Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:11018

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
83/127761-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EVOA: lading gebruikte en vuile kogellagers

Dat de kogellagers in het land van bestemming, i.c. Verenigde Arabische Emiraten na sortering en reparatie nog kunnen worden gebruikt doet niets af aan het feit dat er sprake is van een afvalstof. Op het moment van overbrenging van Nederland naar de Verenigde Arabische Emiraten dient in dat geval te worden voldaan aan de voor die afvalstof geldende regels ter overbrenging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2019/31 met annotatie van Meulen, T. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 83/127761-18

Datum uitspraak: 26 september 2018

Tegenspraak (art. 279 Sv.)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Ciro Marina (Italië) op [geboortedatum verdachte] ,

wonende op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] (Duitsland),

raadsman J. Barensen, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 september 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 16.000,- waarvan € 8.000,-; voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De in de container aangetroffen kogellagers kunnen niet worden aangemerkt als afvalstof, omdat op basis van het dossier niet vast te stellen is wie de oorspronkelijke houders van de kogellagers waren en of er sprake is van een zich ontdoen. Daarnaast is van belang dat er een markt is voor gebruikte kogellagers op de plaats van bestemming, de Verenigde Arabische Emiraten. Het gaat om handel in normale producten die door de Verenigde Arabische Emiraten, niet zonder meer als afvalstof worden aangemerkt maar aldaar waardevol zijn.

De enkele constatering van de verbalisant dat er een aantal kogellagers beschadigd is, kan daarom niet leiden tot de conclusie dat de gehele voorraad kan worden aangemerkt als afvalstof. Waarbij het overigens nog de vraag is de partij kogellagers te brengen is onder code B 1010.

In ieder geval kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het

tenlastegelegde. De verdachte was zich bij het versturen van de kogellagers niet bewust van het feit dat hij te maken had met afvalstoffen en dat hij met het versturen daarvan handelde in strijd met de Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA).

Er is dus geen sprake van (al dan niet kleurloos) opzet, en evenmin van voorwaardelijk opzet.

De verdachte dient dan ook in ieder geval te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde opzet.

4.1.2.

Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 23 december 2014 heeft de douane in de Rotterdamse zeehaven een zeecontainer gecontroleerd die vanuit Duitsland, via Nederland, naar het land van betstemming, de Verenigde Arabische Emiraten, zou worden vervoerd. Bij nadere inspectie op 24 december 2014 bleek deze container te zijn geladen met palletboxen en vaten met daarin metalen lagers. Deze lagers vertoonden sporen van gebruik, zoals vuil en krassen. Op de begeleidende uitvoeraangifte stond vermeld dat de lading gebruikte kogellagers bevatte. De verdachte is op de uitvoeraangifte vermeld als verzender van de van de partij kogellagers.

4.1.3.

Beoordeling

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de partij kogellagers in de zeecontainer kan worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de EVOA.

Bij de beantwoording van die vraag wordt acht geslagen op artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wmb) en de Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, in het bijzonder artikel 3 aanhef en onder 1, waarnaar wordt verwezen in artikel 2, lid 1 van de EVOA. Op grond van genoemde regelgeving, dient als afvalstof te worden aangemerkt elke stof of voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

In dat kader wordt belang toegekend aan de navolgende feiten en omstandigheden zoals die zijn komen vast te staan op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting.

De verdachte is exporteur van onder meer gebruikte auto-onderdelen binnen de automotive industrie. De onderhavige partij betrof gebruikte kogellagers, voornamelijk afkomstig uit gedemonteerde startmotoren en dynamo’ s. Daaronder bevonden zich ook beschadigde kogellagers.

De gebruikte kogellagers zijn volgens de verklaring van de verdachte, zo nodig na herstel, bestemd voor hergebruik, terwijl kogellagers die niet meer gebruikt kunnen worden, als schroot worden geselecteerd voor herverwerking. De partij kogellagers van diverse afmetingen werd tegen een bulkprijs verkocht. De kogellagers waren tijdens het transport los gestort in vaten en palletboxen.

Onder deze omstandigheden is de conclusie gerechtvaardigd dat sprake is van een zich ontdoen van de kogellagers door de oorspronkelijke gebruikers daarvan, terwijl die lagers deze status, gelet op de verklaring van de verdachte en de aard en de verschijningsvorm van de lading van de container, niet hebben verloren. De partij kogellagers dient dan ook te worden aangemerkt als een afvalstof zoals omschreven in artikel 3, lid 1 van Richtlijn 2008/98/EG (voorheen artikel 1, lid 1 onder a van de Richtlijn 2006/12/EG), waarnaar wordt verwezen in artikel 2, lid 1 van de EVOA. Deze afvalstof kan worden geclassificeerd als B1010, genoemd in Bijlage III van de EVOA. Dat er geen onderzoek is gedaan naar de oorspronkelijke houders van deze kogellagers doet aan deze conclusie niets af, evenmin als het feit dat door de afnemer in de Verenigde Arabische Emiraten voor de lagers werd betaald en dat deze (dus) een bepaalde economische waarde vertegenwoordigen

Vast staat dan ook dat sprake is van uitvoer uit Nederland van een afvalstof in de zin van de EVOA naar een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is (hierna: een niet-OESO land), te weten de Verenigde Arabische Emiraten, met als doel een nuttige toepassing. Op deze uitvoer zijn de artikelen 36 en 37 van de EVOA van toepassing.

