan op een aantal strafbare feiten die binnen voornoemde vennootschappen heeft plaatsgevonden en zal worden aangegeven wie daarbij betrokken waren. Aansluitend zal de rechtbank motiveren waarom zij van oordeel is dat er sprake is van een criminele organisatie en dat de verdachte daartoe behoorde, kortom: waarom feit 1 van de tenlastelegging bewezen is. Tenslotte zal worden ingegaan op de feiten 2 e.v. van de tenlastelegging van de verdachte.

Omdat er in deze strafzaak sprake is van een groot aantal verdachten en de hierna volgende bewijsbeoordeling ook op hen ziet, wordt voor de leesbaarheid van die beoordeling hoofdzakelijk verwezen naar de verschillende verdachten met hun eigen naam, dus zonder steeds de aanduiding ‘de verdachte’ of ‘de medeverdachte’.

4.2.

Strafbare feiten bij [naam bedrijf 1]

4.2.1.

Inleiding

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

- [naam bedrijf 1] is in 2005 opgericht door [naam bedrijf 1] als uitzendbureau in de steigerbouw. Op 16 februari 2011 is de feitelijke leiding van de vennootschap overgegaan naar [naam verdachte] / [naam bedrijf 2] en [naam medeverdachte 1] / [naam bedrijf 3] .2 De aandelenoverdracht vond later plaats, in november 2011.3

- Tussen 25 februari 2011 en 2 april 2013 was [naam 1] bestuurder van de vennootschap. Op 2 april 2013 werd [naam 2] bestuurder van de vennootschap en op 7 juni 2013 werd hij opgevolgd door [naam 3] als bestuurder. Op 30 augustus 2013 werd [naam 4] bestuurder en aandeelhouder.4 Tot slot werd [naam 5] bestuurder op 7 januari 2014.5

- Op 11 november 2014 werd het faillissement van de vennootschap uitgesproken en werd curator [naam curator 1] aangesteld.6 Hij werd geconfronteerd met een vennootschap waarvan de activiteiten al enige tijd zijn beëindigd en de hiervoor genoemde opeenvolging van bestuurders. De vorderingen die bij de curator zijn ingediend, bedragen € 6.146.063,- waaronder een belastingschuld van € 5.944.156,-. Uiteindelijk deed de curator op 20 april 2016 aangifte van faillissementsfraude.7

De FIOD heeft de opvolgende bestuurders gehoord c.q. geprobeerd te horen:

  • -

    [naam 1] en [naam 2] hebben zich op hun zwijgrecht beroepen.

  • -

    [naam 3] heeft aangegeven dat hij via [naam medeverdachte 1] is benaderd voor een gesprek met hem, [naam verdachte] en hun advocaat [naam advocaat] . Hij is overgehaald om [naam bedrijf 1] op zijn naam te zetten om puur fiscale redenen en omdat [naam 2] al te veel bedrijven op zijn naam had. Hij deed niets als directeur en had geen inzicht in de administratie, de dagelijkse werkzaamheden en de activiteiten van [naam bedrijf 1] . [naam 3] gaf aan dat hij zich er niet goed bij voelde, dat hij terug is gegaan naar [naam medeverdachte 1] en dat het bedrijf aan een ander werd overgedragen. Dit ging buiten [naam 3] om.8

- [naam 4] heeft nimmer een verklaring gegeven over zijn rol als aandeelhouder en bestuurder. Hij is tot op heden onvindbaar.9

- [naam 5] heeft verklaard, nadat hij in april 2014 was gegijzeld ingevolge artikel 87 van de Faillissementswet, dat hij ‘katvanger’ was in ruil voor € 2.500,-. Dit bedrag zou hij niet hebben ontvangen. Ook verklaarde hij nooit enig stuk van de vennootschap te hebben gehad en administratie had hij ook niet. In zijn verhoor bij de FIOD heeft hij dit bevestigd en aangegeven dat hij er € 150,- voor heeft gekregen.10

4.2.2.

Onttrekkingen aan de boedel

De faillissementsfraude binnen [naam bedrijf 1] heeft volgens de officier van justitie betrekking op het onttrekken van gelden en goodwill aan de vennootschap voorafgaand aan het faillissement.

Onttrekking van goodwill

De rechtbank stelt vast dat er inderdaad sprake is van onttrekking van goodwill in het zicht van het faillissement. De uitzendactiviteiten van [naam bedrijf 1] zijn in 2012/2013 overgegaan naar [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] en later naar [naam bedrijf 4] .11Van enige vergoeding in de vorm van goodwill daarvoor is geen aanknopingspunt in het dossier gevonden en daarover is door geen van de betrokkenen verklaard. Na die overdracht zijn – zoals uit het voorgaande blijkt – opeenvolgende bestuurders / aandeelhouders als katvangers ingezet en uiteindelijk is de vennootschap achter gebleven met grote belastingschulden, waarna uiteindelijk het faillissement volgde. Bij gebreke van enige andersluidende uitleg moet het er voor gehouden worden dat het faillissement voorzienbaar was ten tijde van het leeghalen van [naam bedrijf 1] zodat er sprake was van opzet op benadeling van de schuldeisers.

Bij het onttrekken van de goodwill aan [naam bedrijf 1] zijn betrokken (en verantwoordelijk) [naam verdachte] en [naam bedrijf 2] / [naam bedrijf 5] en [naam medeverdachte 1] en [naam bedrijf 3] / [naam bedrijf 6] als feitelijk beleidsbepalers. [naam 1] was op dat moment bestuurder.

Onttrekking van gelden

Naast de goodwill gaat de officier van justitie uit van een bedrag van € 1.130.575,- aan onttrekkingen uit de vennootschap. Dit totaalbedrag bestaat uit € 201.945,- aan leningen,

€ 856.990,- aan rekening courant directie en € 71.640,- aan contante geldopnamen.

Over deze posten oordeelt de rechtbank als volgt.

De leningen en rekening courant directie

Uit de jaarverslagen van 2009 tot en met 201212 valt af te leiden dat de posten ‘lening’ en ‘rekening courant directie’ voor soortgelijke bedragen al in 2009 en daarop volgende jaren bestonden. Er is geen specifieke informatie beschikbaar over het verloop van deze posten anders dan de bedragen uit de jaarrekeningen (in wezen momentopnamen aan het einde van het jaar). Daardoor is niet gebleken dat deze vorderingen in het zicht van het faillissement zijn ontstaan of gecreëerd.

Contante opnamen

Het bedrag aan contante opnamen van € 71.740,- is een gecumuleerd bedrag over de periode van 2 januari 2012 tot en met 27 oktober 2014 van mutaties op de bankrekening van [naam bedrijf 1] bij ABN AMRO13. In het dossier ontbreken de bankafschriften en het excelbestand waar de berekening uit is afgeleid. Nu de rechtbank niet kan nagaan op welke data de opnamen zijn gedaan en de tijdspanne ruim is, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze opnamen in het zicht van het faillissement zijn gedaan.

Conclusie over de onttrekkingen

De rechtbank stelt vast dat de goodwill uit de vennootschap is onttrokken in het zicht van het faillissement. Niet vastgesteld kan worden dat er gelden in het zicht van het faillissement zijn onttrokken aan de vennootschap.

4.2.3.

Witwassen

Nu alleen het onttrekken van goodwill aan de boedel van [naam bedrijf 1] kan worden bewezen, is er geen bewijs voor het (gewoonte)witwassen van gelden vanuit [naam bedrijf 1] .

4.2.4.

Het niet tevoorschijn brengen van een administratie

De curator heeft in zijn aangifte14 aangegeven dat hij niet over een administratie beschikt. Daardoor is het niet mogelijk de rechten en plichten van [naam bedrijf 1] vast te stellen en wordt de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt. Uit de verklaring van [naam 5] blijkt dat de curator inderdaad geen stukken van hem heeft gekregen.15 [naam 1] , [naam 2] , [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] hebben hierover niet willen verklaren. De rechtbank concludeert dat de administratie inderdaad niet aan de curator is afgegeven.

Onbetwist is dat het bijhouden van een administratie een gedraging is die behoort in de normale bedrijfsvoering van een rechtspersoon. Het niet voeren van een (deugdelijke) administratie en het niet ter beschikking stellen aan de curator van die administratie, alsook de opzet daarop, kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden toegerekend aan [naam bedrijf 1] en alle hiervoor genoemde verdachten nu zij er aan hebben meegewerkt.

4.2.5

Feitelijk leidinggeven door [naam verdachte]

De verdediging heeft aangevoerd dat [naam verdachte] niet als feitelijk leidinggevende kan worden aangemerkt binnen [naam bedrijf 1] . De rechtbank gaat daaraan voorbij. [naam verdachte] was aandeelhouder tot en met 30 augustus 2013 en als zodanig mede verantwoordelijk voor wat er binnen [naam bedrijf 1] voorviel. Nu het leeghalen van [naam bedrijf 1] en de overgang van het personeel naar [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 2] (hiervan was [naam verdachte] eveneens eigenaar) en later naar [naam bedrijf 4] , zoals onder 4.2.2 al is aangegeven in 2012/ begin 2013 plaatsvond, is [naam verdachte] daar als aandeelhouder mede voor verantwoordelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat al tijdens het aandeelhouderschap van [naam verdachte] katvangers, waaronder [naam 3] , als bestuurder werden benoemd.

4.3.

Strafbare feiten bij [naam bedrijf 2]

4.3.1.

Feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

- [naam bedrijf 2] is op 28 september 2000 opgericht met [naam verdachte] als enig bestuurder en aandeelhouder.16 Sinds 2010 had [naam bedrijf 2] als doel het aannemen van werk en het uitzenden van personeel in de steigerbouw en de exploitatie van registergoederen.

- De aandelen van [naam bedrijf 2] zijn op 22 september 2011 ingebracht in de door [naam verdachte] opgerichte rechtspersoon [naam bedrijf 5] .17 [naam verdachte] was tot 9 oktober 2015 algemeen directeur van [naam bedrijf 5] . Tot 12 april 2012 was [naam verdachte] tevens enig aandeelhouder van [naam bedrijf 5] en vanaf die datum indirect via de door hem opgerichte stichting Stichting Administratiekantoor [naam bedrijf 5] .18 In het handelsregister is de wijziging van aandeelhouder van [naam bedrijf 2] niet geregistreerd.

- [naam verdachte] / [naam bedrijf 5] is per 24 april 2012 door [naam 6] opgevolgd als bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 2] .19 In de akte van levering van 24 april 2012 is vermeld dat de koopprijs van de aandelen een miljoen euro bedraagt.20 Aan de akte van levering is een koopakte (Share Purchase Agreement) tussen [naam 6] , [naam bedrijf 5] en [naam bedrijf 2] gehecht, gedateerd 2 januari 2012.21 In deze koopakte is geregeld dat het te betalen bedrag van 1 miljoen euro door [naam 6] in termijnen zal worden betaald, afhankelijk van de behaalde omzet. Uit de stukken blijkt niet dat [naam 6] het overeengekomen bedrag van 1 miljoen euro heeft betaald.

- Per 17 september 2013 is [naam 6] als bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 2] opgevolgd door [naam 7] .22 [naam 7] heeft op 17 augustus 2017 bij de FIOD verklaard dat hij destijds door drugsdealers is benaderd met de vraag of hij bestuurder en aandeelhouder van [naam bedrijf 2] wilde worden. Volgens [naam 7] was hij een soort katvanger en heeft hij voor het op zijn naam zetten van de onderneming € 500,- gekregen. De administratie van [naam bedrijf 2] heeft hij nooit gezien.23

- Uit onderzoek naar de bankrekening van [naam bedrijf 2]24 is gebleken dat in de jaren 2011, 2012 en 2013 frequent contante bedragen zijn opgenomen. In 2011 is in totaal
€ 295.872,- van de bankrekening van [naam bedrijf 2] gepind. In 2012 bedroeg het totaal gepinde bedrag € 284.670,- , waarvan € 74.000,- is opgenomen vóór de levering van de aandelen van [naam bedrijf 2] aan [naam 6] op 24 april 2012. In 2013 bedroeg het totaal gepinde bedrag € 46.000,-. Niet is gebleken met welk doel deze bedragen zijn gepind.

  • -

    Uit het onderzoek is verder naar voren gekomen dat in de periode 9 maart 2012 tot en met 25 juni 2012 van de bankrekening van [naam bedrijf 2] € 586.650,- is overgeboekt naar de bankrekening van [naam bedrijf 5] . Van dit bedrag is op 23 maart 2012 € 495.000,- overgemaakt met de omschrijving ‘dividend’. Daarnaast is er in de periode van januari 2011 tot en met augustus 2012 van de bankrekening van [naam bedrijf 2] ruim € 600.000,- overgemaakt naar verschillende ondernemingen. Voor welke tegenprestaties de betreffende ondernemingen zijn betaald is onduidelijk. Tot slot is gebleken dat [naam bedrijf 2] tussen 1 februari 2011 en 28 juli 2011 € 300.000,- heeft overgemaakt naar [naam verdachte] . Bij de overboekingen staat als omschrijving ’lening’. Een leningsovereenkomst of stukken waaruit blijkt dat [naam verdachte] de lening heeft afgelost, ontbreken.

  • -

    Meerdere getuigen hebben verklaard dat zij eerst voor [naam bedrijf 2] werkten, waarna zij in 2012 en 2013 zijn overgegaan naar [naam bedrijf 4] .25 Volgens getuige [naam getuige 1] veranderde het bedrijf [naam bedrijf 2] in het bedrijf [naam bedrijf 4] en ging de overgang van werknemers van [naam bedrijf 2] naar [naam bedrijf 4] stapsgewijs.26 Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat hij werkte bij [naam bedrijf 2] en dat hij is meegegaan naar [naam bedrijf 4] nadat hem dat was gevraagd.27 Volgens getuige [naam getuige 3] ging de overgang van werknemers van [naam bedrijf 2] naar [naam bedrijf 4] automatisch.28

- Uit een conceptrapport van de Belastingdienst van 22 mei 2015 inzake een ingesteld boekenonderzoek bij [naam bedrijf 4]29 blijkt dat de omzet van [naam bedrijf 4] in 2012 en 2013 fors toenam; de omzet van [naam bedrijf 4] was in 2011 € 8.000,-, in 2012 nam de omzet toe tot 4,8 miljoen euro en in 2013 was de omzet 15,3 miljoen euro.

- De omzet van [naam bedrijf 2] liep vanaf 2012 terug. Volgens de aangetroffen jaarrekening van 2011 was de omzet van [naam bedrijf 2] in 2011 nog € 9.898.993,40.30 In 2012 was de omzet volgens de jaarrekening van 2012 gedaald tot € 6.666.558,03.31

- Op 18 maart 2014 is [naam bedrijf 2] failliet verklaard.32 De curator heeft vervolgens op 23 augustus 2016 aangifte gedaan van faillissementsfraude.33 Op het adres van de vennootschap heeft de curator niemand aangetroffen die enige duidelijkheid over het faillissement kon geven. De bedrijfsruimte bleek te zijn ontruimd en te zijn verlaten. De curator is er niet in geslaagd de bestuurder van [naam bedrijf 2] te traceren en om in het bezit te komen van de administratie. Hierdoor was de curator niet in staat de rechten en plichten van de gefailleerde te onderkennen. De aangifte heeft tevens betrekking op het onttrekken van goederen of geld aan de boedel.

- Uit het zevende faillissementsverslag van 9 september 2016 van de curator blijkt dat [naam bedrijf 2] een belastingschuld heeft van € 2.177.928,-. Het bedrag van de concurrente crediteuren bedraagt € 562.436,-.34

4.3.2.

Onttrekking geld en goodwill aan de boedel

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in elk geval vanaf eind 2011 voorzienbaar was dat [naam bedrijf 2] afstevende op een faillissement. Vanaf 2011 werden er grote bedragen gepind van de bankrekening van [naam bedrijf 2] en zijn er aanzienlijke bedragen overgeboekt naar de bankrekeningen van [naam verdachte] , [naam bedrijf 5] en andere ondernemingen. Van veel opnames en betalingen is onduidelijk gebleven wat de reden daarvan was. Daarnaast volgt uit meerdere getuigenverklaringen dat [naam bedrijf 2] in 2012 haar personeel liet overstappen naar [naam bedrijf 4] . Niet is gebleken dat [naam bedrijf 4] hiervoor een vergoeding heeft betaald. Nadat [naam bedrijf 2] vanaf 24 april 2012 op naam van katvangers werd gezet (zie hierna) is de onderneming per 18 maart 2014 in staat van faillissement verklaard.

Volgens de aangetroffen balans over 2012 bestonden de activa van [naam bedrijf 2] op 31 december 2012 uit onder meer de volgende posten: een vordering van € 766.601,- op [naam bedrijf 5] , een vordering van € 2.264.819,97 op de directie, een vordering van € 675.654,86 op [naam 6] , een ‘lening overig’ ten bedrage van € 198.237,- en ‘transitorische posten’ van € 307.078,85 (totaal € 4.212.391,68, zijnde het ten laste gelegde bedrag).35 De officier van justitie stelt dat deze bedragen aan de vennootschap onttrokken zijn in het zicht van het faillissement.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

De vordering op de directie bestond volgens de jaarrekeningen ook al in 200936, 201037 en 201138, maar in 2012 was die vordering ten opzichte van het voorgaande jaar met € 280.006,11 toegenomen. De post ‘lening overig’ bestond in de voorafgaande jaren ook al (en was toen hoger). Er is geen specifieke informatie beschikbaar over het verloop van deze beide posten anders dan de bedragen uit de jaarrekeningen. Daardoor is niet gebleken dat de vordering op de directie, voor zover deze eind 2012 meer bedroeg dan € 280.006,11, en de post ‘lening overig’ in het zicht van het faillissement zijn ontstaan of gecreëerd. Dat betekent dat slechts een deel van het ten laste gelegde bedrag is ontstaan in het zicht van het faillissement, te weten € 2.029.340,82 (€ 766.601,- + € 675.654,86 + € 307.078,85 +

€ 280.006,11).

Aan het verweer van de verdediging van [naam verdachte] dat de balans niet een correcte weergave is van de werkelijkheid gaat de rechtbank voorbij, omdat deze stelling op geen enkele wijze verder is onderbouwd anders dan met verwijzing naar de opmerking van de FIOD dat crediteuren met de jaarrekening onjuist zijn voorgelicht. De verdediging heeft ook niet aangegeven van welke bedragen dan wel zou moeten worden uitgegaan.

Ten tijde van het faillissement op 18 maart 2014 is het bedrag van € 2.029.340,82 niet aangetroffen. Wel had [naam bedrijf 2] een aanzienlijke (belasting)schuld. [naam verdachte] heeft zich bij de FIOD steeds op zijn zwijgrecht beroepen.


Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het zicht van het faillissement

opzettelijk € 2.029.340,82 en goodwill - bestaande uit personeel dat is overgegaan naar [naam bedrijf 4] - is onttrokken aan de boedel van [naam bedrijf 2] en dat daardoor schuldeisers zijn benadeeld. Deze gedraging kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid worden toegerekend aan [naam bedrijf 2] , omdat de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van deze rechtspersoon.

