Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10919

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-06-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
C/10/523688 / FA RK 17-2582 en C/10/542712 / FA RK 18-252
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Toelichting: Echtscheiding met nevenvoorzieningen; IPR; behoeftigheid man niet althans onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/523688 / FA RK 17-2582 en

C/10/542712 / FA RK 18-252

Beschikking van 15 juni 2018 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te Rotterdam,

advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te Rotterdam,

advocaat mr. C.W.F. Jansen te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift en het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw,

respectievelijk ingekomen op 24 maart 2017 en 14 juni 2017;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op

20 juli 2017;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen;

- de correspondentie waaronder:

  • -

    de brieven met bijlagen van de zijde van de man, gedateerd 12 september 2017, 19 maart 2018, 27 maart 2018 en 5 april 2018;

  • -

    de brieven met bijlagen van de zijde van de vrouw, gedateerd 16 januari 2018, 26 maart 2018, 27 maart 2018 en 29 maart 2018.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 april 2018.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- de vrouw met haar advocaat mr. Van der Pols en

- de man met zijn advocaat mr. Jansen.

1.3.

De oudste minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

1.4.

Van de zijde van de man is nog een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 12 april 2018. Van de zijde van de vrouw is daarop een schriftelijke reactie ingekomen, gedateerd 19 april 2018.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te 's-Hertogenbosch op 12 december 2000.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2005 te [geboorteplaats minderjarige 1] , en

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2007 te [geboorteplaats minderjarige 2] .

2.3.

Partijen hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.

2.4.

Scheiding

2.4.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.4.2.

De man erkent dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Hij verzoekt eveneens de echtscheiding uit te spreken.

2.4.3.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.4.4.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).

2.4.5.

Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat partijen, hoewel daartoe pogingen zijn ondernomen, geen door hen beiden gedragen ouderschapsplan hebben kunnen overeenkomen. De vrouw heeft begin november 2017 het contact met de man verbroken om (verdere) escalatie te voorkomen en rust te creëren. Via familie van de vrouw zijn met de man afspraken gemaakt over de omgangscontacten tussen de man en de minderjarigen. De communicatie tussen partijen beperkt zich op dit moment tot contact via sms-berichten, die met name praktische zaken rondom de minderjarigen betreffen. Gelet op het vorenstaande kan van partijen op dit moment redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij een ouderschapsplan overleggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het ontbreken van het ouderschapsplan er niet aan in de weg staat het verzoek tot echtscheiding te ontvangen.

2.4.6.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

2.4.7.

Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

2.4.8.

Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de voorstellen zoals opgenomen in het door haar overgelegde concept-ouderschapsplan onderdeel uitmaken van deze beschikking wordt afgewezen, omdat dat concept geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv is.

2.5.

Verblijfplaats en zorgregeling

2.5.1.

Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling).

Partijen zijn het volgende overeengekomen. De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen zal bij de vrouw zijn. De minderjarigen verblijven iedere zondag van 15.00 uur tot 20.00 uur bij de man, waartoe hij de minderjarigen zal ophalen en weer terugbrengen bij de vrouw. Vanaf het moment dat de man over zelfstandige woonruimte beschikt, verblijven de minderjarigen eenmaal per veertien dagen gedurende een weekend van vrijdag 20.00 uur tot en met zondag 20.00 uur bij de man, waartoe de vrouw de minderjarigen op vrijdag naar de man brengt en de man de minderjarigen op zondag terugbrengt bij de vrouw. De minderjarigen verblijven gedurende de helft van de vakanties bij de man.

2.5.2.

Gelet op het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank er van uit dat partijen alsnog verzoeken doen tot het treffen van nevenvoorzieningen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling. De rechtbank overweegt als volgt.

2.5.3.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en tot vaststelling van een zorgregeling.

2.5.4.

De rechtbank zal beslissen zoals partijen zijn overeengekomen. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.

2.6.

Onderhoudsbijdragen

Kinderbijdrage

2.6.1.

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van – naar de rechtbank begrijpt – € 512,23 per maand per kind vast te stellen.

