Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:11013

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-10-2018
Datum publicatie
20-01-2019
Zaaknummer
17.331 RK
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

omzettingsverzoek niet ontvankelijk

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

opheffing faillissement en toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 31 oktober 2018

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats]

verzoeker,

curator: mr. R. Le Grand.

1 De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn op 11 juli 2017 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Verzoeker, in bijzijn van zijn partner, mw. [naam 2] , en de curator zijn gehoord ter terechtzitting van 16 oktober 2018.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Bij brief van 13 juli 2018 heeft de curator negatief geadviseerd ten aanzien van het verzoek. Het is gefailleerde te verwijten dat hij niet binnen de termijn van artikel 3, eerste lid van de Faillissementswet (hierna: Fw) een verzoekschrift tot toelating tot de WSNP heeft ingediend. Gefailleerde beschikte reeds over rechtsbijstand en wist, althans behoorde te weten op welk moment hij uiterlijk tot indiening van het verzoekschrift over diende te gaan. Daarnaast voldoet gefailleerde (nog) niet aan zijn wettelijke verplichtingen; de curator is immers nog in afwachting van informatie en documentatie aangaande de aankoop en verkoop van de woning van gefailleerde in Turkije. Voorts is de curator van mening dat de goede trouw ontbreekt bij de vordering van de Gemeente Rotterdam van € 637.886,58 en de vordering van de curator van [besloten vennootschap] van € 2.727.355,87. De schuld aan de gemeente is ontstaan doordat gefailleerde als bestuurder van zijn houdstervennootschap heeft besloten dan wel toegelaten dat de door haar gehuurde onroerende zaak om niet werd onderverhuurd als gevolg waarvan geen huur aan de gemeente kon worden betaald. De curator is van mening dat bij dit onrechtmatig handelen van gefailleerde de goede trouw ontbreekt. Bovendien heeft de kantonrechter bij vonnis van 17 maart 2017 geoordeeld dat voornoemde vordering niet te goeder trouw is ontstaan nu gefailleerde een voldoende ernstig verwijt gemaakt kan worden om hem persoonlijk aansprakelijk te houden voor de schade van de gemeente. Dit vonnis is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan. Voorts impliceert het feit dat de curator van [besloten vennootschap] van gefailleerde vordert uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid, het ontbreken van goede trouw.

Verzoeker heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een dag voor de faillissementszitting,
te weten 10 juli 2017, papieren naar de rechtbank had opgestuurd, waaruit zou blijken dat hij een afspraak had met de gemeente over het minnelijk traject. Verzoeker had contact gehad met de Kredietbank en hij kon niet eerder beginnen met het minnelijk traject, omdat hij nog een bedrijf op zijn naam had staan. Verzoeker had op internet gelezen dat je niet in aanmerking komt voor een minnelijk traject wanneer je een eigen bedrijf hebt, vandaar dat hij niet eerder een aanvraag voor een minnelijk traject had ingediend.

3 De beoordeling

Alvorens tot inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift over te gaan, dient de vraag te worden beantwoord of verzoeker een beroep op artikel 15b, eerste lid Fw toekomt. De voorwaarde die de wet in artikel 15b, eerste lid, Fw stelt, is dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend of indien het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar. Daarnaast stelt de wet als voorwaarde dat geen verificatievergadering is gehouden noch dat de rechter-commissaris een beschikking als bedoeld in artikel 137a, eerste lid, Fw heeft gegeven.

De rechtbank stelt vast dat de griffier op 9 juni 2017 de brief zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw per gewone en aangetekende post heeft verzonden naar het adres, zoals is vermeld op het bij het faillissementsverzoek gevoegde uittreksel van de Basisregistratie Personen. In deze brief heeft de griffier verzoeker erop gewezen dat hij zolang hij niet failliet is verklaard, een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 Fw kan indienen.

Uit de “Detailpagina zending” blijkt dat de aangetekende brief op 13 juni 2018 is afgehaald bij de afhaallocatie.

Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de rechtbank verzoeker op correcte wijze heeft opgeroepen voor de behandeling van het tegen hem gerichte faillissementsverzoek en daarbij in kennis is gesteld van de mogelijkheid om – zolang hij niet failliet is verklaard – een schuldsaneringsverzoek in te dienen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verzoeker voordat hij failliet werd verklaard geen verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 284 Fw heeft ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat aldus onvoldoende is gebleken dat in het onderhavige geval omstandigheden zijn die tot het oordeel leiden dat het niet aan verzoeker toe te rekenen is dat hij niet tijdig een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.

De rechtbank sluit hiertoe aan bij het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 11 juli 2017. De rechtbank had vastgesteld dat verzoeker pas enige weken na ontvangst van de brief van de griffier een schriftelijk verzoek tot schuldhulpverlening had ingediend, namelijk 7 juli 2017. Dat verzoeker een eigen bedrijf had, had hem er niet van moeten weerhouden om een aanvraag te doen voor een schuldhulpverleningstraject. Hij wist, althans behoorde te weten, dat een te laat ingediende aanvraag voor schuldhulpverlening anders in de weg zou staan aan een WSNP-traject. Bovendien is verzoeker niet in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2017.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare overschrijding van de termijn van artikel 3, eerste lid, Fw, zodat verzoeker niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2018.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.