4.3.3.

Geen (deugdelijke) administratie voeren en ter beschikking stellen aan de curator

Vaststaat dat de curator niet in het bezit is gesteld van de administratie, waardoor hij zich geen (goed) beeld heeft kunnen vormen van de rechten en plichten van [naam bedrijf 2] . [naam 7] , die van 17 september 2013 tot het faillissement enig aandeelhouder en bestuurder was van [naam bedrijf 2] heeft verklaard dat hij katvanger was en nooit de administratie van [naam bedrijf 2] heeft gezien. Evenmin is gebleken dat er een administratie is gevoerd die voldoet aan de wettelijke vereisten.

Onbetwist is dat het bijhouden van een administratie een gedraging is die behoort in de normale bedrijfsvoering van een rechtspersoon. Het niet voeren van een (deugdelijke) administratie en het niet ter beschikking stellen aan de curator van die administratie, alsook de opzet daarop, kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden toegerekend aan [naam bedrijf 2] .

4.3.4.

Witwassen

Nu kan worden bewezen dat (kort gezegd) een geldbedrag van € 2.264.819,97 aan de boedel van [naam bedrijf 2] is onttrokken in het zicht van het faillissement, heeft dat bedrag een criminele herkomst en hebben degenen die het aangaat – in het bijzonder [naam verdachte] – daarmee een geldbedrag met criminele herkomst voorhanden gehad.

4.3.5.

Feitelijk leidinggeven [naam verdachte]

De verdediging van [naam verdachte] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij niet aangemerkt kan worden als feitelijk leidinggevende van de strafbare gedragingen van [naam bedrijf 2] , omdat hij vanaf 24 april 2012 niet meer betrokken was bij [naam bedrijf 2] . De aandelen zijn op die datum verkocht aan [naam 6] en hierna had [naam verdachte] geen zeggenschap meer over [naam bedrijf 2] . Gelet op het forse bedrag dat met de verkoop van de aandelen [naam bedrijf 2] was gemoeid, kan [naam 6] niet worden aangemerkt als katvanger. Met [naam 7] heeft [naam verdachte] nooit contact gehad.

De rechtbank volgt de verdediging hierin niet en overweegt daartoe het volgende.

Vanaf 24 april 2012 was [naam verdachte] weliswaar formeel geen bestuurder meer van [naam bedrijf 2] , maar een dergelijke juridische positie is geen vereiste om als feitelijk leidinggevende aangemerkt te worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam verdachte] het binnen [naam bedrijf 2] , ook in de periode tussen 24 april 2012 tot aan het faillissement steeds voor het zeggen gehad. Op 24 april 2012 zijn de aandelen van [naam bedrijf 2] door [naam verdachte] / [naam bedrijf 5] geleverd aan [naam 6] , maar niet blijkt dat [naam 6] het overeengekomen bedrag voor de aandelen (1 miljoen euro) heeft betaald. [naam verdachte] heeft daarover ook geen duidelijkheid verschaft. Uit de bankafschriften van [naam 6] komt slechts naar voren dat [naam bedrijf 2] hem in 2012 een bedrag van € 23.550,- en in 2013 een bedrag van € 17.085,17 heeft betaald, met de omschrijvingen ‘loon’ en ‘voorschot’39. Dat [naam 6] anders dan als katvanger bemoeienis heeft gehad met [naam bedrijf 2] , blijkt echter nergens uit. [naam 6] zelf heeft nooit een verklaring afgelegd, omdat hij onvindbaar is. De opvolger van [naam 6] , [naam 7] , heeft verklaard dat hij een soort katvanger was en daar € 500,- voor heeft ontvangen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan die verklaring te twijfelen.

Dat [naam verdachte] na 24 april 2012 de touwtjes in handen heeft gehouden, blijkt ook uit meerdere verklaringen van voormalig werknemers van [naam bedrijf 2] . Getuige [naam getuige 4]40 heeft verklaard dat hij vanaf 2010 bij [naam bedrijf 2] werkte en in januari 2013 is overgegaan. Volgens de getuige was [naam verdachte] bij [naam bedrijf 2] de grote baas. Getuigen [naam getuige 5] en [naam getuige 2]41 hebben eveneens verklaard dat zij van [naam bedrijf 2] (op verzoek) zijn overgestapt naar [naam bedrijf 4] en dat [naam verdachte] hun baas is gebleven. Geen van de voormalig werknemers spreekt over [naam 6] . Dat [naam 6] kennelijk niet betrokken was bij [naam bedrijf 2] kan ook worden afgeleid uit een mail van [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 1] van 21 juni 201242 waarin hij schrijft over een overeenkomst om de activiteiten van [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 1] samen te voegen. [naam 6] wordt in deze mail niet genoemd als vertegenwoordiger van [naam bedrijf 2] .

Het oordeel dat [naam verdachte] na de aandelenoverdracht aan [naam 6] nog steeds zeggenschap had over [naam bedrijf 2] wordt ook ondersteund door een brief van de boekhouder van 3 april 2013 gericht aan [naam verdachte] . Met deze brief ontvangt [naam verdachte] de jaarrekening van [naam bedrijf 2] over 2012 met de mededeling dat de jaarrekening is opgesteld op grond van de door [naam verdachte] verstrekte stukken.43

De rechtbank concludeert dat het steeds [naam verdachte] is geweest, ook na 24 april 2012, die binnen [naam bedrijf 2] bepaalde wat er gebeurde. Gelet daarop staat voor de rechtbank vast dat

[naam verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onttrekken van in totaal € 2.029.340,82 en goodwill aan de boedel en aan het opzettelijk niet voeren van een (deugdelijke) administratie en het niet overleggen van de administratie aan de curator door de rechtspersoon.

4.4.

Strafbare feiten bij [naam bedrijf 3]

4.4.1.

Feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

- [naam bedrijf 3] is in 2003 opgericht door [naam medeverdachte 1] als uitzendbureau in de steigerbouw. [naam medeverdachte 1] was tot 22 augustus 2012 enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap. Tussen 22 augustus 2012 en 26 september 2013 was [naam 8] aandeelhouder en bestuurder. Per 26 september 2013 werd hij opgevolgd door [naam 9] als aandeelhouder en bestuurder.44

- Op 29 oktober 2013 werd het faillissement van de vennootschap uitgesproken en werd curator [naam curator 2] aangesteld.45 Hij is geconfronteerd met een vennootschap waarvan de activiteiten al enige tijd zijn beëindigd en een onvindbare aandeelhouder en bestuurder. De vorderingen die bij de curator zijn ingediend bedragen dan € 1.499.640,82, waaronder een belastingschuld van € 1.112.877,10. Op 19 mei 2016 heeft de curator aangifte gedaan van faillissementsfraude.46

De FIOD heeft de opvolgende bestuurders van [naam bedrijf 3] gehoord c.q. proberen te horen. [naam medeverdachte 1] en [naam 8] hebben zich op hun zwijgrecht beroepen, [naam 9] heeft verklaard dat hij meerdere bedrijven op zijn naam heeft gehad en dat hij altijd katvanger is geweest.47

4.4.2.

Onttrekkingen aan de boedel

Onttrekking van de goodwill

De rechtbank stelt vast dat er ook bij [naam bedrijf 3] sprake is van onttrekking van goodwill in het zicht van het faillissement. De uitzendactiviteiten van [naam bedrijf 3] zijn overgegaan naar [naam bedrijf 4] .48 Er is niet gebleken dat daarvoor enige vergoeding in de vorm van goodwill is betaald aan de vennootschap.49 Na die overdracht zijn – zoals uit het voorgaande blijkt – opeenvolgende bestuurders/aandeelhouders als katvangers ingezet en uiteindelijk is de vennootschap achter gebleven met grote belastingschulden, waarna uiteindelijk het faillissement volgde. Bij gebreke van enige andersluidende uitleg moet het er voor gehouden worden dat het faillissement voorzienbaar was ten tijde van het leeghalen van de vennootschap zodat er sprake was van opzet op benadeling van de schuldeisers.

Onttrekking van gelden

Naast de goodwill zijn er geldbedragen onttrokken aan de vennootschap voorafgaand aan het faillissement. De officier van justitie gaat uit van een bedrag van € 1.039.235,- aan onttrekkingen, bestaande uit: € 850.604,19 (rekening courant directie per 31-12-2012) en € 188.631,- (winstuitdeling per 31-12-2012). De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Rekening-courant directie

In het verlengde van hetgeen is overwogen onder 4.2.1. ten aanzien van [naam bedrijf 1] constateert de rechtbank dat historische financiële gegevens, behoudens het grootboek 2012 en 201350, ontbreken. Er kan niet worden gereconstrueerd wanneer de rekening courantschuld directie is ontstaan en het verloop daarvan. Niet kan worden uitgesloten dat de schuld er al langere tijd was. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat deze schuld een onttrekking in het zicht van het faillissement betreft.

Winstuitdeling 2012

Ten aanzien van het bedrag van € 188.631,- blijkt uit het grootboek 2012 dat het bedrag is opgenomen als winstuitdeling per 31 december 2012. Nu het boekjaar 2012 is afgesloten met een verlies, komt het niet aannemelijk voor dat dit bedrag een winstuitkering is. De rechtbank gaat er van uit dat dit bedrag is onttrokken in het zicht van het faillissement. Hetgeen hiervoor over de onttrekking van de goodwill is onttrokken, is van overeenkomstige toepassing.

Conclusies ten aanzien van de onttrekkingen.

De rechtbank merkt de goodwill en een bedrag van € 188.631,- aan als onttrokken aan de boedel in het zicht van het faillissement.

4.4.3.

Witwassen

De rechtbank stelt vast dat voornoemd bedrag van € 188.631,- is witgewassen. Dit bedrag is immers aan de vennootschap onttrokken of verduisterd in het zicht van het faillissement en dit is verhuld door het op te nemen als gefingeerde post in de jaarrekening.

4.4.4.

Het niet tevoorschijn brengen van de administratie

De curator heeft aangegeven dat hij na het faillissement werd geconfronteerd met een onvindbare aandeelhouder en bestuurder. Ook beschikt hij niet over de administratie van de vennootschap. Door het ontbreken van een administratie wordt de afwikkeling van het faillissement ernstig bemoeilijkt.

Wel had hij kort na het faillissement contact gehad met [naam 8] die hem aangaf dat de administratie was overgedragen aan [naam 9] . De curator heeft verder aangegeven dat hij [naam medeverdachte 1] ook heeft benaderd, maar dat zowel [naam medeverdachte 1] als [naam 8] alle medewerking hebben geweigerd en niet bereikbaar bleken.51

[naam medeverdachte 1] heeft niets willen verklaren over zijn rol binnen [naam bedrijf 3] , waar de administratie is gebleven of over enig contact met de curator. [naam 8] heeft bij de FIOD geen verklaring willen geven voor zijn rol binnen [naam bedrijf 3] . [naam 9] heeft bij de FIOD verklaard dat het bedrijf [naam bedrijf 3] hem niets zegt, maar wel dat hij meerdere bedrijven op zijn naam heeft gehad en dat hij altijd katvanger was. Hij kreeg € 500,- per bv, mogelijk was dat ook zo met [naam bedrijf 3] . Hij hoefde alleen naar de Kamer van Koophandel om formulieren te tekenen. Hij heeft nooit administratie of bankpassen van de bv’s gehad. Hij deed het puur voor het geld en heeft niet onderzocht of er iets niet klopte bij de bv’s. Hij heeft nooit zaken gedaan met de bv’s.52 Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de aangifte van de curator dat hij geen administratie heeft ontvangen, voldoende steun vindt in de verklaring van [naam 9] . Daarmee staat vast dat de administratie niet aan de curator is overhandigd.

Onbetwist is dat het bijhouden van een administratie een gedraging is die behoort in de normale bedrijfsvoering van een rechtspersoon. Het niet voeren van een (deugdelijke) administratie en het niet ter beschikking stellen aan de curator van die administratie, alsook de opzet daarop, kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden toegerekend aan [naam bedrijf 3] . Daarnaast houdt de rechtbank tegen de achtergrond van het leeghalen van [naam bedrijf 3] in 2012/2013 (zoals hiervoor beschreven) [naam medeverdachte 1] hiervoor mede verantwoordelijk.

4.4.5.

[naam medeverdachte 1] als feitelijk leidinggever van [naam bedrijf 3]

De rechtbank is van oordeel dat [naam medeverdachte 1] aangemerkt dient te worden als feitelijk leidinggevende aan de gepleegde strafbare gedragingen binnen [naam bedrijf 3] . Enerzijds omdat [naam medeverdachte 1] tot 22 augustus 2012 enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf 3] was53 en anderzijds omdat hij zich nadien, ondanks de overdracht aan [naam 8] , nog als zodanig presenteerde.54

4.5.

Fraude binnen [naam bedrijf 4]

De uitzendactiviteiten van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] zijn uiteindelijk voortgezet in [naam bedrijf 4] .55 Zoals hierna zal blijken, is binnen die vennootschap op grote schaal fraude gepleegd.

4.5.1.

De facturen DOC-001 t/m 041

De fraude binnen [naam bedrijf 4] betrof allereerst het gebruik van valse facturen van leveranciers in de boekhouding in jaren 2012 en 2013. Dit betreft een bedrag van iets meer dan één miljoen euro. De rechtbank licht dat als volgt toe.

1)

In de administratie van [naam bedrijf 4] zijn facturen opgenomen van acht vennootschappen.56,57 Deze facturen laten zich als volgt samenvatten:

Bedrijf

Facturen

Factuurdata

Bedrag netto

OB

Bedrag bruto

[naam bedrijf 7]

DOC-001-009

4-1-2013 t/m 12-6-2013

283.250,--

59.482,50

342.732,50

[naam bedrijf 8]

DOC-010-012

12-3-2013

t/m 14-6-2013

84.900,--

17.829,--

102.729,--

[naam bedrijf 9]

DOC-016-023

11-7-2013 t/m 18-11-2013

226.900,--

49.192,50

276.092,50

[naam bedrijf 10]

DOC-024-029

19-7-2013 t/m 25-10-2013

165.875,--

34.833,75

200.708,75

[naam bedrijf 11]

DOC-013-015

14-10-2013 t/m 4-12-2013

36.000,--

7.560,--

43.560,--

[naam bedrijf 12]

DOC-030-031

15-3-2013 t/m 1-6-2013

62.400,--

13.104,--

75.504,--

[naam bedrijf 13]

DOC-032-038

05-2-201358 t/m 20-04-2013

100.890,--

21.186,90

122.076,90

[naam bedrijf 14]

DOC-039-041

12-7-2012 t/m 8-11-2012

60.000,--

12.600,--

72.600,--

Totaal

1.020.215,--

215.788,65

1.236.003,65

2)

Afgezet tegenover de omzet van [naam bedrijf 4] gaat het om substantiële bedragen.59 De belastingdienst heeft gesprekken over deze facturen gevoerd met vertegenwoordigers van [naam bedrijf 4] , [naam verdachte] en [naam 1] . Daaruit is gebleken dat er behoudens algemene overeenkomsten en facturen, op geen andere wijze verslaglegging is gedaan c.q. verantwoording is afgelegd over de geleverde diensten en producten.60 [naam 10] heeft bevestigd dat hij inderdaad geen terugkoppeling gaf aan [naam bedrijf 4] over het werk dat hij zegt te hebben verricht.61

3)

De factuurdata liggen in vrijwel alle gevallen kort na de oprichtingsdatum van de facturerende vennootschap. Die vennootschappen zijn veelal binnen relatief korte tijd na de factuurdata verkocht en de meeste van hen zijn blijkens hun inschrijving bij de Kamer van Koophandel enige tijd later ontbonden c.q. hun activiteiten zijn gestaakt.62

4)

De facturen zijn door [naam bedrijf 4] per bank betaald en vervolgens zijn de overgemaakte bedragen vrijwel steeds direct daarna contant opgenomen door de ontvanger.63

5)

[naam bedrijf 7] en [naam bedrijf 8] waren eigendom van [naam medeverdachte 2] .64 De FIOD heeft drie overeenkomsten gevonden tussen [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 7] voor in totaal € 150.000,- (excl. BTW) aan reclameopdrachten.65 Voor € 130.000,- aan facturen van [naam bedrijf 7] is – voor zover uit het dossier blijkt – geen onderliggende overeenkomst gevonden. Ter onderbouwing van factuur DOC-008 heeft de verdediging van [naam verdachte] een internetpublicatie overgelegd over een evenement in De Doelen.

6)

[naam bedrijf 9] stond op naam van [naam 11] .66 Blijkens de tussen [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 9] gesloten overeenkomst zou [naam bedrijf 9] juridische adviezen verstrekken inzake arbeidsvraagstukken in Polen en als intermediair fungeren bij het verkrijgen van internationale opdrachten.67 [naam 11] is door de FIOD gehoord.68 Zijn verklaring is om meerdere redenen opvallend te noemen voor iemand die in vier maanden tijd € 226.900,- (ex BTW) betaald kreeg voor internationale juridische adviezen en voor zijn diensten als intermediair:

  • -

    Hij zegt geen Pools en matig Engels te spreken;

  • -

    Hij zegt briefangst te hebben, sinds 2011 gokverslaafd te zijn en psychische problemen te hebben.

  • -

    Zijn opleiding is middelbare technische school, gevolgd door een opleiding als automonteur. Daarna is hij pakketjes gaan sorteren bij DPD en is hij bij een drukkerij machines gaan bedienen en is daar later voorman geworden. Nadat hij ziek was geworden, heeft hij [naam bedrijf 9] opgericht. Hij wilde daarmee een uitzendbureau voor kabelwerken beginnen, want zijn vrienden (die ook gokverslaafd zijn) deden dat werk.

  • -

    Hij weet niet goed wat er wordt bedoeld met de term ‘juridisch’.

  • -

    Hij zegt op zijn manier de werkzaamheden uit de overeenkomst uitgevoerd te hebben, door Poolse mensen met problemen te helpen. Hij zegt zijn leven daarbij op het spel gezet te hebben. Hij kreeg zoveel betaald omdat de werknemers dronken en agressief waren.

7)

[naam bedrijf 10] was eigendom van [naam 10] .69 Tussen [naam bedrijf 10] en [naam bedrijf 4] is een overeenkomst gesloten.70 Daarin worden de werkzaamheden beschreven als het zijn van intermediair in Griekenland. [naam 10] heeft bij de FIOD verklaard dat zijn werk bestond uit het gemotiveerd houden van het personeel van [naam bedrijf 4] , dat hij hierover niets op papier heeft gezet en dat hij geen terugkoppeling gaf aan [naam bedrijf 4] . [naam 10] beschreef bij de FIOD zijn eigen achtergrond als volgt: sinds 2001 heeft hij in een drukkerij gewerkt, de laatste drie jaar had hij gezondheids- en relatieproblemen en sinds de drukkerij in 2014 failliet is gegaan, werkte hij niet meer. Hij heeft het bedrijf verkocht aan een Hongaar van wie hij de naam niet weet.71 [naam bedrijf 10] heeft in totaal € 165.875,- (excl. BTW) gefactureerd aan [naam bedrijf 4] over een periode van drie maanden.