2.6.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

2.6.3.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

2.6.4.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigden gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

De behoefte

2.6.5.

Ter bepaling van de behoefte dient eerst aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het eventuele kindgebonden budget, het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen te worden bepaald.

2.6.6.

Partijen zijn verdeeld over de inkomsten van de man die als uitgangspunt moeten worden genomen bij het bepalen van de behoefte van de minderjaren. Gelet hierop en omdat partijen ook verdeeld zijn over de inkomsten van de man die als uitgangspunt moeten worden genomen bij het bepalen van zijn draagkracht, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de stukken het verhandelde ter zitting volgt dat de vrouw zich op het standpunt stelt dat het netto maandinkomen van de man primair € 7.500,- bedraagt en subsidiair € 3.750,-.

De man is zelfstandig ondernemer. Hij verklaart ter zitting dat de winst zijn inkomen is en dat hij per maand een bedrag van € 1.750,- opneemt. De man stelt zich op het standpunt dat in het kader zijn draagkracht moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming in 2016 van € 9.652,- en dat op basis hiervan zijn netto besteedbaar inkomen € 795,- per maand bedraagt.

Ter zitting is met partijen gesproken over de in het geding gebrachte jaarstukken, de aangiften inkomstenbelasting en de toelichting van de accountant van de man op de stukken van 2016. Op grond van die stukken is de rechtbank van oordeel dat de vrouw haar stelling dat het netto maandinkomen van de man € 7.500,- dan wel € 3.750,- bedraagt onvoldoende heeft onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.

De rechtbank is op grond van die stukken ook van oordeel dat de man zijn stelling dat zijn inkomen € 795,- per maand bedraagt evenmin heeft onderbouwd. De man heeft geen jaarstukken 2017 en/of een prognose over 2018 in het geding gebracht, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Daarenboven heeft de man ter zitting verklaard dat het beter gaat met zijn onderneming.

Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om uit te gaan van een inkomen aan de zijde van de man van € 1.750,- netto per maand. De rechtbank zal dit inkomen als uitganspunt nemen bij het bepalen van zowel de behoefte als de draagkracht.

2.6.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen € 3.750,- per maand bedroeg.

2.6.8.

De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op € 5.500,- per maand. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat partijen tijdens het huwelijk geen kindgebonden budget ontvingen, zodat hiermee geen rekening wordt gehouden.

2.6.9.

Voormeld netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (4), levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, welke is opgenomen als bijlage bij het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, een bedrag op van € 1.310,- per maand.

Draagkrachtberekening

2.6.10.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van beider draagkracht.

2.6.11.

Hiertoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld te worden.

Gezien de ingangsdatum van de eventueel vast te stellen bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2017-1.

2.6.12.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen over het inkomen van de man wordt het netto besteedbaar inkomen van de man vastgesteld op € 1.750,- per maand.

2.6.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 4.503,- per maand bedraagt.

2.6.14.

De draagkracht van partijen wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.575,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 905)]. De draagkracht van de man bedraagt € 224,- per maand en de draagkracht van de vrouw bedraagt € 1.572,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

2.6.15.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen dient de behoefte over partijen te worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het deel van de man bedraagt: € 224,- / € 1.796,- x € 1.310,- = € 163,-

het deel van de vrouw bedraagt: € 1.572,- / € 1.796,- x € 1.310,- = € 1.147,- +

samen € 1.310,-

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 163,- per maand ofwel € 81,50 per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 1.147,- per maand ofwel € 573,50 per maand per kind voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

2.6.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man aanspraken kan maken op toepassing van een zorgkorting van 15%.

2.6.17.

Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.310,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 196,50 per maand.

2.6.18.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag:

€ 163,- – € 196,50 = negatief € 33,50.

Conclusie

2.6.19.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een kinderbijdrage wordt afgewezen.

Partnerbijdrage

2.6.20.

De man verzoekt een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 2.500,- per maand vast te stellen.

2.6.21.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

2.6.22.

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

2.6.23.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Behoefte

2.6.24.