Artikel 36, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat de uitvoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing verboden is voor onder andere: “f) afvalstoffen waarvan het land van bestemming de invoer heeft verboden”. Niet-OESO landen kunnen op grond van artikel 37 verklaren welke restricties en/of procedures van toepassing zijn op de uitvoer van afvalstoffen. Bij Verordening (EG) 1418/2007 is vastgesteld dat de Verenigde Arabische Emiraten als niet-OESO land de invoer van afval met code B1010 hebben verboden.

Artikel 2, aanhef en onder 35, van de EVOA merkt overbrenging van afvalstoffen in strijd met artikel 36 aan als illegale overbrenging. Artikel 10.60, lid 2, van de Wet Milieubeheer (Wm) verbiedt handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EVOA. Overtreding van dit verbod is vervolgens strafbaar gesteld in artikel 1a, sub 1°, van de Wet op de economische delicten (WED). Indien opzettelijk gepleegd is dit economische delict op grond van artikel 2 van de WED een misdrijf. De rechtbank merkt daarbij nog op dat het niet van belang is of de te verschepen goederen in het land van bestemming als een afvalstof worden aangemerkt. Het betreft Europese regelgeving waarbij te gelden heeft dat Europa geen goederen die in Europa worden aangemerkt als afval wil exporteren naar landen die dit hebben verboden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte de goederen opzettelijk in strijd met de EVOA naar de Verenigde Arabische Emiraten heeft verstuurd.

Vast staat dat de verdachte de kogellagers welbewust, en in die zin opzettelijk, heeft verscheept. Daarmee is voldaan aan het vereiste van ‘kleurloos’ opzet waarbij slechts de gedraging als zodanig, dus in dit geval het verschepen van de goederen, opzettelijk dient te zijn verricht. De omstandigheid dat de verdachte naar eigen zeggen niet bekend was met de EVOA en het feit dat de onderhavige kogellagers op grond van de EVOA als afvalstoffen moeten worden aangemerkt, doet hieraan niet af.

Alles afwegende acht de rechtbank bewezen dat de verdachte doende is geweest met het via de haven van Rotterdam overbrengen van een container met afvalstoffen naar de Verenigde Arabische Emiraten, terwijl de Verenigde Arabische Emiraten een dergelijke overbrenging uitdrukkelijk heeft verboden.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Hij in de periode van 8 december 2014 tot en met 19 januari 2015 te Rotterdam, opzettelijk, handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub f van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen, immers was hij doende een container (nummer [containernummer] ) waarvan de inhoud onder andere bestond uit kogellagers (B 1010), over te brengen van Duitsland naar de Verenigde Arabische Emiraten terwijl die overbrenging geschiedde in strijd met artikel 36 lid 1 onder f van die verordening;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in strijd met de bepalingen van de EVOA een zeecontainer met daarin gebruikte en beschadigde kogellagers willen overbrengen naar de Verenigde Arabische Emiraten. De geschonden bepalingen in de EVOA beogen internationale transporten van afvalstoffen te reguleren teneinde ongewenste gevolgen dan wel risico’s voor het milieu te vermijden. Het doel van de EVOA is namelijk te voorkomen dat afvalstoffen ongecontroleerd de grenzen van de Europese Unie passeren, waardoor de bevoegde autoriteiten zich niet goed op de hoogte kunnen stellen en niet alle nodige maatregelen kunnen treffen ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. De verdachte heeft met zijn handelen de integriteit van het controlesysteem van de EVOA geschonden en de bij de milieuvoorschriften betrokken belangen van bescherming van het milieu ondermijnd voor economisch gewin.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 augustus 2018 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, en de ouderdom van de zaak.

Alles overziend acht de rechtbank een geldboete van € 8.000,- passend en geboden. De helft daarvan zal voorwaardelijk worden opgelegd om de verdachte er in de toekomst van te weerhouden om opnieuw een vergelijkbaar strafbaar feit te begaan.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:

23 en 24a van het Wetboek van Strafrecht;

1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

10.60

van de Wet milieubeheer;

2 en 36 van de Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 8.000, 00 (achtduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 75 dagen hechtenis;

bepaalt dat van de geldboete een gedeelte, groot € 4.000,- ( vierduizend euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaren, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. J.J. van den Berg en T.M. Riemens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. van der Putte, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 september 2018.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Hij in de periode van 8 december 2014 tot en met 19 januari 2015 te Rotterdam, opzettelijk, handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub f van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen, immers was hij doende een container (nummer [containernummer] ) waarvan de inhoud onder andere bestond uit kogellagers (B 1010), , over te brengen van Duitsland naar de Verenigde Arabische Emiraten terwijl die overbrenging geschiedde in strijd met artikel 36 lid 1 onder f van die verordening;