8)

[naam bedrijf 11] en [naam bedrijf 12] waren vennootschappen van [naam medeverdachte 3] .72 [naam medeverdachte 3] heeft bij de FIOD verklaard dat de verzonden facturen vals zijn, dat de werkzaamheden waarvoor is gefactureerd, nooit zijn verricht, dat hij de facturen maakte op verzoek van [naam 12] en dat hij de factuurbedragen contant opnam en – minus een vergoeding van 5% – afdroeg aan [naam 13] .73De belastingdienst heeft twee inkoopfacturen voor de inkoop van tv reclame van een Turks bedrijf [naam bedrijf 15] ter inzage gekregen. Dat bedrijf heeft tegenover de FIOD verklaard deze facturen niet verzonden te hebben en geen zaken in Nederland te hebben gedaan.74 [naam medeverdachte 3] heeft bij de FIOD verklaard dat hij die facturen gebruikte om zijn administratie kloppend te krijgen.75 [naam medeverdachte 3] is tijdens zijn verhoor bij de politierechter van deze rechtbank op 7 november 2018 teruggekomen op zijn verklaring bij de FIOD.76 Hij stelde toen dat de facturen wel echt waren.

9)

[naam bedrijf 13] is indirect eigendom van [naam 12] .77 Bij de FIOD hebben [naam medeverdachte 3] en [naam 14] [naam 12] genoemd als degene op wiens verzoek (valse) facturen werden opgemaakt voor werk dat vermoedelijk niet werd uitgevoerd.78

10)

[naam bedrijf 14] is een handelsnaam van [naam bedrijf 16] . Deze vennootschap stond op naam van [naam 14] .79 [naam 14] heeft bij de FIOD verklaard dat het bedrijf eigenlijk van [naam 12] was en op zijn naam stond vanwege belastingschulden van [naam 12] . De facturen DOC-039 t/m 041 zijn volgens [naam 14] opgesteld door [naam 12] . [naam 14] heeft de ontvangen bedragen gepind en afgedragen aan [naam 12] . Zelf heeft hij nooit diensten verricht voor [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 16] . heeft geen mensen in dienst. Hij vertrouwde [naam 12] op enig moment niet meer. De werkzaamheden die op de facturen staan, zijn volgens [naam 14] nooit uitgevoerd. [naam 12] heeft tegen [naam 14] gezegd dat de reclamespotjes al waren uitgevoerd, maar [naam 14] vertrouwde dat niet.80

11)

In het kader van een boekenonderzoek zijn de facturen DOC-001 t/m 041 aan de belastingdienst verstrekt.81 Nu deze facturen waren opgenomen in de administratie van [naam bedrijf 4] gaat de rechtbank ervan uit dat de factuurbedragen zijn verwerkt in de namens [naam bedrijf 4] gedane aangiften omzetbelasting over het 3de en 4de kwartaal van 2012 en over alle kwartalen van 2013 en in de aangiften vennootschapsbelasting 2012 en 2013.82 Dit is immers de normale gang van zaken en er zijn geen aanwijzingen dat dit niet is gebeurd.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de volgende conclusies.

Voor factuur DOC-008 is gerede twijfel mogelijk over de vraag of deze vals is, gelet op de overgelegde internetpublicatie. Daardoor kan niet vastgesteld worden dat deze factuur vals is en wordt in het voordeel van de verdachte er van uit gegaan dat deze echt is.

Voor de overige facturen geldt het volgende. Er zijn steeds in korte tijd grote bedragen betaald die veelal direct contant zijn opgenomen aan bedrijven die kort daarvoor zijn opgericht. Er zijn blijkens het dossier geen stukken gevonden waaruit blijkt dat de werkzaamheden die op de facturen staan vermeld, ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Zeker bij juridische advisering, maar ook bij reclamewerkzaamheden, zou dat wel verwacht mogen worden. Uit de FIOD verklaringen van [naam medeverdachte 3]83 en [naam 14] blijkt dat de facturen van [naam bedrijf 11] , [naam bedrijf 12] en [naam bedrijf 16] . vals zijn en dat [naam 12] daarbij betrokken was. In het verlengde daarvan stelt de rechtbank vast dat ook de facturen van [naam bedrijf 13] vals zijn, gelet op de betrokkenheid van [naam 12] bij deze vennootschappen en bij gebreke van een andersluidende verklaring.

Voor [naam bedrijf 9] en [naam bedrijf 10] geldt dat uit de verklaringen van [naam 11] en [naam 10] blijkt dat zij de werkzaamheden zoals genoemd in de overeenkomsten niet uitgevoerd kunnen hebben: het gaat om mensen met psychische problemen / gokproblemen bij wie evident de vaardigheden ontbreken voor de werkzaamheden genoemd in de gesloten overeenkomsten. Toch is aan hen steeds in een tijdsbestek van enkele maanden (afgerond) 300.000 en 200.000 euro betaald, naar gezegd wordt voor bemiddeling in geschillen met werknemers. Dit is dermate ongeloofwaardig, mede bezien tegen de achtergrond van het steeds contant opnemen van de ontvangen bedragen en de verklaringen van [naam medeverdachte 3] en [naam 14] over de facturen van hun bedrijven, dat de rechtbank concludeert dat ook deze facturen vals zijn. Ten aanzien van de bedrijven van [naam medeverdachte 2] geldt dat deze meer dan vier ton ontvingen in een half jaar tijd voor reclamewerk en juridisch advies. Behoudens ten aanzien van factuur DOC-008 is hierover niets teruggevonden, terwijl ook hier de betaalde bedragen contant werden opgenomen. De rechtbank concludeert daarom dat ook deze facturen, behoudens factuur DOC-008, vals zijn.

Nu de facturen DOC-001 t/m 007 en 009 t/m 041 vals zijn, zijn de factuurbedragen aan [naam bedrijf 4] onttrokken zonder geldige titel. Er is dus sprake van verduistering dan wel diefstal. De ontvangers hebben deze bedragen voorhanden gehad, contant gemaakt en afgedragen aan [naam bedrijf 4] of aan door [naam bedrijf 4] aangewezen derden.84 Deze handelingen kwalificeren als verhullingshandelingen. Kortom, er is sprake van witwassen.

Verder is er sprake van belastingfraude doordat de BTW over deze facturen is teruggevraagd en de factuurbedragen in mindering zijn gebracht op de winst.

Bij gebreke van enige (overtuigende) toelichting van de betrokkenen moet er tenslotte van uit gegaan worden dat ook de onderliggende overeenkomsten tussen [naam bedrijf 4] en genoemde vennootschappen vals zijn. Ook daarbij is er dus sprake van valsheid in geschrifte.

4.5.2.

Voorschotformulieren en salarisspecificaties uitzendkrachten

De fraude binnen [naam bedrijf 4] betrof verder het gebruik van valse voorschotformulieren in de periode 1 januari 2014 tot 19 september 2016. Op grote schaal zijn voorschotformulieren opgemaakt waarmee kasopnamen van meer dan een miljoen euro werden verantwoord.85 De gestelde voorschotten werden echter vrijwel niet aan werknemers betaald. Dit blijkt uit tal van verklaringen van werknemers86 en uit het feit dat er bij [naam bedrijf 4] een dubbele boekhouding is aangetroffen. Die boekhouding betrof enerzijds een reguliere administratie met daarin contante voorschotten van in totaal 1.279.796 euro87 en anderzijds als een tweede boekhouding in de vorm van afrekenstaten met slechts zeer geringe bedragen aan contante voorschotten.88 Voor het verschil tussen de reguliere boekhouding en deze afrekenstaten is door niemand een uitleg gegeven. De rechtbank kan hieruit slechts afleiden dat de afrekenstaten een schaduwboekhouding vormden waarin de feitelijke situatie werd weergegeven, een waarin nauwelijks contante voorschotten werden betaald conform de verklaringen van de gehoorde werknemers. De conclusie is dat er valse voorschotformulieren zijn opgemaakt binnen [naam bedrijf 4] . In het verlengde daarvan geldt dat ook opgestelde salarisstroken, waarin die voorschotten valselijk werden vermeld, vals zijn opgemaakt.89

Het betoog van de verdediging van [naam 15] komt er in de kern op neer dat de fraude niet plaatsgevonden kan hebben, want dan hadden de werknemers wel bezwaar gemaakt. Dit verweer slaagt niet. Het miskent dat de werknemers in de administratie van [naam bedrijf 4] meer salaris werd toegekend, zodat zij na aftrek van gefingeerde voorschotten alsnog het hen toekomende salaris ontvingen. De fraude was voor hen dus niet, althans niet zonder meer, inzichtelijk. Anders dan namens [naam 15] is aangevoerd, gaat de rechtbank ervan uit dat de salarisspecificaties in de regel niet werden verstrekt aan de werknemers, zoals door diverse werknemers is verklaard. De fraude kan ook niet worden ‘weggeredeneerd’ door het te linken aan de bedragen van de reiskosten, alleen al omdat de werknemers niet hebben verklaard over het contant ontvangen hebben van dergelijke grote bedragen aan reiskosten.

In de salarisspecificaties zijn, naast de voorschotten, tevens reiskosten opgenomen. De officier van justitie stelt, onder verwijzing naar [naam 16] , dat die reiskosten niet werden betaald en dat ook daarom de salarisspecificaties vals zijn. De rechtbank volgt de officier van justitie daarin niet. Het is juist dat een groot aantal werknemers heeft verklaard geen reiskosten te hebben gehad. [naam 16] vat die verklaringen voor een deel samen. Wat [naam 16] echter ook laat zien, is dat voor die werknemers veelal dubbele salarisspecificaties bestonden: twee salarisspecificaties over een en dezelfde periode, één met loon, voorschotten en een bedrag aan reiskosten en één met loon, geen of minder voorschotten en hetzelfde bedrag aan reiskosten. Dat maakt het opvoeren van onjuiste reiskosten als onderdeel van de voorschotten-fraude minder aannemelijk. Deze kosten staan immers in veel gevallen ook in de specificaties waarin de voorschot-fraude niet is verwerkt. Daar komt bij dat uit het dossier blijkt dat [naam bedrijf 4] een zogeheten cafetaria-model wilde invoeren. Daarbij wordt bruto loon deels omgezet in onbelaste reiskosten. De rechtbank wil niet uitsluiten dat werknemers – die in de regel bij [naam bedrijf 4] geen loonstroken kregen – dachten geen reiskosten te krijgen omdat ze met iemand meereden, terwijl ze die vergoeding mogelijk feitelijk – als onderdeel van het netto salaris – wel kregen. Dat de fiscus geen goedkeuring heeft gegeven voor het door [naam bedrijf 4] gehanteerde cafetaria-model, is niet relevant. Het gaat er niet om of [naam bedrijf 4] op dit punt de fiscale regelgeving correct toepaste, maar of de reiskosten werden betaald. Dit alles maakt dat er bij de rechtbank te veel twijfel bestaat over de vraag of de salarisspecificaties op het punt van de reiskosten onjuist zijn.

De rechtbank ziet het gebruik van valse voorschotformulieren als verhullingshandelingen in de zin van de witwasbepalingen. Immers, met die formulieren worden onttrekkingen door de betrokken verdachten uit [naam bedrijf 4] gemaskeerd als betalingen aan werknemers. Die onttrekkingen zijn daarbij het brondelict. Er is dus sprake van witwassen ter hoogte van het bedrag van de contante voorschotten, voor zover niet blijkens de afrekenstaten aan de werknemers uitbetaald. Er is dus in totaal € 1.198.303,- witgewassen.90

4.5.3.

Geldstroom [naam bedrijf 4] – [naam medeverdachte rechtspersoon] – [naam bedrijf 17] / [naam bedrijf 18]

Verder werd in de periode van 1 augustus 2015 tot 31 oktober 2016 een bedrag van circa € 33.000,-- per maand onttrokken aan [naam bedrijf 4] . Dat bedrag is afgedekt door middel van valse facturen.

De rechtbank licht dat als volgt toe.

[naam bedrijf 4] heeft in voornoemde periode € 498.649,- betaald aan [naam medeverdachte rechtspersoon] , die dat heeft doorbetaald aan [naam bedrijf 17] (€ 462.099,-) en aan (de eenmanszaak van) [naam verdachte] (€ 36.550,-). [naam bedrijf 17] heeft het bedrag van € 462.099,- doorbetaald aan [naam bedrijf 19] (hierna: [naam bedrijf 19] ).91 Aan deze geldstroom liggen facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] aan [naam bedrijf 4] en facturen van [naam bedrijf 17] aan [naam medeverdachte rechtspersoon] ten grondslag.92 De facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] zijn opgesteld door of op verzoek van [naam medeverdachte 4] .93 Deze facturen vermelden als omschrijving ‘conform overeenkomst advieskosten [maand –jaar]’.94

[naam medeverdachte 4] heeft verklaard dat de facturen van [naam bedrijf 17] aan [naam medeverdachte rechtspersoon] en aansluitend die van [naam medeverdachte rechtspersoon] aan [naam bedrijf 4] een vergoeding zijn voor de werkzaamheden van [naam verdachte] voor [naam bedrijf 4] . In de kern was het een voortzetting van de managementvergoeding die vroeger ook betaald werd. Wel was het bedrag verhoogd omdat [naam verdachte] vond dat hij in het verleden onvoldoende managementvergoedingen had gehad. Dit was hem door [naam verdachte] gezegd, aldus [naam medeverdachte 4] .95 Dat [naam medeverdachte 4] met [naam verdachte] hierover contact had, blijkt ook uit berichten d.d. 23 september 2015 en 28 december 2015.96

De uitleg van [naam medeverdachte 4] over de geldstroom wordt tegengesproken door een mail die [naam medeverdachte 4] zelf heeft verzonden aan SNS Bank. Die bank had in april 2016 gevraagd om een uitleg voor de circa € 30.000,- per maand die [naam bedrijf 17] ontving.97 [naam medeverdachte 4] heeft toen aan SNS Bank gemeld dat dit bedrag zag op een bemiddelingsvergoeding in verband met de verkoop van een onderneming.98 De uitleg van [naam medeverdachte 4] wordt ook tegengesproken door [naam medeverdachte 5] . [naam medeverdachte 5] heeft bij de FIOD verklaard dat het ging om een vergoeding voor de waarde van de aandelen [naam bedrijf 4] en heeft later – geconfronteerd met een overzicht van de geldstromen – verklaard dat het ging om de financiering van [naam bedrijf 19] .99

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er door [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] verschillend wordt verklaard over de werkzaamheden waarop de facturen zien en dat de door [naam medeverdachte 4] verzonden mail aan SNS Bank niet overeenkomt met de verklaring die hij zelf voor die werkzaamheden geeft. [naam verdachte] , [naam 17] en [naam 1] hebben over deze facturen geen verklaring afgelegd. Dit wringt, zeker bij [naam verdachte] die blijkens de hiervoor genoemde berichten bekend is met deze geldstroom, maar ook van de bestuurders van [naam bedrijf 17] en [naam bedrijf 4] mag een uitleg verwacht worden. [naam medeverdachte 4] geeft op zijn beurt geen begrijpelijke uitleg waarom SNS Bank naar zijn zeggen onjuist geïnformeerd is.

Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de facturen vals zijn. Daarmee is tevens gegeven dat de uitbetaalde factuurbedragen onttrekkingen uit [naam bedrijf 4] zijn – lees: verduisterd – en de rechtbank merkt dat aan het als brondelict ten aanzien van de factuurbedragen. Met het opmaken van de valse facturen is verhuld dat het om crimineel geld ging. Kortom, er is sprake van witwassen.

Uit het feit dat de facturen zijn uitbetaald, maakt de rechtbank op dat de facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] waren verwerkt in de administratie van [naam bedrijf 4] en de facturen van [naam bedrijf 17] in de administratie van [naam medeverdachte rechtspersoon] Daarmee zijn deze administraties op dit punt vals opgemaakt.

4.5.4.

Valse arbeidsovereenkomst [naam bedrijf 4] - [naam 17] met bijbehorende loonstrook

[naam bedrijf 4] , vertegenwoordigd door [naam 1] , heeft met [naam 17] een arbeidsovereenkomst d.d. 2 september 2015 gesloten.100 Die overeenkomst en de bijbehorende salarisspecificaties zijn vals.

Die valsheid blijkt uit het volgende. Volgens de tekst van de arbeidsovereenkomst zou [naam 17] vanaf 7 september 2015 als projectmanager bij [naam bedrijf 4] werkzaam zijn voor 40 uur per week. Echter, [naam 17] werkte in september 2015 al voor [naam bedrijf 4] op basis van een inhuurconstructie via [naam medeverdachte rechtspersoon] , ook voor 40 uur per week.101 In de maanden na het sluiten van de arbeidsovereenkomst is [naam 17] op deze wijze dubbel verloond. Zij werd zowel betaald onder de arbeidsovereenkomst en als ZZP’er.102,103 Uit een mail van [naam medeverdachte 4] d.d. 9 december 2015 moet – mede bij gebreke van een andersluidende uitleg – afgeleid worden dat dit is gedaan met het oog op het verkrijgen van een hypotheek.104 Immers, in die mail schrijft [naam medeverdachte 4] over de dubbele verloning van [naam 17] ‘naar verwachting volgt nu snel het verlossende woord over het al dan niet toekennen van een hypotheek’ en hij vraagt om ‘voor de volgende periode kort te sluiten of verdere verloning nog gewenst is en of er eentje terug gedraaid kan worden’. Daarmee is de valsheid van de overeenkomst gegeven.

Op basis van de valse arbeidsovereenkomst is € 38.192,89 door [naam bedrijf 4] aan [naam 17] uitbetaald.105 Zij heeft dit geld dus verkregen en voorhanden gehad. Ook hier geldt dat de rechtbank de valse arbeidsovereenkomst met salarisspecificaties als handelingen ziet die beogen te verhullen dat het geld illegaal uit [naam bedrijf 4] is onttrokken, zodat er sprake is van witwassen.

Uit het feit dat het salaris is uitbetaald, leidt de rechtbank af dat de arbeidsovereenkomst en salaris-specificaties in de administratie van [naam bedrijf 4] opgenomen waren. Dat betekent dat die administratie ook op dit punt vals is opgemaakt.

4.5.5.

Betrokkenen bij de strafbare feiten binnen [naam bedrijf 4]

De hiervoor bedoelde strafbare feiten binnen [naam bedrijf 4] zijn gepleegd door een groep van natuurlijke en rechtspersonen, in wisselende samenstelling. Dit wordt hierna nader omschreven.

4.5.5.1. Direct betrokkenen

Bij de fraudes binnen [naam bedrijf 4] waren allereerst de navolgende personen betrokken:

1)

Bij de fraude met de valse facturen DOC-001-007 en 009-041 zijn betrokken [naam 1] , de bestuurder van [naam bedrijf 4]106 en degene die namens [naam bedrijf 4] de meeste van de overeenkomsten met de leveranciers sloot,107 en [naam verdachte] , de feitelijk leidinggever van [naam bedrijf 4]108 en adressant van de brief d.d. 2 januari 2013 van [naam bedrijf 7] en van de brief d.d. 25 oktober 2012 van [naam bedrijf 14] .109 Nu zowel de facturen als de onderliggende overeenkomsten vals zijn, moet het – bij gebreke van een overtuigende verklaring hierover van [naam 1] en [naam verdachte] – voor gehouden worden dat zij beiden bekend waren met deze fraude en deze uitvoerden c.q. lieten voeren.