Partijen zijn het erover eens geworden dat de behoefte van de man aan partneralimentatie berekend dient te worden aan de hand van de zogenaamde ‘Hof-norm’ zodat de man behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk, aangezien een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder is dan gehuwden.

2.6.25.

Tijdens het huwelijk bedroeg het netto gezinsinkomen € 5.500,- per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarigen van € 1.310,- per maand. De netto behoefte van de man bedraagt 60% van € 4.190,-, zijnde € 2.514,- per maand.

Behoeftigheid

2.6.26.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn stelling dat hij behoeftig is, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet althans onvoldoende onderbouwd. De rechtbank neemt hierbij onder meer het volgende in aanmerking. Ter zitting zijn onder meer aan de orde gesteld de privéstortingen van in totaal € 54.495,- in de jaarstukken 2016. Volgens de verklaring van de man zijn de privéstortingen afkomstig van opgenomen gelden uit leningen, maar vervolgens heeft hij niet kunnen verklaren waarom de leningen in 2016 lager zijn dan in voorgaande jaren. De toelichting van de accountant van de man geeft eveneens geen inzage in de herkomst van de privéstortingen. Ook zijn aan de orde gesteld de bedragen aan contant geld zoals opgenomen in de aangiften inkomstenbelasting. Ook hiervan heeft de man de herkomst niet kunnen verklaren. De jaarstukken 2017 en/of een prognose over 2018 ontbreken.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man zijn financiële situatie niet althans onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de man met onvoldoende feiten en omstandigheden heeft onderbouwd dat hij op dit moment niet in staat is volledig in de huwelijks gerelateerde behoefte te voorzien. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man tot vaststelling van een partnerbijdrage afwijzen. De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking meer.

2.7.

Verdeling

2.7.1.

Beide partijen verzoeken de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door ieder van hen voorgestelde wijze.

2.7.2.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

2.7.3.

Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (Verdrag) van toepassing.

2.7.4.

Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.

2.7.5.

Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna meer dan één nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag. In dat geval kan ingevolge de hoofdregel van artikel 15, lid 2 van het Verdrag geen aanknoping worden gezocht bij een van die nationaliteiten.

2.7.6.

Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.

2.7.7.

Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime.

2.7.8.

Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.

2.7.9.

Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal dan ook de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang ex artikel 3:185 BW.

2.7.10.

De peildatum voor de vaststelling van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap is de datum van ontbinding van die gemeenschap, te weten 24 maart 2017, het tijdstip waarop het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend.

2.7.11.

Voor de waardering van de tot de gemeenschap behorende goederen moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid iets anders voortvloeit of partijen alsnog voor één of meerdere goederen een andere datum overeenkomen.

2.7.12.

De rechtbank bespreekt hierna de bestanddelen die volgens partijen dan wel één van hen tot de gemeenschap van goederen behoren.

Onroerende zaak aan de [adres 1] te Rotterdam (hierna: de echtelijke woning), de daaraan gekoppelde hypothecaire lening bij Stater Nederland B.V., beleggingsverzekering bij Reaal/BLG Wonen en kapitaalverzekering bij Reaal

2.7.13.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de echtelijke woning aan de vrouw zal worden toegedeeld, indien de vrouw in staat zal blijken deze toedeling te financieren.

Voor wat betreft de waardebepaling van de echtelijke woning zijn partijen overeengekomen om de echtelijke woning te laten taxeren door Ooms Makelaars te Rotterdam. De kosten van deze taxatie worden door partijen bij helfte gedragen.

2.7.14.

Verder zijn partijen overeengekomen dat de vrouw de hypothecaire schuld voor haar rekening zal nemen. De vrouw dient ervoor zorg te dragen dat de hypotheekbank de man zal ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldlening.

2.7.15.

Voor zover de waarde van de echtelijke woning hoger is dan de hypothecaire schuld, op welke schuld de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde verzekeringen in mindering strekken, is sprake van overwaarde. De vrouw dient de helft van de overwaarde aan de man uit te keren.

2.7.16.