2)

De fraude met de voorschotformulieren werd feitelijk uitgevoerd door [naam 15] en [naam 2] .110 Zij stelden deze formulieren op. Het betoog van de verdediging van [naam 2] dat hij geen betrokkenheid had bij de fraude omdat hij alleen echte voorschotformulieren heeft opgesteld, slaagt niet. Uit de hiervoor genoemde verklaringen van de werknemers blijkt dat [naam 2] en [naam 15] over de voorschotten gingen. [naam 2] was de ‘financial manager’ van [naam bedrijf 4] en [naam 15] was werkzaam op de loonadministratie.111 De omvang van de fraude met de voorschotformulieren is zeer substantieel en was neergelegd in een bij [naam bedrijf 4] aangetroffen schaduwboekhouding. Het behoeft dan ook een toelichting hoe het kan dat [naam 2] deze fraude en schaduwboekhouding niet bemerkt zou hebben. [naam 2] heeft vragen daarover van de rechtbank echter niet willen beantwoorden. De rechtbank houdt het er daarom voor dat hij samen met [naam 15] opzettelijk valse voorschotformulieren en bijbehorende salarisspecificaties heeft opgemaakt respectievelijk laten opmaken.

3)

[naam medeverdachte 4] heeft de facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] aan [naam bedrijf 4] opgesteld.112 Anders dan door de verdediging van [naam medeverdachte 4] is betoogd, gaat de rechtbank ervan uit dat [naam medeverdachte 4] bekend was met de valsheid van die facturen. Immers: hij heeft de SNS Bank bericht dat het zou gaan om een bemiddelingsfee,113 terwijl hij bij de FIOD heeft verklaard dat het zou gaan om een vergoeding voor de werkzaamheden van [naam verdachte] .114 [naam medeverdachte 4] verklaart wel dat de mededeling van de FIOD onjuist was, maar geeft niet aan waarom hij destijds SNS Bank dan verkeerd geïnformeerd heeft. Deze situatie vraagt om een uitleg en bij gebrek hieraan gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van [naam medeverdachte 4] dat hij niet wist van de valsheid. Nu het opstellen van bedoelde facturen plaatsvond in de sfeer van [naam medeverdachte rechtspersoon] (binnen de [naam medeverdachte rechtspersoon] verzorgde deze vennootschap de inzet van ZZP’ers115 en de facturen staan op haar naam), moet dit handelen ook aan deze vennootschap worden toegerekend.

De facturen zijn (valselijk) verwerkt in de administratie van [naam bedrijf 4] door [naam bedrijf 20] .116 De kennis van [naam medeverdachte 4] over de valsheid van deze facturen en dus het vals opmaken van de administratie moet ook aan die vennootschap worden toegerekend nu hij van die vennootschap bestuurder was.117

Ook [naam verdachte] was bij deze geldstroom betrokken. Dat geldt allereerst omdat een deel van de uitbetaalde bedragen aan hem zijn uitbetaald. Daarnaast gaat de rechtbank ervan uit dat [naam medeverdachte 4] handelde in opdracht van [naam verdachte] . Dat blijkt uit de verklaring van [naam medeverdachte 4]118 en uit de mail d.d. 23 september 2015 waarin [naam medeverdachte 4] aan [naam verdachte] instructies vroeg en vervolgens ook van hem kreeg over deze facturen.119

Verder is ook [naam 17] bij deze geldstroom betrokken. Zij is immers de bestuurder van [naam bedrijf 17]120 en het geld is doorbetaald aan de eveneens door [naam 17] bestuurde121 vennootschap [naam bedrijf 19] .122 Ook deze situatie vraagt om een uitleg. Bij gebreke daarvan moet aangenomen worden dat zij geweten heeft van deze geldstroom en dat betekent dat zij had moeten begrijpen dat er iets niet klopte en dus dat zij had moeten ingrijpen. Haar kennis en betrokkenheid moet mede worden toegerekend aan de door haar bestuurde vennootschappen [naam bedrijf 17] en [naam bedrijf 19] .

4)

De valse arbeidsovereenkomst is gesloten door [naam 1] namens [naam bedrijf 4] en door [naam 17] . Bij gebreke van enige uitleg moet aangenomen worden dat ook [naam 1] bekend was met de valsheid van die overeenkomst. Voor [naam 17] geldt dit als vanzelfsprekend.

4.5.5.2. Meer over de rol van [naam verdachte] , [naam 1] en [naam bedrijf 4]

In aanvulling op het voorgaande wordt over de rol van [naam verdachte] , [naam 1] en [naam bedrijf 4] zelf het volgende overwogen.

[naam verdachte]

had de feitelijke leiding over [naam bedrijf 4] , in ieder geval voor het Nederlandse deel, gedurende de gehele periode 2012-begin 2017. Dit oordeel wordt hierna in § 4.5.6 nader onderbouwd. Hij was persoonlijk betrokken bij verschillende van de hiervoor genoemde fraudes binnen [naam bedrijf 4] (en [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] ). Een dergelijke persoonlijke betrokkenheid bij de fraude met de voorschotformulieren blijkt niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen in het dossier: geen van de werknemers verwijst in dit verband naar hem en er zijn geen mails of tapgesprekken die hem rechtstreeks aanwijzen als een van de betrokkenen bij deze fraude. Echter: het gaat bij [naam bedrijf 4] in totaal om fraudes die in de miljoenen euro’s lopen, een substantieel deel van de omzet. Bij een deel van die fraudes was [naam verdachte] , zoals uit het voorgaande blijkt, persoonlijk betrokken. Hij geeft geen geloofwaardige uitleg hoe het zou kunnen dat hij van de fraude met de voorschotformulieren geen wetenschap zou hebben. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat hij tevens bekend was met de fraude ten aanzien van de voorschotformulieren en daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

[naam 1]

Door de verdediging van [naam 1] is aangevoerd dat hij slechts een zetbaas voor [naam verdachte] was. Dit laat echter onverlet dat hij – zoals uit het voorgaande blijkt – valse overeenkomsten heeft getekend. Voor die feiten is hij dus in ieder geval verantwoordelijk. Daarnaast is hij ook verantwoordelijk voor feiten die [naam verdachte] binnen [naam bedrijf 4] heeft gepleegd of laten plegen. Door te accepteren dat hij voor [naam verdachte] als zetbaas fungeerde, heeft hij minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat er – naast de feiten waar hij zelf bij betrokken was – ook andere strafbare feiten zouden plaatsvinden binnen de vennootschap die formeel door hem geleid werd.

[naam bedrijf 4]

Zoals uit het voorgaande blijkt, is de vennootschap [naam bedrijf 4] gebruikt voor diverse strafbare feiten. Die feiten vonden plaats in de sfeer van [naam bedrijf 4] en haar formele bestuurder en haar feitelijk beleidsbepaler waren daarbij betrokken. Daarom kunnen de hier bedoelde strafbare feiten, voor zover zij op [naam bedrijf 4] zien, ook aan haar worden toegerekend.

4.5.5.3. Meer over de rol van [naam medeverdachte 5] en [naam bedrijf 21] .

Voor [naam medeverdachte 5] en [naam bedrijf 21] . geldt dat niet gebleken is dat zij (strafrechtelijk relevante) betrokkenheid hadden bij de hiervoor besproken strafbare feiten. Voor zover deze bij hen ten laste zijn gelegd, zijn zij hiervoor bij vonnis van gelijke datum vrijgesproken.

4.5.6.

[naam verdachte] als feitelijk leidinggever over [naam bedrijf 4]

Hiervoor is reeds aangegeven dat [naam verdachte] de feitelijke leiding had over [naam bedrijf 4] , in ieder geval voor het Nederlandse deel. Dit geldt ook nadat hij op 30 juni 2012 formeel teruggetreden was als bestuurder en op 27 maart 2015 als indirect aandeelhouder.123 De rechtbank licht dit als volgt toe.

De meeste als getuige gehoorde werknemers verklaren dat zij [naam verdachte] als de baas van [naam bedrijf 4] zagen en dat medeverdachte [naam 1] alleen op papier de bestuurder was.124,125 Werknemer [naam getuige 5] noemt [naam 1] – de formele bestuurder - ‘iemand die administratieve dingen doet’ en werknemer [naam 18] ziet hem als de planner. Meerdere werknemers verklaren dat [naam verdachte] over de salarissen ging ( [naam getuige 4] , [naam 19] , [naam 20] , [naam 21] ). Werknemer [naam getuige 2] verklaart dat hij gezien heeft dat [naam verdachte] alle opdrachten gaf en dat ook de broer van [naam verdachte] – die eveneens werkzaam was bij [naam bedrijf 4] – tegen hem zei dat [naam verdachte] de baas was. Werknemer [naam 22] zegt dat [naam verdachte] hem heeft gezegd door te werken nadat een veiligheidsgordel kapot gegaan was.

Dat [naam verdachte] ook na juni 2012 leiding gaf aan [naam bedrijf 4] , blijkt bovendien uit het volgende.

- Bij de boekhouder van [naam bedrijf 4] is een organogram gevonden, opgemaakt in oktober 2012, waarin staat dat [naam bedrijf 4] uit twee delen bestaat: een Nederlands en een internationaal deel. Bij het Nederlandse deel staat de naam van [naam verdachte] , bij het internationale deel de naam van medeverdachte [naam medeverdachte 1] .126

- [naam verdachte] besloot samen met [naam medeverdachte 1] over het salaris van [naam 1] (terwijl die op dat moment de enig aandeelhouder is).127 Ook besloot hij over de salarissen van andere werknemers bij [naam bedrijf 4] .128

- [naam verdachte] gaf goedkeuring aan de jaarrekening over 2012 op een moment dat hij formeel geen aandeelhouder meer was.129

- [naam verdachte] instrueerde bij herhaling mensen bij [naam bedrijf 21] , de boekhouder van [naam bedrijf 4] . Zo mailde hij [naam medeverdachte 4] op 7 juli 2015 of deze met spoed diverse stukken kan aanleveren voor een kredietaanvraag bij de ING Bank.130 Op 13 oktober 2015 mailde [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] dat hij ‘die periode dubbele loonstro[ken] wil hebben voor werknemers die voor [naam 23] werken (en omschreef hij hoe die loonstroken er uit moeten zien).131 Ook gaf hij instructies aan [naam medeverdachte 4] over de hiervoor bedoelde betalingen [naam bedrijf 4] – [naam medeverdachte rechtspersoon] . – [naam bedrijf 17] , instructies die zagen op een bedrag van circa € 33.000,-, instructies die [naam medeverdachte 4] vervolgens ook uitvoerde.132

- Kennelijk besloot hij (mede) over tarieven van [naam bedrijf 4] . [naam 15] , werkzaam op de administratie van [naam bedrijf 4] , mailde op 20 oktober 2015 over een toeslag voor werkzaamheden in België dat niet zij daartoe had besloten, maar dat zij van [naam verdachte] had doorgekregen dat er een toeslag van 10% zou gelden.133

- [naam verdachte] gaf instructies aan werknemers van [naam bedrijf 4] . In een gesprek van 1 november 2016 vertelde hij [naam 15] over hoe te handelen richting [naam 24] Duitsland, die op dat moment kennelijk een betaling niet deed.134

- Eind 2016 / begin 2017 werden afspraken gemaakt tussen [naam verdachte] , [naam medeverdachte 1] , [naam 25] (hierna: [naam 25] ) en [naam medeverdachte 5] over de inzet van Roemenen binnen de structuur van [naam bedrijf 4] . Opvallend daarbij is dat de email met de bevestiging van de afspraken, voor zover uit het dossier blijkt, niet was gericht tot de formele directeur, [naam 1] . Zijn naam staat in de mail ook niet genoemd als mede ondertekenaar van de overeenkomst.135 [naam medeverdachte 5] verklaarde hierover dat hij [naam 25] in contact had gebracht met [naam verdachte] voor een steigerbouwproject met Roemeense werknemers. Voor [naam 25] was het belangrijk dat er een partij beschikbaar was die zowel in Nederland als in België mocht werken. [naam bedrijf 4] kon dat en daarom was [naam verdachte] een hele interessante partij voor [naam 25] , aldus [naam medeverdachte 5] . Hij verklaarde ook dat hij beter zaken kon doen met [naam verdachte] dan met [naam 1] ‘die formeel bestuurder is van [naam bedrijf 4] ’.136 Ook [naam medeverdachte 4] bevestigde met [naam verdachte] over deze inzet van Roemenen te hebben overlegd.137

- [naam verdachte] had in januari 2017 een sleutel van het gebouw van [naam bedrijf 4] .138

- De dochter van [naam verdachte] kreeg een valse arbeidsovereenkomst met [naam bedrijf 4] met een aanzienlijk salaris teneinde een hypotheek te kunnen aanvragen.139

- [naam medeverdachte 4] verklaarde dat [naam verdachte] voor hem onlosmakelijk met [naam bedrijf 4] was verbonden. Hij bemoeide zich met van alles. Hij ging naar [naam 24] , [naam 23] en hij sprak met werknemers.140

De verdachte [naam verdachte] is op zitting met het voorgaande geconfronteerd. Van veel specifieke zaken zegt hij niets (meer) te weten. Zijn verklaring in algemene zin is dat hij slechts adviseur was van [naam bedrijf 4] . Het geheel van het voorgaande overziend, is dit geen afdoende verklaring. Dat geldt met name gelet op de grote bedragen die op zijn instructie (en deels aan hemzelf141) werden uitbetaald in de periode dat hij geen bestuurder meer was. Het gaat om bedragen die vele malen hoger zijn dan de vergoeding die betaald werd aan de formele bestuurder en ook afgezet tegen de omzet van [naam bedrijf 4] gaat het om hoge bedragen.142 De rechtbank concludeert dan ook dat [naam verdachte] ook na zijn vertrek als bestuurder en later als indirecte aandeelhouder in belangrijke mate het beleid van [naam bedrijf 4] bepaalde.

De rechtbank volgt de verdediging niet in het verweer dat deze conclusie niet zou gelden voor de periode 2012-2013. Weliswaar zien de bewijsmiddelen over het feitelijk leidinggeven, voor zover daar een specifieke datum aan hangt, met name op de jaren 2012, 2015, 2016 en 2017, maar nu [naam verdachte] zowel in 2012 (in het begin nog als bestuurder, maar ook daarna) en in de jaren 2015-2017 aantoonbaar feitelijk het beleid bepaalde, gaat de rechtbank ervan uit dat dit ook geldt voor de tussenliggende jaren. Dat hij in december 2016 in een getapt telefoongesprek zegt zich meer met [naam bedrijf 4] te zullen gaan bezig houden, doet daaraan onvoldoende af. Ook in 2015 was hij immers aantoonbaar sturend bezig binnen [naam bedrijf 4] . Het had dan ook op de weg van [naam verdachte] gelegen om concreet en op overtuigende wijze inzage te geven in zijn handelen in de tussenliggende jaren.

Dat er ook getuigen zijn die zeggen dat [naam 1] de daadwerkelijke bestuurder was, doet aan het voorgaande onvoldoende af.

4.6.

Conclusies ten aanzien van de criminele organisatie en de rollen van de verdachten daarin

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat er sprake was van een criminele organisatie. Er was sprake van een gestructureerde, duurzame samenwerking tussen de hiervoor genoemde verdachten, gericht op het – in wisselende samenstelling en gedurende verschillende periodes – plegen van valsheid in geschrifte, belastingfraude, faillissementsfraude en (gewoonte)witwassen. Die feiten hebben zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt.

De voor een criminele organisatie vereiste structuur blijkt reeds uit het totaal aantal deelnemers, zowel natuurlijke personen als rechtspersonen. Over de individuele rollen en daaruit volgende structuur wordt allereerst nog het volgende opgemerkt:

  • -

    [naam verdachte] had binnen de organisatie duidelijk een sleutelrol. Hij was betrokken bij zowel de faillissementsfraudes bij [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] als bij fraudes binnen [naam bedrijf 4] . Binnen [naam bedrijf 4] had hij de feitelijke leiding, in ieder geval voor zover het Nederland betrof.

  • -

    [naam medeverdachte 1] had een belangrijke rol bij de faillissementsfraudes bij [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 3] . Hij had daarin bij [naam bedrijf 1] samen met [naam verdachte] de leiding.

  • -

    Andere verdachten hadden de rol van zetbaas ( [naam 1] en [naam 2] ) en/of voerden individuele strafbare feiten of onderdelen daarvan uit ( [naam 1] , [naam 2] , [naam 15] , [naam 17] ).

  • -

    Tot de criminele organisatie behoorden blijkens het voorgaande ook de vennootschappen [naam bedrijf 4] , [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 17] en [naam bedrijf 19] .

  • -

    [naam bedrijf 5] maakt eveneens deel uit van deze organisatie. In de periode dat deze vennootschap de aandeelhouder van [naam bedrijf 4] was (tot 27 maart 2015) was haar bestuurder [naam verdachte] immers de feitelijke beleidsbepaler van [naam bedrijf 4] , een positie die mede mogelijk gemaakt werd doordat [naam bedrijf 5] dit toeliet.

Afzonderlijke bespreking behoeft verder de positie van [naam medeverdachte 4] , [naam medeverdachte 5] en de [naam medeverdachte rechtspersoon] vennootschappen als externe adviseurs van [naam bedrijf 4] .

  • -

    Uit het feit dat [naam medeverdachte 4] zowel betrokken was bij de geldstroom [naam bedrijf 4] – [naam medeverdachte rechtspersoon] – [naam bedrijf 17] / [naam verdachte] als bij de valse arbeidsovereenkomst van [naam 17] , volgt dat hij een rol in de organisatie vervulde. De rechtbank ziet [naam medeverdachte 4] niet als ‘de criminele boekhouder die van alles wist’, maar hij heeft wel meegewerkt aan het plegen van meerdere strafbare feiten door de organisatie. Dat hij dat deels deed nadat hij door zijn klant [naam bedrijf 4] voor een voldongen feit was gesteld (zoals bij de arbeidsovereenkomst volgens hem is gebeurd, hetgeen door het dossier niet wordt weerlegd), doet daaraan niet af. Ook kleinere, maar onmisbare, schakels kunnen onderdeel van een criminele organisatie zijn.

  • -

    Niet gebleken is dat [naam medeverdachte 5] tot de organisatie behoorde. Weliswaar wordt ook hij bij vonnis van heden voor meerdere feiten veroordeeld. Echter, dit betreft geen feiten waarop de hiervoor beschreven criminele organisatie zag en er is geen bewijs dat hij wist van de hiervoor beschreven criminele organisatie of opzet had op enige rol daarin.

  • -

    [naam bedrijf 21] . maakte geen onderdeel uit van de criminele organisatie. Van een concrete, voldoende substantiële, betrokkenheid van deze vennootschap bij de hiervoor besproken strafbare feiten is niet gebleken.

  • -

    In het verlengde van hetgeen over [naam medeverdachte 4] is overwogen, ziet de rechtbank ook [naam bedrijf 20] . als deelnemer aan de criminele organisatie. Zij heeft immers de valse arbeidsovereenkomst en de valse facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] in de administratie van [naam bedrijf 4] verwerkt en de wetenschap van [naam medeverdachte 4] over deze valsheden worden aan deze vennootschap toegerekend. Zijn werkzaamheden vonden plaats in de sfeer van deze rechtspersoon en hij was van die rechtspersoon ook de bestuurder.

  • -

    [naam medeverdachte rechtspersoon] maakte geen onderdeel uit van de criminele organisatie. Van alle hiervoor besproken strafbare feiten wordt deze verdachte alleen veroordeeld voor (kort gezegd) de valse facturen van de ‘ [naam bedrijf 17] geldstroom’. Die enkele veroordeling vindt de rechtbank onvoldoende om ook deze vennootschap als lid van de criminele organisatie aan te merken.

De in de tenlastelegging genoemde vennootschappen [naam bedrijf 22] , [naam bedrijf 23] , [naam bedrijf 24] en [naam bedrijf 25] behoren niet tot de criminele organisatie. Weliswaar zijn deze vennootschappen blijkens het dossier betrokken - al dan niet op strafrechtelijk relevante wijze – bij strafbare feiten, met name witwassen. Echter, dat betreft feiten waarvan de rechtbank van oordeel is dat deze onvoldoende verband houden met de hiervoor beschreven criminele organisatie rondom [naam verdachte] , [naam medeverdachte 1] , [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] . Nu de hier bedoelde vennootschappen zelf niet terecht staan, zal dit oordeel niet nader gemotiveerd worden.

In de tenlastelegging van feit 1 staan verder nog [naam 12] , [naam 26] en [naam medeverdachte 2] genoemd. Ook voor hen geldt dat de rechtbank van oordeel is dat zij niet deelnamen aan de criminele organisatie. Nu [naam 26] zelf niet terecht staat en [naam 12] en [naam medeverdachte 2] wel terechtstaan, maar niet voor deelname aan een criminele organisatie,143 zal dit oordeel niet nader gemotiveerd worden.

Dat de hiervoor beschreven samenwerking duurzaam van aard was – zoals vereist is voor een criminele organisatie – blijkt reeds uit de periodes waarin de verschillende strafbare feiten – zowel ieder voor zich als het geheel – plaatsvonden.

Het door de verdediging van verschillende verdachten gevoerde verweer dat [naam bedrijf 4] een legitiem uitzendbureau was en dat dat – en niet het plegen van strafbare feiten – het oogmerk van de samenwerking was, slaagt gelet op het voorgaande niet. Weliswaar was [naam bedrijf 4] inderdaad ook een legitiem uitzendbureau, maar dat laat onverlet dat er tevens sprake is van een criminele organisatie.

De slotsom is dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen is.

4.7.

Nadere overweging over de feiten 2 t /m 5

In het verlengde van het voorgaande zijn ook de feiten 2 (primair), 3 (primair), 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen.144

4.8.

Nadere overweging over feit 6

Feit 6 betreft het witwassen van diverse bedragen, die hierna, deels gecombineerd en waar nodig in aanvulling op het voorgaande, zullen worden besproken.

4.8.1.

Witwassen € 1.130.575 ( [naam bedrijf 1] )

Uit hetgeen hiervoor is overwogen over de onttrekkingen uit [naam bedrijf 1] volgt dat de verdachte voor het witwassen van dit bedrag wordt vrijgesproken.

4.8.2.

Witwassen € 4.212.391,68 ( [naam bedrijf 2] )

Uit hetgeen hiervoor is overwogen over de onttrekkingen uit [naam bedrijf 2] volgt dat de verdachte voor het witwassen van dit bedrag deels wordt vrijgesproken. Bewezen is het voorhanden hebben van een bedrag van € 2.264.819,97 uit criminele herkomst.145

4.8.3.

Witwassen € 1.348.358,70 (valse leveranciersfacturen)

Over het bedrag dat is witgewassen door middel van de hiervoor genoemde facturen van acht leveranciers ( [naam bedrijf 7] e.a.) wordt het volgende overwogen. De tenlastelegging stelt dit bedrag op € 1.348.358,70. Dit is het bedrag dat in het dossier o.a. op p. 126 genoemd wordt als het totaal van de facturen DOC-001 tot en met DOC-041. De verdediging van [naam verdachte] heeft aangevoerd dat dit een verkeerde optelsom is van de bedragen van die facturen. Dit verweer slaagt. De rechtbank heeft de factuurbedragen nageteld en komt – zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen - op een totaalbedrag van € 1.236.003,65 (voor alle facturen, dus incl. DOC-008). Het verschil met de berekening van de FIOD betreft de facturen van [naam bedrijf 9] en de facturen van [naam bedrijf 13] Voor het verschil met betrekking tot de facturen van [naam bedrijf 9] biedt het dossier geen verklaring, zodat de rechtbank van haar eigen optelling (zoals hiervoor opgenomen) uitgaat.

Bij de facturen van [naam bedrijf 13] is het volgende aan de hand. Het dossier vermeldt twee verschillende totaalbedragen voor die facturen: € 214.013,20 en € 122.076,90. Het verschil betreft volgens p. 916 van het dossier vier leveringen van diensten/prestaties waarvoor geen facturen zijn gevonden, maar wel registraties in het grootboek van [naam bedrijf 4] . Echter, op p. 3021 van het dossier worden vijf bedragen genoemd die het verschil tussen deze twee totalen moet verantwoorden. Gelet hierop, en op het feit dat DOC-008 ook niet aangemerkt kan worden als een vervalsing, gaat het de rechtbank te ver om uit te gaan van het bedrag van € 214.013,20.

De rechtbank gaat daarom uit van het bedrag van € 1.236.003,65 voor de facturen DOC-001 t/m 041. Witgewassen is dus een bedrag van (€ 1.236.003,65 minus 38.720,-- (het bedrag van factuur DOC-008)), zijnde 1.197.283,65.

4.8.4.

Witwassen € 1.552.668,94 (valse voorschotformulieren)

Uit hetgeen hiervoor is overwogen over de voorschotformulieren volgt dat de verdachte voor het witwassen van € 1.198.303,-- wordt veroordeeld.

4.8.5.

Witwassen € 20.250,-, € 101.850,- en € 390.000,-

De rechtbank stelt voorop dat er geen direct bewijs is dat de ten laste gelegde bedragen van € 20.250,-, € 101.850,- en van € 390.000,- afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Witwassen kan in een dergelijk geval toch worden bewezen als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De rechtbank dient vast te stellen of de feiten en omstandigheden zodanig zijn dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat het geval is mag volgens vaste rechtspraak van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Als de verklaring van de verdachte daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaringen van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

€ 20.250,- en € 101.850,-

De douane op Schiphol heeft op 4 januari 2015 en op 28 mei 2015 geconstateerd dat [naam verdachte] een bedrag van respectievelijk € 20.250,- en van € 101.850,- in contanten meeneemt naar Turkije. [naam verdachte] heeft bij de douane verklaard dat het bedrag van € 20.250,- afkomstig is van [naam bedrijf 5] , [naam bedrijf 4] en privé. Het bedrag van € 101.850,- zou afkomstig zijn van de rekening van [naam bedrijf 5] .146

De aanzienlijke omvang van de geldbedragen en de omstandigheid dat die bedragen in contante vorm buiten Nederland worden gebracht zonder dat daar een duidelijk aanwijsbare noodzaak voor is, duiden op uitvoerhandelingen van het witwassen van door misdrijf verkregen gelden. Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer sprake van een vermoeden van witwassen.

Tot de zitting heeft [naam verdachte] zich steeds beroepen op zijn zwijgrecht. Op zitting heeft hij verklaard dat de bedragen bestaan uit zakelijk en privévermogen. De raadsman heeft gesteld dat [naam verdachte] zakenman is en dat hij altijd op zoek is naar kansen.

Met deze enkele, niet nader onderbouwde, verklaring is niet voldaan aan het vereiste dat de verklaring over de herkomst van de geldbedragen concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Dat de bedragen wellicht (voor een deel) afkomstig zijn van de bankrekening van [naam bedrijf 5] , betekent op zichzelf nog niet dat de geldbedragen een legale herkomst hebben. Dat [naam verdachte] als zakenman altijd op zoek is naar kansen, verklaart evenmin waarom het noodzakelijk is om dergelijk grote bedragen contant op zak te hebben en uit te voeren.

Gelet op het voorgaande kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de geldbedragen die [naam verdachte] op 4 januari 2015 en op 28 mei 2015 contant bij zich droeg een legale herkomst hebben, zodat een criminele herkomst van die bedragen als enige aanvaardbare verklaring kan gelden en dat [naam verdachte] dit wist. De verdachte wordt daarom voor het witwassen van deze twee bedragen veroordeeld.

€ 390.000

Uit een onderzoek naar de bankrekening van [naam bedrijf 5] blijkt dat op 1 april 2015, 29 april 2015, 13 mei 2015 en op 11 juni 2015 bedragen van respectievelijk € 150.000,-, € 60.000,-, € 100.000,- en € 80.000,- zijn gepind.147 [naam verdachte] was in deze periode algemeen directeur en indirect, via de door hem opgerichte stichting Stichting Administratiekantoor [naam bedrijf 5] , enig aandeelhouder van [naam bedrijf 5] .148

Ter zitting heeft de raadsman erop gewezen dat onvoldoende is komen vast te staan dat op 1 april 2015 en op 29 april 2015 bedragen zijn gepind, omdat van deze twee opnames bankafschriften ontbreken. Dat er op deze data bedragen van respectievelijk € 150.000,- en € 60.000,- zijn gepind van de bankrekening van [naam bedrijf 5] , volgt uit een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal.149 De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de inhoud van dat proces-verbaal te twijfelen en gaat daarom uit van de juistheid daarvan.

Nu [naam verdachte] in de periode waarin de genoemde bedragen zijn gepind enig bestuurder en indirect - via Stichting Administratiekantoor [naam bedrijf 5] - aandeelhouder was van [naam bedrijf 5] en gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen gaat de rechtbank er vanuit dat [naam verdachte] tussen 1 april 2015 en 11 juni 2015 € 390.000,- van de bankrekening van [naam bedrijf 5] heeft opgenomen.

Gelet op de omvang van de gepinde bedragen en het korte tijdsbestek waarbinnen deze bedragen zijn opgenomen is de rechtbank van oordeel dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Tot de zitting heeft [naam verdachte] zich ten aanzien van de herkomst van het bedrag van € 390.000,- op zijn zwijgrecht beroepen. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij inkomsten uit arbeid had.

De rechtbank acht deze, in een zeer laat stadium afgelegde en algemene verklaring, onvoldoende concreet en hoogst onwaarschijnlijk. Een nader onderzoek naar het realiteitsgehalte van de verklaring van [naam verdachte] acht de rechtbank, mede gelet op het tijdstip waarop de verdachte deze verklaring heeft afgelegd niet noodzakelijk.

Gelet op het voorgaande kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de geldbedragen die [naam verdachte] tussen 1 april 2015 en 11 juni 2015 heeft gepind, een legale herkomst hebben, zodat een criminele herkomst van die bedragen als enige aanvaardbare verklaring kan gelden en dat [naam verdachte] dit wist.

4.8.6.

Witwassen € 10.000,- (contante opname op Schiphol)

Ter zitting heeft [naam verdachte] verklaard dat niet hij degene is geweest die op 1 december 2014 in totaal een bedrag van € 10.000,- op Schiphol heeft opgenomen van de bankrekening van [naam bedrijf 4] . Zijn verklaring dat hij destijds in gezelschap was van een ander die dit bedrag heeft gepind, wordt niet weersproken door de stukken. Hij wordt daarom vrijgesproken van het witwassen van dat bedrag.

4.8.7.

Witwassen € 498.649,- (geldstroom [naam bedrijf 4] – [naam medeverdachte rechtspersoon] – [naam bedrijf 17] / [naam bedrijf 18] )

Uit hetgeen hiervoor is overwogen over deze geldstroom volgt dat de verdachte voor het witwassen van dit bedrag wordt veroordeeld.

4.8.8.

Witwassen € 222.482 (betaling koopsom [naam bedrijf 4] )

De verdachte zal van dit bedrag worden vrijgesproken nu de rechtbank niet de overtuiging heeft dat het hier om het verkrijgen/voorhanden hebben van geld met een criminele herkomst gaat.

4.9.

Nadere overweging over feit 7

Over feit 7 oordeelt de rechtbank als volgt.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 7 tenlastegelegde verduistering niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat [naam verdachte] daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

[naam verdachte] is voorts - kort samengevat - ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 september 2013 tot en met 4 februari 2014 (in vereniging) verzekeringsmaatschappij de Goudse Verzekeringen heeft opgelicht door schade als gevolg van een diefstal van drie horloges te declareren, terwijl die diefstal niet was gepleegd.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende af.

- Op 1 september 2013 heeft [naam verdachte] aangifte gedaan van een inbraak in zijn woning aan [adres] in Rotterdam.150 Bij die inbraak zouden een aantal goederen zijn weggenomen, waaronder drie horloges; een Montre Hublot Cusion Chrono or Rose met serienummer [serienummer 1] een Breitling Chronomat en een Rolex Lady-Datejust. Op 3 september 2013 heeft [naam verdachte] een schademelding gedaan bij de Goudse verzekeringen.151 Op 4 februari 2014 heeft de Goudse verzekeringen aan [naam verdachte] een vergoeding van € 61.000,- uitgekeerd in verband met de schade ontstaan op 1 september 2013.152

- Op 31 januari 2017 is de woning van [naam verdachte] aan [adres] doorzocht. In de woning is een dameshorloge van het merk Rolex153 en in een doos een herenhorloge van het merk Hublot aangetroffen.154 In een bankkluis van [naam verdachte] lag een horloge van het merk Breitling en een bijbehorend garantiebewijs en reparatiebon.155

- Op 28 maart 2017 heeft de Goudse verzekeringen aangifte gedaan van oplichting.156 Volgens de aangever is het bij [naam verdachte] aangetroffen horloge van het merk Hublot met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een van de horloges die door [naam verdachte] in 2013 als gestolen is opgegeven. In een aanvullende aangifte van 18 april 2017157 hebben de aangevers verklaard dat zij nader onderzoek hebben gedaan naar de bij [naam verdachte] gevonden horloges van de merken Breitling en Rolex. Uit dat onderzoek is gebleken dat het Rolex dameshorloge (type Lady-Datejust) en het horloge van het merk Breitling dezelfde horloges zijn als de horloges die [naam verdachte] in 2013 bij De Goudse verzekeringen heeft opgegeven als gestolen. Daarnaast heeft de juwelier waar het horloge van het merk Breitling is gekocht, verklaard dat dit horloge op 6 augustus 2013 ter reparatie is aangeboden en op 13 oktober 2013 is opgehaald door de klant.

Beoordeling

Op zitting heeft de verdachte verklaard dat het klopt dat de horloges genoemd op de tenlastelegging, achteraf gezien, niet waren gestolen.158 Niettemin is volgens hem geen sprake van oplichting omdat hij ten tijde van de aangifte van diefstal en het indienen van de schadeclaim bij de Goudse verzekeringen in de veronderstelling was dat deze horloges bij de inbraak in zijn woning waren meegenomen. Pas daarna (nog in 2013) kwam hij erachter dat dit niet juist was en toen is hij vergeten de Goudse verzekeringen hiervan op de hoogte te stellen.

Deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daarvoor is van belang dat onbetwist is dat [naam verdachte] op 6 augustus 2013 het horloge van het merk Breitling ter reparatie naar de juwelier heeft gebracht en op 23 oktober 2013 heeft opgehaald.159 Dat [naam verdachte] ten tijde van de inbraak op 1 september 2013 en het indienen van de schadeclaim bij de Goudse verzekeringen niet meer wist dat hij het horloge naar de juwelier had gebracht, is onaannemelijk. Daarnaast heeft [naam verdachte] over het tijdstip waarop hij zich realiseerde dat de horloges toch niet waren gestolen wisselende verklaringen afgelegd. In een brief aan de Goudse verzekeringen van 11 april 2017 schrijft hij dat hij de horloges pas in december 2016 toevallig had gevonden. Op zitting heeft hij verklaard dat dat eind 2013 was.

Nu [naam verdachte] bij de verzekeringsmaatschappij een claim heeft ingediend inhoudende dat (onder meer) de drie op de tenlastelegging vermelde horloges bij een woninginbraak waren weggenomen, terwijl hij wist dat die diefstal niet had plaatsgevonden, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde oplichting.

Feit 7 is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.10.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2017 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van meerdere natuurlijke personen en rechtspersonen, te weten hij, verdachte, en [naam medeverdachte 1] en [naam 1] en [naam 2] en [naam medeverdachte 4] en [naam 17] en [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 17] en [naam bedrijf 19] en [naam bedrijf 5]

en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

  • -

    valsheid in geschrifte (art 225 leden 1 en 2 Wetboek van Strafrecht) en

  • -

    het opzettelijk niet dan wel onjuist en/of onvolledig doen van een of meer bij de belastingwet voorziene aangifte(n) (artikel 69 AWR) en

  • -

    faillissementsfraude (artikel 341 e.v. Wetboek van Strafrecht) en

  • -

    (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht),

terwijl hij, verdachte, aan die organisatie leiding heeft gegeven;

2. primair

[naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] op tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, terwijl

  1. [naam bedrijf 1] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 11 november 2014 in staat van faillissement is/was verklaard, en

  2. [naam bedrijf 2] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 18 maart 2014 in staat van faillissement is/was verklaard,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, baten niet verantwoord heeft/hebben en/of enig goed aan de boedel heeft/hebben onttrokken, immers hebben [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] en haar mededader(s) met dat opzet

  1. goodwill en

  2. (een) geldbedrag(en) van (in totaal) 2.029.340,82 euro en goodwill,

niet aan de curator verantwoord en/of afgedragen, in elk geval buiten het bereik en/of het beheer van de curator gebracht en/of gehouden, aan welk bovenomschreven gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

3. primair

[naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]

op tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, terwijl

  1. [naam bedrijf 1] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 11 november 2014 in staat van faillissement is/was verklaard, en

  2. [naam bedrijf 2] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 18 maart 2014 in staat van faillissement is/was verklaard,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, niet voldaan heeft/hebben aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die/dat artikel(en) bedoeld,

immers hebben [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] en haar mededader(s) met dat opzet (telkens)

  • -

    niet een zodanige administratie gevoerd, althans laten voeren, dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtingen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] konden worden gekend, en

  • -

    niet alle administratie van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] afgegeven en/of ter beschikking gesteld aan de curatoren in de faillissementen van die rechtspersonen;

aan welk bovenomschreven gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

4.