Voor zover de waarde van de echtelijke woning lager is dan de hypothecaire schuld, op welke schuld de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde verzekeringen in mindering strekken, is sprake van onderwaarde. Ieder van partijen dient de helft van de restschuld voor zijn of haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen.

2.7.17.

Voor zover de vrouw niet in staat zal blijken de toedeling van de echtelijke woning aan haar te financieren en/of het ontslag van de man uit bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen, dient de echtelijke woning te worden verkocht.

2.7.18.

Op de verkoopopbrengst dient de hypothecaire schuld ten tijde van de overdracht van de echtelijke woning in mindering te worden gebracht. De aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde verzekeringen strekken in mindering op de hypothecaire schuld. Voor zover de verkoopopbrengst hoger zal zijn dan de hypothecaire schuld is sprake van overwaarde, die aan beide partijen toekomt, ieder voor de helft.

2.7.19.

Voor zover de verkoopopbrengst lager zal zijn dan de hoogte van de hypothecaire schuld, op welke schuld de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde verzekeringen in mindering strekken, is sprake van onderwaarde. Ieder van partijen dient de helft van de restschuld voor zijn of haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen.

2.7.20.

De kosten verbonden aan de verdeling, dan wel de verkoop en levering van de echtelijke woning worden door partijen bij helfte gedragen.

Inboedelzaken echtelijke woning

2.7.21.

Partijen zijn het er uiteindelijk over eens geworden dat de sieraden zullen worden toegedeeld aan de vrouw onder verrekening van de helft van de waarde met de man. Partijen zijn overeengekomen om de sieraden te laten taxeren door een erkend taxateur.

2.7.22.

Partijen zijn het erover eens dat de Siemens pannenset zal worden toegedeeld aan de man zonder verrekening van de waarde met de vrouw en dat de overige inboedelzaken zullen worden toegedeeld aan de vrouw zonder verrekening van de waarde met de man.

Onroerende zaak aan de [adres 2] / [adres 3] te Terneuzen (hierna: de woning), de daaraan gekoppelde hypothecaire lening bij CMIS Nederland B.V. en kapitaalverzekeringen bij De Goudse

2.7.23.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de woning zal worden verkocht via Kindt & Biesbroeck Makelaardij te Terneuzen.

2.7.24.

Op de verkoopopbrengst dient de hypothecaire schuld ten tijde van de overdracht van de woning in mindering te worden gebracht. De aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde verzekeringen strekken in mindering op de hypothecaire schuld. Voor zover de verkoopopbrengst hoger zal zijn dan de hypothecaire schuld is sprake van overwaarde, die aan beide partijen toekomt, ieder voor de helft.

2.7.25.

Voor zover de verkoopopbrengst lager zal zijn dan de hoogte van de hypothecaire schuld, op welke schuld de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde verzekeringen in mindering strekken, is sprake van onderwaarde. Ieder van partijen dient de helft van de restschuld voor zijn of haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen.

2.7.26.

De kosten verbonden aan de verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen.

Inboedelzaken woning te Terneuzen

2.7.27.

Partijen zijn het erover eens dat zich in deze woning per peildatum geen inboedelzaken bevinden die in de verdeling moeten worden betrokken.

Auto, merk BMW, type cabrio

2.7.28.

Partijen zijn het erover eens dat deze auto zal moeten toegedeeld aan de vrouw. De door de vrouw gestelde waarde van € 12.500,- is door de man niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. De auto wordt toegedeeld aan de vrouw, onder verrekening van de helft van de waarde van € 12.500,- met de man.

Twee auto’s, merk BMW, type 3 station en 5 station (hierna: BMW 3 en BMW 5)

2.7.29.

Vaststaat dat deze auto’s per peildatum tot de samenstelling van de gemeenschap van goederen behoren en daarom dienen de auto’s in de verdeling te worden betrokken. Partijen twisten over de waarde die aan de auto’s moet worden toegekend en over de door de man gestelde leningen.

2.7.30.