[naam bedrijf 4] op tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode 30 oktober 2012 tot en met 2 februari 2015 in Nederland, meermalen, (telkens) opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(digitale) aangiften voor de omzetbelasting over het derde en/of vierde kwartaal van het jaar 2012 en/of het eerste en/of tweede en/of 3e kwartaal 2013 en/of de maand(en) oktober en/of november en/of december van het jaar 2013,

en/of (een) (digita(a)l(e)) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting over het jaar/de jaren 2012 en/of 2013 ten name van [naam bedrijf 4] , onjuist heeft gedaan,

immers hebben [naam bedrijf 4] en/of haar mededader(s), (telkens) opzettelijk

  • -

    op het bij de Inspecteur der belastingen te Apeldoorn, ingestuurde ingediende (digitale) aangiften omzetbelasting over het/de genoemde perioden/tijdvakken(telkens) een te hoog bedrag aan terug te vragen belasting en/of (telkens) een te laag bedrag aan te betalen belasting en/of (telkens) een onjuist bedrag aan belasting opgegeven, en

  • -

    op het bij de Inspecteur der belastingen te Apeldoorn, ingestuurde/ingediende aangiften vennootschapsbelasting over de genoemde jaren (telkens) een te laag bedrag aan belastbare winst en/of een te laag bedrag aan te betalen belasting opgegeven,

terwijl die feiten(telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

aan welk bovenomschreven gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

en

[naam bedrijf 4] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2012 tot en met 2 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

terwijl die rechtspersoon (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze (telkens) opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld aan een controleambtenaar van de Belastingdienst,

immers hebben [naam bedrijf 4] en/of haar mededaders, (telkens)(opzettelijk) valse facturen van [naam bedrijf 7] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 9] en/of [naam bedrijf 10] en/of [naam bedrijf 11] en/of [naam bedrijf 12] en/of [naam bedrijf 13] en/of [naam bedrijf 16] . (handelsnaam [naam bedrijf 14] ) aan [naam bedrijf 4] (DOC-001 t/m DOC-007 en DOC-009 t/m DOC-041) ter beschikking gesteld aan de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst, bestaande die valsheid hierin dat in de bovengenoemde facturen telkens valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen dat [naam bedrijf 7] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 9] en/of [naam bedrijf 10] en/of [naam bedrijf 11] en/of [naam bedrijf 12] en/of [naam bedrijf 13] en/of [naam bedrijf 16] . (handelsnaam [naam bedrijf 14] ) werkzaamheden en/of diensten heeft/hebben verricht voor [naam bedrijf 4] , terwijl in werkelijkheid de in de bovengenoemde facturen genoemde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht, terwijl die feiten ertoe strekten dat (telkens) te weinig belasting werd geheven, aan welk bovenomschreven gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

5.

[naam bedrijf 4] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 januari 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, :

haar (bedrijfs)administratie, zijnde die bedrijfsadministratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, immers heeft/hebben [naam bedrijf 4] en/of haar mededader(s) een of meerdere valse geschriften, te weten

A. valse facturen, waaronder/te weten: 40 facturen, van [naam bedrijf 7] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 9] en/of [naam bedrijf 10] en/of [naam bedrijf 11] en/of [naam bedrijf 12] en/of [naam bedrijf 13] en/of [naam bedrijf 16] . (handelsnaam [naam bedrijf 14] ) aan [naam bedrijf 4] (DOC-001 t/m DOC-007 en DOC-009 t/m DOC-041)

en

B. voorschotformulieren, waaronder/te weten:

  • -

    voorschotformulieren van de betaling van een voorschot aan [naam 27] op 20 mei 2014 (DOC-666) en 16 juni 2014 (DOC-652) en 10 juli 2014 (DOC-653) en 30 september 2014 (DOC-655) en 29 oktober 2014 (DOC-656) en 5 november 2014 (DOC-657) en 19 november 2014 (DOC-658) en 18 december 2014 (DOC-659); en

  • -

    voorschotformulieren van de betaling van een voorschot aan [naam getuige 5] voor de perioden 6 en 9 en 10 en 11 en 12 en 13 van het jaar 2015 en de perioden 3 en 4 en 5 en 6 en 7 en8 en 9 van het jaar 2016

(DOC-485 tot en met DOC-492 en DOC 456 tot en met DOC-460); en

- voorschotformulieren van de betaling van een voorschot aan [naam getuige 1] voor de perioden 4 en 5 en 6 en 7 en 9 van het jaar 2016

(DOC-232 tot en met DOC-238); en

- voorschotformulieren van de betaling van een voorschot aan [naam 28] voor de perioden 5 en 9 en 10 en 13 en 14 van het jaar 2015 en de perioden 1 en 2 en 3 en 4 en 5 en 8 en 9 van het jaar 2016

(DOC-637 tot en met DOC-648); en

- voorschotformulieren van de betaling van een voorschot aan [naam 20] voor de perioden 5 en 6 en 7 en 9 en 10 en 11 en 12 en 13 van het jaar 2015 (DOC-1250 tot en met DOC-1257)

en

C. salarisspecificaties, waaronder/te weten:

- een salarisspecificatie van [naam 27] , gedateerd 03-10-2014 (DOC-665); en

- een salarisspecificatie van [naam 20] , gedateerd 12-06-2015 (DOC-1260); en

- een salarisspecificatie van [naam 28] , gedateerd 01-05-2016 (DOC-649); en

- een salarisspecificatie van [naam 21] , gedateerd 20-05-2016 (DOC-720),

en

D. facturen, waaronder/te weten: 6 facturen, van [naam medeverdachte rechtspersoon] aan [naam bedrijf 4] (DOC-1083 tot en met DOC-1087 en DOC-265)

verwerkt en/of doen verwerken en/of opgenomen en/of doen opnemen in haar bedrijfsadministratie, bestaande die valsheid hierin dat

- op de onder A. genoemde factu(u)r(en) telkens valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat [naam bedrijf 7] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 9] en/of [naam bedrijf 10] en/of [naam bedrijf 11] en/of [naam bedrijf 12] en/of [naam bedrijf 13] en/of [naam bedrijf 16] . (handelsnaam [naam bedrijf 14] ) werkzaamheden en/of diensten heeft/hebben verricht voor [naam bedrijf 4] , terwijl in werkelijkheid de in de bovengenoemde factu(u)r(en) genoemde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht, ; en

- op de onder B. genoemde voorschotformulieren (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat het op die voorschotformulieren vermelde voorschot is uitbetaald aan de op die voorschotformulieren vermelde personen, terwijl in werkelijkheid aan de op die voorschotformulieren vermelde personen geen voorschot is uitbetaald, in elk geval niet het geldbedrag als voorschot aan de op die/dat voorschotformulier(en) vermelde perso(o)n(en) is uitbetaald zoals vermeld op dat/die voorschotformulier(en); en

- op de onder C. genoemde salarisspecificaties (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat het op die salarisspecificatie(s) genoemde netto loon en/of voorschot is uitbetaald aan de op die salarisspecificaties vermelde personen, terwijl in werkelijkheid niet het netto loon en/of voorschot aan de op die salarisspecificaties vermelde personen is uitbetaald zoals vermeld op die salarisspecificatie(s); en op de onder D. genoemde facturen telkens valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat [naam medeverdachte rechtspersoon] werkzaamheden en/of diensten heeft verricht voor [naam bedrijf 4] , terwijl in werkelijkheid de in de bovengenoemde facturen genoemde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht, althans niet de werkzaamheden en/of diensten zijn verricht zoals beschreven op deze facturen,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander , feitelijke leiding heeft gegeven;

6.

hij op tijdstippengelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 januari 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,

a. a) (telkens) van één of meerdere geldbedrag(en) te weten:

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 1.197.283,65 euro, (zaaksdossier AWR 2-OPV p. 58), en

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 1.198.303 euro, (aan niet uitbetaalde voorschotten) (zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV, p. 22 e.v.), en

  • -

    een of meer geldbedragen van (in totaal) 498.649 euro, (zaaksdossier witwassen 3a-OPV p. 11 e.v.),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

en

b) (telkens) een of meerdere geldbedrag(en) te weten:

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 2.264.819,97 euro, (zaaksdossier faillissementsfraude 1-OPV: [naam bedrijf 2] ), en

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 1.197.283,65 euro, (zaaksdossier AWR 2-OPV p. 58), en

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 1.198.303 euro, (aan niet uitbetaalde voorschotten) (zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV, p. 22 e.v.), en

  • -

    (contant) geldbedragen van 20.250 euro en 101.850 euro, (in contanten vervoerd naar Turkije) (zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV p. 30), en

  • -

    (contant) geldbedragen van (in totaal) 390.000 euro, (contant opgenomen van de bankrekening van [naam bedrijf 5] )(zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV p. 30), en

  • -

    een of meer geldbedragen van (in totaal) 498.649 euro, (zaaksdossier witwassen 3a-OPV p. 11),

  • -

    heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van dat feit een gewoonte hebben gemaakt,

7.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 4 februari 2014 in Nederland,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels, (medewerkers van) De Goudse Verzekeringen heeft bewogen tot de afgifte van 61.000 euro, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -, opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, onder overlegging van een aangifte van woninginbraak bij de politie Rotterdam-Rijnmond (met kenmerk [proces-verbaalnummer] ) bij voornoemde verzekeringsmaatschappij een schadeclaim heeft ingediend, betreffende schade tengevolge van een in of omstreeks de periode van 7 augustus 2013 tot en met 1 september 2013 te Rotterdam plaatsgevonden hebbende diefstal van:

  • -

    een horloge, merk/type Montre Hublot Cusion Chrono or Rose met serienummer/certificaatnummer [serienummer 1] en

  • -

    een horloge, merk/type Breitling Chronomat en

  • -

    een horloge, merk/type Rolex Lady-Datejust (met briljantjes) met serienummer [serienummer 2] ,

en zich aldus heeft voorgedaan als benadeelde van diefstal van deze goederen, terwijl deze diefstal niet was gepleegd, waardoor (medewerkers van) De Goudse Verzekeringen voornoemd werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte (uitkering van het geclaimde schadebedrag);

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. In de ten laste gelegde feiten 2 en 3 was als einddatum opgenomen 31 januari 2017. Uit de toelichting van de officier van justitie ter terechtzitting volgt dat – in verband met gewijzigde wetgeving per 1 juli 2016 – bedoeld was om als einddatum bij deze feiten 30 juni 2016 op te nemen. De rechtbank heeft de bedoelde einddata bij deze feiten om die reden verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

5.1.

Ten aanzien van feit 6 (witwassen)

Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het enkele verkrijgen en/of voorhanden hebben van gelden of goederen die uit eigen misdrijf afkomstig zijn, in beginsel niet strafbaar als witwassen, indien het gaat om gedragingen die zich hebben voorgedaan voor de wetswijziging van 1 januari 2017. Voor strafbaarheid is in dergelijke gevallen vereist dat er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (zie o.a. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440).

De officier van justitie heeft gesteld dat de door de Hoge Raad geformuleerde kwalificatie-uitsluitingsgrond voor witwassen van uit eigen misdrijf verkregen gelden in dit geval niet van toepassing is, omdat de misdrijven zijn gepleegd door rechtspersonen en niet door de verdachte als feitelijk leidinggevende.

De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet en overweegt daartoe het volgende. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet alleen betrekking heeft op het geval dat de verdachte het misdrijf waaruit het voorwerp afkomstig is zelf heeft gepleegd, maar ook op het geval dat de verdachte medepleger is van dat misdrijf (ECLI:NL:HR:2015:1090). De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen in het geval de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan een door een rechtspersoon gepleegde strafbare gedraging. Anders zou immers een verdachte kunnen worden veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het strafbaar feit ‘witwassen’ gepleegd door een rechtspersoon, terwijl diezelfde rechtspersoon – op grond van de eigen misdrijf exceptie – geen strafbaar feit zou plegen.

Toepassing van de eigen misdrijf exceptie in deze zaak leidt tot de volgende vaststellingen.

1)

Zoals hiervoor is toegelicht, is bij de meeste onttrekkingen sprake van actieve verhullingshandelingen, in het bijzonder het gebruik van valse facturen al dan niet in combinatie met het gebruik van contant geld om de verplaatsing van gelden te verhullen. Voor die feiten is de eigen misdrijf exceptie niet van toepassing. Uitzondering hierop is de zaak [naam bedrijf 2] . De rechtbank heeft geen bewijs aangetroffen waaruit blijkt dat [naam verdachte] de criminele herkomst van het bewezen verklaarde geldbedrag van € 2.264.819,97 heeft verborgen of verhuld. Dat betekent dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is, zodat [naam verdachte] voor dit deel van feit 6 zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

2)

Voor de feiten waarbij op grond van de zogeheten zes stappen jurisprudentie is gekomen tot het oordeel dat het gaat om crimineel geld, is niet zonder meer aannemelijk dat het gaat om geld dat uit eigen misdrijf afkomstig is. Ook hier is de eigen misdrijf exceptie daarom niet van toepassing.

5.2.

Kwalificaties

De bewezen feiten leveren op:

1.

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

2 primair

feitelijk leiding geven aan het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd

3 primair

als feitelijk leidinggevende van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met anderen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, niet voldaan hebben aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voren van een administratie ingevolge artikel 2:10, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3:15i, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in die artikelen genoemd, meermalen gepleegd

4.

feitelijk leiding geven aan:

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, deze opzettelijk onjuist verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,

meermalen gepleegd

en

feitelijk leiding geven:

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan,

en deze opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stellen,

terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,

meermalen gepleegd

5.

feitelijk leiding geven aan het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

6.

medeplegen van gewoontewitwassen

7.

oplichting

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende langere tijd leiding gegeven aan een criminele organisatie en hij heeft zich op grote schaal schuldig gemaakt aan fraude in verschillende varianten. [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] zijn mede door hem leeggehaald en grote bedragen zijn onttrokken aan [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 4] . Daarbij werd op grote schaal gebruik gemaakt van valse documenten en katvangers/zetbazen. Hij heeft op deze wijze zichzelf verrijkt ten nadele van onbetaald gebleven schuldeisers, in het bijzonder de belastingdienst. Ook heeft hij gelden witgewassen.

De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan, mede ook omdat hij een groot aantal mensen in zijn omgeving – waaronder zijn eigen dochter – heeft meegetrokken in het plegen van strafbare feiten. De schade die de verdachte heeft veroorzaakt is groot.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

1 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst en omvang van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. In combinatie met het feit dat de verdachte voor een deel van de feiten partieel wordt vrijgesproken en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging maakt dit dat de door de officier geëiste gevangenisstraf van acht jaar niet passend is. Een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, zoals door de raadsman bepleit, doet evenwel ook geen recht aan de feiten.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

In de strafzaak tegen de verdachte zijn beslagen gelegd. Op de overgelegde beslaglijst staan alleen documenten. Daarvan heeft de officier van justitie gesteld dat het gaat om stukken die zijn opgenomen in het strafdossier en die onderdeel uitmaken van de bewijsvoering. Dat is door de verdediging niet weersproken, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Gelet op de aard van de inbeslaggenomen stukken zal de rechtbank bepalen dat het beslag gehandhaafd blijft.

De verdediging heeft aangevoerd dat er ook andere goederen in beslag genomen zijn en noemt in het bijzonder sieraden. De rechtbank neemt – bij gebreke aan een nadere toelichting – aan dat het hier gaat om beslag ex art. 94a Sv. Over een dergelijk beslag wordt in de hoofdzaak geen beslissing genomen.

9 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd Goudse schadeverzekeringen NV ter zake van het onder 7 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 63.615,14 aan materiële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag van de vordering gematigd dient te worden tot het bedrag van de drie horloges, zoals opgenomen in tenlastelegging.

9.3.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit 7, rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot het bedrag dat aan de verdachte ten onrechte is uitgekeerd in verband met de vermeende diefstal van de op tenlastelegging vermelde drie horloges. Het ten onrechte aan de verdachte uitgekeerde bedrag in verband met de horloges bedraagt € 32.845,00. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De rest van de vordering ziet op uitkering aan de verdachte in verband met andere gestolen goederen. Dit is geen rechtstreekse schade zodat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk is.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 4 februari 2014, zijnde de datum waarop het schadebedrag is uitgekeerd aan de verdachte.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil.

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 32.845,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Over het resterende deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 51, 57, 140, 225, 326, 341 (oud) en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de feiten 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5, 6 en 7, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde onder feit 6, voor zover het betreft de onttrekking van een bedrag van € 2.264.819,97 aan [naam bedrijf 2] , geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het bewezen verklaarde voor het overige oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

beslist ten aanzien van de voorwerpen, onder nummer 57 geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- handhaaft het beslag;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij Goudse Schadeverzekeringen NV, te betalen een bedrag van € 32.845,00 (zegge: tweeëndertigduizend en achthonderdvijfenveertig euro), aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

mr. A. Hello en mr. J. Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of Schiedam en/of ’s-Gravenhage en/of Apeldoorn, althans in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie,

welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van meerdere natuurlijke personen en/of rechtspersonen,

te weten hij, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam 1] en/of [naam 12] en/of [naam 2] en/of [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 4] en/of [naam 17] en/of [naam 26] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam bedrijf 4] en/of [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 3] en/of [naam bedrijf 17] en/of [naam bedrijf 19] en/of [naam medeverdachte rechtspersoon] en/of [naam bedrijf 21] . en/of [naam bedrijf 5] en/of [naam bedrijf 22] en/of [naam bedrijf 23] en/of [naam bedrijf 24] en/of [naam bedrijf 25] en/of één of meer ander(e) (rechts)perso(o)n(en),

en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

  • -

    valsheid in geschrifte (art 225 leden 1 en 2 Wetboek van Strafrecht) en/of

  • -

    het opzettelijk niet danwel onjuist en/of onvolledig doen van een of meer bij de belastingwet voorziene aangifte(n) (artikel 69 AWR) en/of

  • -

    faillissementsfraude (artikel 341 e.v. Wetboek van Strafrecht) en/of

  • -

    (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht),

terwijl hij, verdachte, aan die organisatie leiding heeft gegeven.

art 140 lid 3 Wetboek van Strafrecht

2.

[naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, terwijl

[naam bedrijf 1] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 11 november 2014 in staat van faillissement is/was verklaard, en/of

[naam bedrijf 2] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 18 maart 2014 in staat van faillissement is/was verklaard,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, baten niet verantwoord heeft/hebben en/of enig goed aan de boedel heeft/hebben onttrokken, immers heeft/hebben [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] en/of haar mededader(s) met dat opzet

(een) geldbedrag(en) van (in totaal) 1.130.575 euro (DOC-679) en/of 71.640 euro (AMB-015/81) en/of goodwill en/of

(een) geldbedrag(en) van (in totaal) 4.212.391,68 euro en/of goodwill,

althans (telkens) een of meer goed(eren) en/of geldbedrag(en), niet aan de curator verantwoord en/of afgedragen, in elk geval buiten het bereik en/of het beheer van de curator gebracht en/of gehouden,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk bovenomschreven gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 341 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht (oud)

Subsidiair

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

  1. ls bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf 1] , welke besloten vennootschap bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 11 november 2014 in staat van faillissement is/was verklaard, en/of

  2. als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf 2] , welke besloten vennootschap bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 18 maart 2014 in staat van faillissement is/was verklaard,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtsperso(o)n(en), baten niet verantwoord heeft en/of enig goed aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet

  1. (een) geldbedrag(en) van (in totaal) 1.130.575 euro (DOC- 679) en/of 71.640 euro (AMB-015/81) en/of goodwill en/of

  2. (een) geldbedrag(en) van (in totaal) 4.212.391,68 euro en/of goodwill,

althans (telkens) een of meer goed(eren) en/of geldbedrag(en), niet aan de curator verantwoord en/of afgedragen, in elk geval buiten het bereik en/of het beheer van de curator gebracht en/of gehouden

art 343 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht (oud)

3.

[naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, terwijl

[naam bedrijf 1] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 11 november 2014 in staat van faillissement is/was verklaard, en/of

[naam bedrijf 2] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 18 maart 2014 in staat van faillissement is/was verklaard,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, niet voldaan heeft/hebben of niet voldoet/voldoen aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die/dat artikel(en) bedoeld,

immers heeft/hebben [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] en/of haar mededader(s) met dat opzet (telkens)

  • -

    niet een zodanige administratie gevoerd, althans laten voeren, dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtingen van [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] konden worden gekend, en/of

  • -

    niet alle administratie van [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] afgegeven en/of ter beschikking gesteld aan de curator(en) in de/het faillissement(en) van die rechtsperso(o)n(en);

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk bovenomschreven gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 341 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht (oud)

Subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) als bestuurder van (een) rechtsperso(o)n(en), te weten:

a. [naam bedrijf 1] , welke besloten vennootschap bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 11 november 2014 in staat van faillissement is/was verklaard, en/of

b. [naam bedrijf 2] , welke besloten vennootschap bij vonnis van de rechtbank Rotterdam dd. 18 maart 2014 in staat van faillissement is/was verklaard,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtsperso(o)n(en), niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die/dat artikel(en) bedoeld,

immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet (telkens)

 niet een zodanige administratie gevoerd, althans laten voeren, dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtingen van [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] konden worden gekend, en/of

 niet alle administratie van [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] afgegeven en/of ter beschikking gesteld aan de curator(en) in de/het faillissement(en) van die rechtsperso(o)n(en);

art 343 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht (oud)

en/of

hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2014 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland, als middellijk bestuurder van [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] , welke besloten vennootschap bij vonnissen van de rechtbank Rotterdam dd. 11 november 2014 en d.d. 18 maart 2014 in staat van faillissement is/was/waren verklaard, (telkens) door de curator wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, (telkens) zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven en/of zonder geldige reden opzettelijk heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven en/of heeft hij, verdachte, (telkens) meerdere malen geen gehoor gegeven aan uitnodigingen om ten kantore van voornoemde curator te verschijnen;

Artikel 194 Wetboek van Strafrecht (oud)

4.

[naam bedrijf 4] op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode 30 oktober 2012 tot en met 2 februari 2015 te Rotterdam en/of Apeldoorn en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(een) (digita(a)l(e)) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het derde en/of vierde kwartaal van het jaar 2012 en/of het eerste en/of tweede en/of 3e kwartaal 2013 en/of de maand(en) oktober en/of november en/of december van het jaar 2013,

en/of (een) (digita(a)l(e)) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting over het jaar/de jaren 2012 en/of 2013

ten name van [naam bedrijf 4] , onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben [naam bedrijf 4] en/of haar mededader(s), althans [naam bedrijf 4] , (telkens) opzettelijk

  • -

    op het bij de Inspecteur der belastingen te Apeldoorn, althans de Belastingdienst ingestuurde/ingediende (digitale) aangifte(n) omzetbelasting over het/de genoemde periode(n)/tijdvak(ken)(telkens) een te hoog bedrag aan terug te vragen belasting en/of (telkens) een te laag bedrag aan te betalen belasting en/of (telkens) een onjuist bedrag aan belasting opgegeven, althans doen opgeven; en/of

  • -

    op het bij de Inspecteur der belastingen te Apeldoorn, althans de Belastingdienst ingestuurde/ingediende aangifte(n) vennootschapsbelasting over het/de genoemde periode(n)/jaar/jaren (telkens) een te laag bedrag aan belastbare winst en/of een te laag bedrag aan te betalen belasting opgegeven, althans doen opgeven,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk bovenomschreven gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

artikel 51 Wetboek van Strafrecht

artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake Rijksbelastingen

en/of

[naam bedrijf 4] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 oktober 2012 tot en met 2 februari 2015 te Rotterdam en/of Apeldoorn en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging (een) ander(en), althans alleen,

terwijl die rechtspersoon (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze (telkens) opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld aan een controleambtenaar van de Belastingdienst,

immers heeft/hebben [naam bedrijf 4] en/of haar mededader(s), (telkens)(opzettelijk) (een) valse/vervalste factu(u)r(en) van [naam bedrijf 7] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 9] en/of [naam bedrijf 10] en/of [naam bedrijf 11] en/of [naam bedrijf 12] en/of [naam bedrijf 13] en/of [naam bedrijf 16] . (handelsnaam [naam bedrijf 14] ) aan [naam bedrijf 4] (DOC-001 t/m DOC-041) ter beschikking gesteld aan de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst,

bestaande die valsheid hierin dat in de bovengenoemde factu(u)r(en) telkens valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen dat [naam bedrijf 7] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 9] en/of [naam bedrijf 10] en/of [naam bedrijf 11] en/of [naam bedrijf 12] en/of [naam bedrijf 13] en/of [naam bedrijf 16] . (handelsnaam [naam bedrijf 14] ) werkzaamheden en/of diensten heeft/hebben verricht voor [naam bedrijf 4] , terwijl in werkelijkheid de in de bovengenoemde factu(u)r(en) genoemde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht, althans niet de werkzaamheden en/of diensten zijn verricht zoals beschreven op deze factu(u)r(en),

terwijl dat/die feit(en) ertoe strekte(n) dat (telkens) te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk bovenomschreven gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 51 Wetboek van Strafrecht

artikel 68 lid 1 onderdeel c Algemene wet inzake rijksbelastingen

artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

5.

[naam bedrijf 4] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of Bleiswijk en/of Zoetermeer en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal:

haar (bedrijfs)administratie, zijnde die bedrijfsadministratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen,

immers heeft/hebben [naam bedrijf 4] en/of haar mededader(s) een of meerdere valse geschriften, te weten

A. een of meerdere valse factu(u)r(en), waaronder/te weten:

41 facturen, althans een of meer factu(u)r(en) van [naam bedrijf 7] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 9] en/of [naam bedrijf 10] en/of [naam bedrijf 11] en/of [naam bedrijf 12] en/of [naam bedrijf 13] en/of [naam bedrijf 16] . (handelsnaam [naam bedrijf 14] ) aan [naam bedrijf 4] (DOC-001 t/m DOC-041)

en/of

B. een of meerdere voorschotformulier(en), waaronder/te weten:

  • -

    (een) voorschotformulier(en) van de betaling van een voorschot aan [naam 27] op 20 mei 2014 (DOC-666) en/of 16 juni 2014 (DOC-652) en/of 10 juli 2014 (DOC-653) en/of 30 september 2014 (DOC-655) en/of 29 oktober 2014 (DOC-656) en/of 5 november 2014 (DOC-657) en/of 19 november 2014 (DOC-658) en/of 18 december 2014 (DOC-659); en/of

  • -

    (een) voorschotformulier(en) van de betaling van een voorschot aan [naam getuige 5] voor de periode(n) 6 en/of 9 en/of 10 en/of 11 en/of 12 en of 13 van het jaar 2015 en/of de periode(n) 3 en/of 4 en/of 5 en/of 6 en/of 7 en/of 8 en/of 9 van het jaar 2016

(DOC-485 tot en met DOC-492 en DOC 456 tot en met DOC-460); en/of

- ( (een) voorschotformulier(en) van de betaling van een voorschot aan [naam getuige 1] voor de periode(n) 4 en/of 5 en/of 6 en/of 7 en/of 9 van het jaar 2016

(DOC-232 tot en met DOC-238); en/of

- ( (een) voorschotformulier(en) van de betaling van een voorschot aan [naam 28] voor de periode(n) 5 en/of 9 en/of 10 en/of 13 en/of 14 van het jaar 2015 en/of de periode(n) 1 en/of 2 en/of 3 en/of 4 en/of 5 en/of 8 en/of 9 van het jaar 2016

(DOC-637 tot en met DOC-648); en/of

- ( (een) voorschotformulier(en) van de betaling van een voorschot aan [naam 20] voor de periode(n) 5 en/of 6 en/of 7 en/of 9 en/of 10 en/of 11 en/of 12 en/of 13 van het jaar 2015

(DOC-1250 tot en met DOC-1257)

en/of

C. een of meerdere salarisspecificatie(s), waaronder/te weten:

- een salarisspecificatie van [naam 27] , gedateerd 03-10-2014 (DOC-665); en/of

- een salarisspecificatie van [naam 20] , gedateerd 12-06-2015 (DOC-1260); en/of

- een salarisspecificatie van [naam 28] , gedateerd 01-05-2016 (DOC-649); en/of

- een salarisspecificatie van [naam 21] , gedateerd 20-05-2016 (DOC-720),

en/of

D. een of meerdere factu(u)r(en), waaronder/te weten:

6 facturen, althans een of meer factu(u)r(en), van [naam medeverdachte rechtspersoon] aan [naam bedrijf 4] (DOC-1083 tot en met DOC-1087 en DOC-265)

althans een of meer geschrift(en),

verwerkt en/of doen verwerken en/of opgenomen en/of doen opnemen in haar bedrijfsadministratie,

bestaande die valsheid hierin dat

- op de onder A. genoemde factu(u)r(en) telkens valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat [naam bedrijf 7] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 9] en/of [naam bedrijf 10] en/of [naam bedrijf 11] en/of [naam bedrijf 12] en/of [naam bedrijf 13] en/of [naam bedrijf 16] . (handelsnaam [naam bedrijf 14] ) werkzaamheden en/of diensten heeft/hebben verricht voor [naam bedrijf 4] , terwijl in werkelijkheid de in de bovengenoemde factu(u)r(en) genoemde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht, althans niet de werkzaamheden en/of diensten zijn verricht zoals beschreven op deze factu(u)r(en); en/of

  • -

    op de/het onder B. genoemde voorschotformulier(en) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat het op die/dat voorschotformulier(en) vermelde voorschot(ten) is/zijn uitbetaald aan de op die/dat voorschotformulier(en) vermelde perso(o)n(en), terwijl in werkelijkheid aan de op die/dat voorschotformulier(en) vermelde perso(o)n(en) geen voorschot is uitbetaald, in elk geval niet het geldbedrag als voorschot aan de op die/dat voorschotformulier(en) vermelde perso(o)n(en) is uitbetaald zoals vermeld op dat/die voorschotformulier(en); en/of

  • -

    op de onder C. genoemde salarisspecificatie(s) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat het op die salarisspecificatie(s) genoemde netto loon en/of voorschot en/of reiskostenvergoeding is uitbetaald aan de op die salarisspecificatie(s) vermelde perso(o)n(en), terwijl in werkelijkheid niet het netto loon en/of voorschot en/of reiskostenvergoeding aan de op die/dat salarisspecificatie(s) vermelde perso(o)n(en) is uitbetaald zoals vermeld op die salarisspecificatie(s); en/of

- op de onder D. genoemde factu(u)r(en) telkens valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat [naam medeverdachte rechtspersoon] werkzaamheden en/of diensten heeft verricht voor [naam bedrijf 4] , terwijl in werkelijkheid de in de bovengenoemde factu(u)r(en) genoemde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht, althans niet de werkzaamheden en/of diensten zijn verricht zoals beschreven op deze factu(u)r(en),

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

tot het plegen van bovengenoemde strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

artikel 51 Wetboek van Strafrecht

artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

a. a) (telkens) van één of meerdere geldbedrag(en) van in totaal 9.487.225,32 euro, te weten:

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 1.130.575 euro, althans enig geldbedrag (zaaksdossier faillissementsfraude 1-OPV: [naam bedrijf 1] ) en/of

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 4.212.391,68 euro, althans enig geldbedrag (zaaksdossier faillissementsfraude 1-OPV: [naam bedrijf 2] ), en/of

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 1.348.358,70 euro, althans enig geldbedrag (zaaksdossier AWR 2-OPV p. 58), en/of

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 1.552.668,94 euro, althans een (groot) geldbedrag (aan niet uitbetaalde voorschotten) (zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV, p. 22 e.v.), en/of

  • -

    (een) (contant) geldbedrag(en) van 20.250 euro en/of 101.850 euro, althans enig geldbedrag (in contanten vervoerd naar Turkije) (zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV p. 30), en/of

  • -

    een (contant) geldbedrag(en) van (in totaal) 390.000 euro, althans enig geldbedrag (contant opgenomen van de bankrekening van [naam bedrijf 5] )(zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV p. 30), en/of

  • -

    een (contant) geldbedrag(en) van (in totaal) 10.000 euro, althans enig geldbedrag (contant opgenomen op Schiphol) (zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV p. 30), en/of

  • -

    een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) 498.649 euro, althans enig geldbedrag (zaaksdossier witwassen 3a-OPV p. 11 e.v.), en/of

  • -

    een of meer geldbedrag(en) van 222.482 euro, althans enig geldbedrag (overgeboekt aan en/of contant opgenomen van [naam bedrijf 5] ) (zaaksdossier witwassen 3a-OPV p. 28 e.v.),

althans (telkens) een of meer (groot/grote) geldbedrag(en) en/of een of meer goederen, althans een of meer voorwerpen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest (en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp (en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

en/of

b) (telkens) een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal 9.487.225,32 euro, te weten:

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 1.130.575 euro, althans enig geldbedrag (zaaksdossier faillissementsfraude 1-OPV: [naam bedrijf 1] ) en/of

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 4.212.391,68 euro, althans enig geldbedrag (zaaksdossier faillissementsfraude 1-OPV: [naam bedrijf 2] ), en/of

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 1.348.358,70 euro, althans enig geldbedrag (zaaksdossier AWR 2-OPV p. 58), en/of

  • -

    een geldbedrag van (in totaal) 1.552.668,94 euro, althans een (groot) geldbedrag (aan niet uitbetaalde voorschotten) (zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV, p. 22 e.v.), en/of

  • -

    (een) (contant) geldbedrag(en) van 20.250 euro en/of 101.850 euro, althans enig geldbedrag (in contanten vervoerd naar Turkije) (zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV p. 30), en/of

  • -

    een (contant) geldbedrag(en) van (in totaal) 390.000 euro, althans enig geldbedrag (contant opgenomen van de bankrekening van [naam bedrijf 5] )(zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV p. 30), en/of

  • -

    een (contant) geldbedrag(en) van (in totaal) 10.000 euro, althans enig geldbedrag (contant opgenomen op Schiphol) (zaaksdossier witwassen/valsheid 3-OPV p. 30), en/of

  • -

    een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) 498.649 euro, althans enig geldbedrag (zaaksdossier witwassen 3a-OPV p. 11), en/of

  • -

    een of meer geldbedrag(en) van 222.482 euro, althans enig geldbedrag (overgeboekt aan en/of contant opgenomen van [naam bedrijf 5] ) (zaaksdossier witwassen 3a-OPV p. 28),

althans een (grote) geldbedrag(en) en/of een of meer goederen, althans een of meer voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een of meerdere voorwerp(en), te weten vorengenoemd(e) goed(eren) en/of

geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven goed(eren) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a en b Wetboek van Strafrecht

7.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 4 februari 2014 te Rotterdam en/of Gouda en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

(medewerkers van) De Goudse Verzekeringen heeft bewogen tot de afgifte van 61.000 euro, althans enig geldbedrag, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -, opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, onder overlegging van een aangifte van woninginbraak bij de politie Rotterdam-Rijnmond (met kenmerk [proces-verbaalnummer] ) bij voornoemde verzekeringsmaatschappij een schadeclaim heeft/hebben ingediend, betreffende schade tengevolge van een in of omstreeks de periode van 7 augustus 2013 tot en met 1 september 2013 te Rotterdam plaatsgevonden hebbende diefstal van:

  • -

    een horloge, merk/type Montre Hublot Cusion Chrono or Rose en/of met serienummer/certificaatnummer [serienummer 1] en/of

  • -

    een horloge, merk/type Breitling Chronomat en/of

  • -

    een horloge, merk/type Rolex Lady-Datejust (met briljantjes) en/of met serienummer [serienummer 2] ,

in elk geval enig goed, en zich aldus heeft/hebben voorgedaan als benadeelde van diefstal van dit/deze goed(eren), terwijl deze diefstal niet was gepleegd, waardoor (medewerkers van) De Goudse Verzekeringen voornoemd werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte (uitkering van het geclaimde schadebedrag);

en/of

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 3 september 2013 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

- een geldbedrag van 61.000 euro, althans enig geldbedrag en/of

  • -

    een horloge merk/type Montre Hublot Cusion Chrono or Rose en/of met certificaatnummer [serienummer 1] en/of

  • -

    een horloge merk/type Breitling Chronomat en/of

  • -

    een horloge merk/type Rolex Lady-Datejust (met briljantjes) en/of met serienummer [serienummer 2] ,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan De Goudse Verzekeringen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als claimant bij verzekeringsmaatschappij De Goudse Verzekeringen en/of als eerdere rechthebbende, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

artikel 326 Wetboek van Strafrecht

artikel 321 Wetboek van Strafrecht

1 Voor de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank bij verwijzingen naar stukken uit het dossier zoveel mogelijk de door de FIOD gehanteerde indeling en nummering (AMB-001, DOC-001 etc.) hanteren. Waar in dit vonnis wordt verwezen naar overzichtsprocessen-verbaal (OPV), ambtshandelingen (AMB), verhoren van verdachten (V) en verhoren van getuigen (G), betreft het steeds processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde medewerkers van de FIOD, als bijlage opgenomen bij het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, onderzoek Kalifornsky, nummer [nummer] en welke overigens voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Waar wordt verwezen naar documenten, zijnde mails, overzichten, overeenkomsten, kamer van koophandel uittreksels e.d., wordt steeds bedoeld te verwijzen naar een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv. Voor de volledige namen van de medeverdachten wordt verwezen naar de overzichtsprocessen-verbaal uit het dossier. Tenzij anders aangegeven, zijn verwijzingen naar paginanummers verwijzingen naar de nummers van het doorlopend genummerde procesdossier.

2 DOC-323, p. 3650 onder 1.5

3 DOC-380, p. 3806 e.v.

4 DOC-381, p. 3816 e.v.

5 AMB-005, p. 1263.

6 AMB-006, p. 1265.

7 AMB-004, p. 1260 e.v.

8 V-22-002, p. 2409.

9 1-OPV, p. 104.