De man stelt dat hij in december 2016 de BMW 3 heeft gekocht en dat hij in verband daarmee twee leningen heeft afgesloten, waarmee rekening moet worden bij de waardebepaling. De vrouw betwist uitdrukkelijk de door de man gestelde leningen. Gelet op het bewijsaanbod van de man ter zitting is hij in de gelegenheid gesteld zijn stellingen ter zake de leningen nader te onderbouwen en de vrouw is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

2.7.31.

Op grond van de thans voorliggende stukken gaat de rechtbank voorbij aan de stellingen van de man ter zake de leningen, omdat hij zijn stellingen in het licht van de motiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende met feiten en/of omstandigheden heeft onderbouwd.

2.7.32.

De vrouw stelt dat de BMW 3 een in het kader van de verdeling in aanmerking te nemen waarde vertegenwoordigt van € 48.000,-. Zij verwijst naar de bij brief van 26 maart 2018 overgelegde waardebepaling. Volgens de man vertegenwoordigt deze auto slechts een waarde van € 36.000,-, omdat de auto niet schadevrij is.

Nu de vrouw niet heeft betwist dat de auto niet schadevrij is, stelt de rechtbank, gelet op de door partijen aangedragen gegevens, de waarde van de auto in redelijkheid en billijkheid vast op € 42.000,-. De auto wordt toegedeeld aan de man, onder verrekening van de helft van de waarde van € 42.000,- met de vrouw.

2.7.33.

De vrouw stelt dat de BMW 5 een in het kader van de verdeling in aanmerking te nemen waarde vertegenwoordigt van € 35.000,-. De man heeft de door de vrouw gestelde waarde niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. De auto wordt toegedeeld aan de man, onder verrekening van de helft van de waarde van € 35.000,- met de vrouw.

Saldi op de bankrekeningen

2.7.34.

Partijen zijn het erover eens dat de saldi op de bankrekeningen ten name van de vrouw zullen worden toegedeeld aan de vrouw zonder nadere verrekening van die saldi met de man en dat de saldi op de bankrekeningen ten name van de man zullen worden toegedeeld aan de man zonder nadere verrekening van die saldi met de vrouw.

Saldo op bankrekening [rekeningnummer] ten name van partijen

2.7.35.

Partijen zijn het erover eens geworden dat deze rekening moet worden opgeheven. Gelet hierop beslist de rechtbank dat het saldo op deze rekening per datum opheffing van de rekening toekomt aan beide partijen, ieder voor de helft. Indien sprake is van een debetsaldo, is ieder van partijen jegens de ander verplicht het debetsaldo voor de helft voor eigen rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen.

Eenmanszaak: [naam bedijf] te Ammerzoden

2.7.36.

De rechtbank overweegt eerst als volgt. Een eenmanszaak is geen goed dat in de wettelijke gemeenschap van goederen valt en kan als zodanig niet worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa (waaronder eventueel goodwill) en passiva valt in de wettelijke gemeenschap van goederen. De activa kunnen worden verdeeld, waarbij als uitgangspunt voor de waardering het tijdstip van feitelijke verdeling geldt, tenzij partijen een ander tijdstip met elkaar zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid zich tegen dat tijdstip verzetten. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. Beide partijen zijn in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden die op de peildatum aanwezig zijn.

2.7.37.

De rechtbank begrijpt uit de standpunten en de verklaringen van partijen dat zij het erover eens zijn dat de activa van de eenmanszaak, waaronder de saldi op de zakelijke bankrekening(en), zullen worden toegedeeld aan de man en dat de man jegens de vrouw verplicht is de zakelijke schulden, waaronder de (flexibele / zakelijke) kredieten, voor zijn rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen.

2.7.38.

Partijen twisten over de waarde die in de verdeling moet worden betrokken.

De vrouw stelt zich ter zitting op het standpunt dat bij gebreke van actuele gegevens moet worden uitgegaan van de aangifte 2016. Daarin is opgenomen dat het bedrijfsvermogen € 167.418,- bedraagt. Onderdeel daarvan is een forse voorraad van € 207.225,- waarin een stille reserve zit. De vrouw is van mening dat de waarde kan worden gesteld op € 200.000,- en zij maakt aanspraak op de helft van dit bedrag.

2.7.39.

De man stelt dat de onderneming weinig tot niets waard is. Tegenover de bedrijfsvoorraad staan gedeeltelijk schulden. Er is geen eigen pand en dus geen afschrijving op de stille reserves. De man acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid als de waarde van de onderneming in de verdeling wordt betrokken, omdat hij volledig afhankelijk is van zijn onderneming. De man is van mening dat de activa zonder verrekening van de waarde althans onder verrekening van een lagere waarde aan hem moeten worden toegedeeld, zodat hij inkomen kan blijven genereren en hij minder afhankelijk wordt van partneralimentatie.

2.7.40.

Bij gebreke van recente gegevens gaat de rechtbank evenals de vrouw uit van de jaarstukken 2016 voor de bepaling van de waarde van de onderneming. Het eigen vermogen van de onderneming bedroeg per eind 2016 € 167.418,-. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat rekening moet worden gehouden met een stille reserve, omdat zij haar stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende met feiten en/of omstandigheden heeft onderbouwd. De rechtbank bepaalt derhalve de waarde van de onderneming op € 167.418,-. De man dient de helft van deze waarde aan de vrouw uit te keren.

Erfdeel met betrekking tot een woning in Turkije

2.7.41.

De vrouw is voor 1/7 gedeelte rechthebbende op (de waarde van) een woning in Turkije (hierna: erfdeel) en het erfdeel behoort per peildatum tot de samenstelling van de gemeenschap van goederen. Partijen zijn het erover eens dat het erfdeel zal worden toegedeeld aan de vrouw tegen een nader te bepalen waarde, onder verrekening van de helft van de waarde van het erfdeel met de man (1/7 gedeelte /2 = 1/14 gedeelte).

2.7.42.

Voor wat betreft de waardebepaling van het erfdeel zijn partijen overeengekomen om de woning in Turkije te laten taxeren, waarna de waarde van het erfdeel zal worden bepaald.

2.7.43.

De kosten verbonden aan de taxatie worden door partijen bij helfte gedragen.

Erfdeel van de vader van de vrouw met betrekking tot een perceel land in Turkije

2.7.44.

De advocaat van de vrouw stelt ter zitting dat de vader van de vrouw naast tientallen andere erfgenamen rechthebbende is op (de waarde van) een perceel land in Turkije. Daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat het gedeelte waarop de vader van de vrouw rechthebbende is per peildatum tot de samenstelling van de gemeenschap van goederen behoort, heeft de man ter zitting verklaard dat hij ter zake geen aanspraak maakt op verrekening van enige waarde.

2.7.45.

De wijze van verdeling van de gemeenschap zal gelast worden zoals hiervoor onder de rechtsoverwegingen 2.7.13. tot en met 2.7.44. is weergegeven.

2.8.

Ingetrokken verzoek

2.8.1.

Omdat de vrouw het verzoek ten aanzien van de pensioenverevening heeft ingetrokken, kunnen de gronden van dat verzoek niet meer worden onderzocht, om welke reden dat verzoek wordt afgewezen.

2.9.

Proceskosten

2.9.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 12 december 2000 te

's-Hertogenbosch;

3.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;

3.3.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

- de minderjarigen verblijven iedere zondag van 15.00 uur tot 20.00 uur bij de man,

waartoe hij de minderjarigen zal ophalen en weer terugbrengen bij de vrouw;

- vanaf het moment dat de man over zelfstandige woonruimte beschikt, verblijven de

minderjarigen eenmaal per veertien dagen gedurende een weekend van vrijdag

20.00

uur tot en met zondag 20.00 uur bij de man, waartoe de vrouw de

minderjarigen op vrijdag naar de man brengt en de man de minderjarigen op

zondag terugbrengt bij de vrouw;

- de minderjarigen verblijven gedurende de helft van de vakanties bij de man;

3.4.

gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.7.13. tot en met 2.7.44.;

3.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

3.6.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.L. de Gruijl-van Benthem, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H.J. Wieman-Bart en mr. I.J. Pieters, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.A.J. Ysebaert op

15 juni 2018.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.