10 V-19-001, p. 2366.

11 Uit de mail d.d. 21 juni 2012, DOC-384, p. 3852, blijkt dat de activiteiten van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] zijn samengevoegd. Uit de mail d.d. 11 maart 2013, DOC-385, p. 3853, blijkt de overname door [naam bedrijf 4] .

12 DOC-673, 675, 677 en 679.

13 AMB 015-81, p. 1461 en 1462.

14 AMB-004, p. 1261.

15 V-19-001, p. 2366.

16 DOC 179, p. 3375 e.v.

17 AMB-209, p. 6797 e.v.

18 DOC-363, p. 3770 e.v. en DOC-364, p. 3776 e.v.

19 AMB-036, p. 1607 e.v.

20 DOC 1069, p. 4939.

21 DOC-1381, p. 6819 e.v.

22 DOC-179, p. 3375 e.v.

23 V028-001, p. 2534 e.v.

24 AMB-106, p. 1814 e.v.

25 G013-01, p. 2612 e.v.

26 G007-01, p. 2584 e.v. en proces-verbaal van getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 30 oktober 2017.

27 Proces-verbaal verhoren getuigen bij de rechter-commissaris op 13 oktober 2017.

28 G030-001, p. 2712 e.v.

29 DOC-050, p. 2992 e.v.

30 DOC-678, p. 4463 e.v.

31 DOC-680, p. 4487 e.v.

32 DOC-177, p. 3365 e.v.

33 AMB-00, p. 1540 e.v.

34 DOC-146, p. 3275 e.v.

35 DOC-680, p. 4487 e.v.

36 DOC-674, p. 4415 e.v.

37 DOC-676, p. 4439 e.v.

38 DOC-678, p. 4463 e.v.

39 AMB-122, p. 6811.

40 G013-01, p. 2612 e.v.

41 Proces-verbaal getuigenverhoren bij rechter-commissaris op 13 oktober 2017.

42 DOC-384, p. 3852.

43 DOC-680, p. 4489.

44 AMB-008, p. 1269.

45 AMB-010, p. 1274.

46 AMB-009, p. 1271 e.v.

47 V017-01

48 Zie voetnoot 11.

49 AMB-009, p. 1272.

50 DOC-069, p 3078 e.v.

51 AMB-009, p.1271 e.v.

52 V017-01, p. 2355.

53 AMB-008, p. 1269 e.v.

54 DOC-385, p. 3853.

55 Zie voetnoot 11.

56 De facturen zijn de documenten DOC-001 t/m 041, p. 2923 e.v. Dat deze facturen waren opgenomen in de administratie blijkt uit de verklaring van getuige [naam getuige 6] , G001-01, p. 2545 e.v. dat hij de facturen in de administratie heeft aangetroffen.

57 In het dossier worden voor [naam bedrijf 9] en [naam bedrijf 13] andere totaalbedragen genoemd, maar de rechtbank komt op deze bedragen. Voor [naam bedrijf 9] vond de rechtbank hiervoor in het dossier geen uitleg. Het verschil voor [naam bedrijf 13] ziet kennelijk – blijkens p. 916 van het zaakdossier – uit een aantal bedragen ontleend aan het grootboek van [naam bedrijf 4] .

58 DOC-032 is een factuur d.d. 5 februari 2012, maar op de factuur staat dat deze is betaald op 6 februari 2013. Nu de overige facturen ook uit 2013 dateren, houdt de rechtbank het ervoor dat ook DOC-032 uit februari 2013 is.

59 Zie de verklaring van getuige [naam getuige 6] , G001-01, p. 2545.

60 Zie het (concept) rapport inzake een ingesteld boekenonderzoek bij [naam bedrijf 4] d.d. 22 mei 2005, DOC-050, p. 3002.

61 Zie de verklaring van [naam 10] , V010-02, p. 2348.

62 Dit blijkt uit de factuurdata, in combinatie met de gegevens zoals blijkend uit de kamer van koophandel uittreksels van deze vennootschappen, DOC-162 t/m DOC-169, p. 3316 e.v.

63 Zie DOC-050, p. 3000 e.v. voor [naam bedrijf 7] , [naam bedrijf 8] , [naam bedrijf 10] , [naam bedrijf 9] , [naam bedrijf 11] en [naam bedrijf 12] Voor [naam bedrijf 13] en [naam bedrijf 14] , zie AMB-210, p. 691 bij de 3de nalevering.

64 Zie de kamer van koophandel uittreksels van deze vennootschappen, DOC-162, p. 3316 e.v. en DOC-163, p. 3320 e.v.

65 Zie de overeenkomsten, DOC-118 t/m 120, p. 3200 e.v.

66 Zie het kamer van koophandel uittreksel van deze vennootschap, DOC-165, p. 3326

67 Zie de overeenkomst, DOC-124-124, p. 3216 e.v.

68 Zie de verklaring van [naam 11] , V009-01, p. 2323 e.v.

69 Zie het kamer van koophandel uittreksel van deze vennootschap, DOC-062, p. 3058 e.v.

70 Zie de overeenkomst, DOC-125, p. 3221 e.v.

71 Zie de verklaring van [naam 10] , V010-02, p. 2348.

72 Zie de kamer van koophandel uittreksels van deze vennootschappen, DOC-164 en DOC-167, p. 3332 e.v.

73 Zie de verklaring van [naam medeverdachte 3] , V008-01, p. 2319 e.v.

74 Zie de verklaring van getuige [naam getuige 6] , G001-01, p. 2545 e.v.

75 Zie de verklaring van [naam medeverdachte 3] , V008-01, p. 2319 e.v.

76 Van die verklaring is een proces-verbaal opgemaakt en dat is gevoegd in de zaken van de andere verdachten.

77 Zie de kamer van koophandel uittreksels van deze vennootschap en haar aandeelhouder, [naam bedrijf 26] , DOC-168, p. 3335 e.v. en DOC-168a, p. 3338 e.v.

78 Zie de verklaring van [naam medeverdachte 3] , V008-01, p. 2319 e.v. en de verklaring van [naam 14] , V011-01, p. 2337 e.v.

79 Zie het kamer van koophandel uittreksel van deze vennootschap, DOC-169, p. 3341 e.v.

80 Zie de verklaring van [naam 14] , V011-01, p. 2337 e.v.

81 Zie de verklaring van getuige [naam getuige 6] , G001-01, p. 2545 e.v.

82 Zie de processen-verbaal DOC-1321, p. 5330 e.v. (voor de omzetbelasting) en DOC-1320, p. 5314 e.v. (voor de vennootschapsbelasting).

83 De rechtbank gaat uit van de verklaring van [naam medeverdachte 3] bij de FIOD en niet van de verklaring van [naam medeverdachte 3] bij de politierechter op 7 november 2018. Daarbij is met name van belang dat in de administratie van [naam bedrijf 11] inkoopfacturen zijn gevonden van een bedrijf [naam bedrijf 27] . De verdachte heeft bij de FIOD hierover gezegd dat dit valse inkoopfacturen zijn, bedoeld om zijn administratie kloppend te krijgen. Dat de inkoopfacturen vals zijn, wordt bevestigd door [naam bedrijf 15] . Dit bedrijf heeft tegenover de belastingdienst immers gezegd genoemde inkoopfacturen niet te hebben verzonden. Kortom: de valsheid van de facturen DOC-013-015 en 030-031 blijkt niet alleen uit de FIOD verklaring van [naam medeverdachte 3] maar vindt ook steun in de verklaring van [naam bedrijf 15] .

84 Over een afdracht wordt alleen door [naam medeverdachte 3] en [naam 14] verklaard. De rechtbank gaat er bij gebreke van een geloofwaardige alternatieve verklaring van uit dat ook de andere ontvangers de door hen ontvangen bedragen hebben afgedragen aan [naam bedrijf 4] of aan derden door [naam bedrijf 4] aangewezen. Het is immers niet geloofwaardig dat [naam bedrijf 4] bedragen zou hebben overgemaakt in het kader van een BTW en VPB fraude zonder dat zij de bedragen weer terugkreeg c.q. de bestemming ervan bepaalde.

85 In de jaren 2014 tot april 2016 is in totaal € 1.566.660,- opgenomen van de bankrekeningen van [naam bedrijf 4] , zie 3-OPV, p. 209.

86 De getuigenverklaringen van werknemers zijn opgenomen in het FIOD dossier. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar AMB-186, in het bijzonder de bijlage daarbij, p. 2078 en AMB-187, in het bijzonder het daarin opgenomen overzicht, p. 2080.

87 Zie AMB-120, p. 1877 e.v.

88 Zie AMB-119, p. 1863 e.v.

89 Zie o.a. de salarisspecificaties DOC-665, p. 4394, DOC-1260, p. 5183, DOC-649, p. 4378, en DOC-720, p. 4543. Dat deze salarisspecificaties zijn opgenomen in de administratie van [naam bedrijf 4] blijkt uit 3-OPV, p. 205.

90 Te weten: € 1.279.796,- (het totaal van de ingevulde voorschotformulieren volgens AMB-120, p. 1879) minus € 81.493,- (het geëxtrapoleerde bedrag van de contante voorschotten volgens de afrekenstaten, zie AMB-186, p. 2076). De rechtbank onderkent dat het bedrag van € 1.279.796,- alleen de voorschotten van € 200,- en hoger betreft, zodat voorschotten tot € 200,- niet meegenomen worden. In het dossier vond de rechtbank echter geen totaal van alle voorschotten.

91 Zie 3a-OPV, p. 230 e.v. voor de geldstromen.

92 Zie de facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] aan [naam bedrijf 4] , DOC-1083 tot en met DOC-1087 (p. 4969 e.v.) en DOC-265 (p. 3557) en de facturen van [naam bedrijf 17] aan [naam medeverdachte rechtspersoon] , DOC-263 (p. 3555 – handgeschreven), DOC-266 (p. 3558) , DOC-286 (p. 3579), DOC-391 (p.3866), DOC-394 t/m 396 (p. 3869 e.v.) , DOC-401 (p. 3876) en DOC-404 (p. 3879).

93 Zie de verklaring [naam medeverdachte 4] , V024-2, p. 2483 voor DOC-265 en de verklaring [naam medeverdachte 4] , V024-03, p. 2501 voor de overige facturen

94 Zie de facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] , genoemd in voetnoot 92.

95 Zie de verklaring [naam medeverdachte 4] , V024-03, p. 2493 e.v.

96 De berichten genoemd in de mail d.d. 23 september 2015, DOC-1055, p. 4884 en de mails, opgenomen in DOC-1059, p. 4893.

97 Zie de mail, DOC-422, p. 4060.

98 Zie de mail, DOC-1092, p. 4976.

99 Zie de verklaring van [naam medeverdachte 5] , V006-04, 2255.

100 Zie de overeenkomst, DOC-377, p. 3799 e.v. DOC-378, p. 3804, is de salarisspecificatie over de maand januari 2016 die bij deze overeenkomst hoort.

101 Zie de mail van [naam medeverdachte 4] d.d. 9 april 2014 met bijlage, DOC-407, p. 4012 e.v.

102 Zie AMB-053, p. 1670 en AMB-095a, p. 1758 voor de verloning onder de arbeidsovereenkomst.

103 Voor de verloning als ZZP’er, zie AMB-053, p. 1666 e.v.

104 Mail d.d. 9 december 2015, DOC-671, p. 4400.

105 Zie AMB-053, p. 1670 en AMB-095a, p. 1758.

106 Zie het kamer van koophandel uittreksel van [naam bedrijf 4] , DOC-210, p. 3452.

107 Zie de overeenkomsten DOC-118, 120, 121, 123, 124, 125 en 126, p. 3200 e.v.. In verschillende overeenkomsten staat de naam [naam 29] , de rechtbank houdt dit voor een kennelijke verschrijving. In de overeenkomst DOC-120 staat niet de naam van de ondertekenaar, maar gelet op de overeenkomst met de handtekening onder DOC-118 gaat de rechtbank ervan uit dat deze overeenkomst door [naam 1] getekend is.

108 Het feitelijk leidinggeverschap van [naam verdachte] wordt hierna in § 4.5.6 nader besproken.

109 Zie de brief d.d. 2 januari 2013, DOC-118, p. 3200 en de brief d.d. 25 oktober 2012, DOC-126, p. 3225 e.v.

110 De rechtbank verwijst kortheidshalve naarAMB-188, p. 2083 e.v. voor een weergave van verklaringen van werknemers hierover.

111 Zie DOC-1267, p. 5199.

112 Zie de verklaring van [naam medeverdachte 4] , V024-02, p. 2483.

113 Zie de mail van [naam medeverdachte 4] d.d. 8 april 2016, DOC1092, p. 4976.

114 Zie de verklaring van [naam medeverdachte 4] V024-03, p. 2507.

115 Zie de verklaring van [naam medeverdachte 5] , V006-03, p. 2252.

116 [naam bedrijf 20] . verzorgde immers de verwerking van de facturen die [naam bedrijf 4] ontving en verzond, zoals blijk uit de verklaring van [naam medeverdachte 4] , V024-02, p. 2482.

117 Zie het kamer van koophandel uittreksel van deze vennootschap, DOC-138, p. 3257 e.v.

118 Zie de verklaring van [naam medeverdachte 4] V024-03, p. 2502.

119 Zie de mail van [naam medeverdachte 4] d.d. 23 september 2015, DOC-1055, p. 4884.

120 Zie het kamer van koophandel uittreksel van [naam bedrijf 17] , DOC-180, p. 3386.

121 Zie het kamer van koophandel uittreksel van [naam bedrijf 19] , DOC-060, p. 3052 e.v.

122 Zie AMB-032, p. 1595.

123 Voor het bestuurderschap, zie het uittreksel van de kamer van koophandel aangaande [naam bedrijf 4] , DOC-210, p. 3452. Voor het (indirecte) aandeelhouderschap geldt het volgende. [naam bedrijf 5] was houder van 50% van de aandelen in [naam bedrijf 4] tot 28 oktober 2013, sindsdien was zij enig aandeelhouder tot 27 maart 2015. Dit blijkt uit § E van de akte van levering, DOC-313, p. 3614 en (voor de periode na 28 oktober 2013, uit voornoemd kamer van koophandel uittreksel van [naam bedrijf 4] , p. 3452). [naam verdachte] was en is de enige bestuurder van [naam bedrijf 5] (zie het kamer van koophandel uittreksel van [naam bedrijf 5] , DOC-212, p. 3456). Tevens was [naam verdachte] de aandeelhouder van [naam bedrijf 5] tot 12 april 2012 (DOC-050, p. 2995). Sindsdien is Stichting Administratiekantoor [naam bedrijf 5] enig aandeelhouder van [naam bedrijf 5] (zie het kamer van koophandel uittreksel van [naam bedrijf 5] , DOC-212, p. 3456). Gelet op de hieruit blijkende verwevenheid tussen [naam verdachte] en [naam bedrijf 5] gaat de rechtbank er bij gebreke van een andere uitleg van uit dat Stichting Administratiekantoor [naam bedrijf 5] de aandelen in [naam bedrijf 5] (grotendeels) voor [naam verdachte] hield en houdt.

124 De rechtbank verwijst voor een niet limitatieve opsomming van werknemers die hebben verklaard dat [naam verdachte] de baas was bij [naam bedrijf 4] naar AMB-200, pag. 2122.

125 Enkele werknemers zijn bij de rechter-commissaris teruggekomen op hun oorspronkelijke verklaring bij de FIOD dat [naam verdachte] de baas was en [naam 1] slechts op papier bestuurder was. Gelet op het groot aantal verklaringen dat [naam verdachte] de baas was en mede in het licht van de hierna genoemde bewijsmiddelen, hecht de rechtbank aan die latere ontkenningen minder betekenis dan aan hun verklaringen bij de FIOD.

126 Zie DOC-1267 (=organogram), p. 5199 + AMB-136a, p. 1942 e.v. (waar het is gevonden en dat het is opgemaakt op 8.10.2012.

127 Zie TA001-31127, p. 5931 e.v. + DOC-246, p. 3515.

128 Zie DOC-1123, p. 5040 (whatsapp gesprekken [naam medeverdachte 4] ).

129 Zie verklaring [naam medeverdachte 4] V024-03, p. 2497.

130 Zie DOC-1124, p. 5041 e.v.

131 Zie DOC-1089, p. 4975.

132 Zie de hiervoor opgenomen beoordeling over deze geldstroom.

133 Zie DOC-1128, p. 5047 e.v.

134 Zie TA001-20528, p. 5923 e.v.

135 Zie DOC-314,p. 3616 en DOC-1125, p. 5043.

136 Zie V006-04, p. 2256.

137 Zie V024-02, p. 2483.

138 Zie AMB-067, p. 1706.

139 Zie de hiervoor opgenomen beoordeling over deze arbeidsovereenkomst.

140 Zie V024-03, p. 2504.

141 De bedragen betaald aan de eenmanszaak kwamen in ieder geval bij [naam verdachte] terecht. De rechtbank laat in het midden of dat ook geldt voor de bedragen die [naam bedrijf 17] ontving.

142 De netto omzet van [naam bedrijf 4] bedroeg in 2015 circa 11 miljoen euro, zie de jaarrekening over 2015 van [naam bedrijf 4] , DOC-1428, p. 5559. In totaal is door [naam bedrijf 4] bijna 500.000 euro betaald als gevolg van de hiervoor beschreven ‘ [naam bedrijf 4] – [naam medeverdachte rechtspersoon] - [naam bedrijf 17] geldstroom’. Er werd dus – grof benaderd – bijna een twintigste deel van de omzet op deze wijze uitbetaald.

143 Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de zaak tegen [naam 26] vanwege onvoldoende bewijs is geseponeerd (dit is door de officier van justitie in de zaak van een van de medeverdachten op een zitting van 2 augustus 2018 meegedeeld) en dat de verdachten [naam 12] en [naam medeverdachte 2] wel zijn gedagvaard, maar niet voor deelname aan een criminele organisatie.

144 Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat zij de tenlastelegging van feit 3 leest als primair en subsidiair, waarbij het subsidiaire feit cumulatief van aard is: art. 343 aanhef en sub 4 Sr en/of artikel 194 Sr. Aan de beoordeling van het niet verstrekken van inlichtingen aan de curator wordt dan ook niet toegekomen.

145 Hierna wordt in § 5 nader uiteengezet waarom de verdachte dit bedrag wel voorhanden heeft gehad, maar er geen sprake is van witwassen.

146 0-AMB-010, p. 385 e.v.

147 AMB-015-19, p. 1325 e.v. en DOC-1430, p. 5576.

148 DOC-363, p. 3770 e.v. en DOC-364, p. 3776 e.v.

149 AMB-015-19, pag 1325 ev

150 DOC-406, pag. 3903 e.v.

151 DOC-406, pag. 3899 e.v.

152 5-OPV, p. 306

153 IBN-C-001a, p. 5599

154 IBN-C-001a, p. 5599

155 IBN-W-002, p. 5819

156 DOC-406, p. 3887 e.v.

157 DOC-406a, p. 3971 e.v.

158 De verklaring van de verdachte [naam verdachte] ter terechtzitting van 30 oktober 2018.

159 DOC-406a, p. 3979.