Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10918

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-12-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
C/10/546295 / FA RK 18-1881
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 van de Alimentatieverordening. Uitleg van het begrip partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/546295 / FA RK 18-1881

Beschikking van 21 december 2018 betreffende de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam man] ,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. H.J.C. de Waard te Zwijndrecht,

t e g e n

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] (Turkije), [adres vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. T. Kocabas te Zoetermeer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 07 maart 2018;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 6 juli 2018;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de man, gedateerd 15 november 2018;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de man, gedateerd 23 november 2018;

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 november 2018.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de man met zijn advocaat mr. H.J.C. de Waard en

  • -

    de advocaat van de vrouw, mr. T. Kocabas.

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2005 te [geboorteplaats minderjarige] ;

2.2.

De man heeft de Turkse en de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Turkse nationaliteit. De minderjarige heeft de Turkse en de Nederlandse nationaliteit.

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 7 april 2010 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

Op 4 mei 2010 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 25 augustus 2010 is onder meer bepaald dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw, alsmede dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van die minderjarige telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 40,-- per maand met ingang van 1 augustus 2011 en met ingang van 1 november 2012 € 201,- per maand.

2.5.

De vrouw en de minderjarige zijn in april 2017 verhuisd naar [woonplaats vrouw] (Turkije) en hebben daar sindsdien hun gewone verblijfplaats.

3 Verzoek en verweer

3.1.

De man heeft verzocht te bepalen:

  • -

    dat hij met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] van € 78,- per maand aan de vrouw zal voldoen,

  • -

    alsmede dat de alimentatieverplichting over de termijnen die vanaf april 2010 tot heden verschuldigd zijn, wordt beëindigd, althans te bepalen dat deze gelijk wordt gesteld met de inmiddels door de man betaalde bedragen.

3.2.

De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Rechtsmacht

4.1.1.

Aan de orde is allereerst de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzoek van de man.

4.1.2.

Aangezien het in dit geval gaat om alimentatie dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter te worden beoordeeld aan de hand van de Alimentatieverordening (Verordening EG nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna ook: Ali-vo)). De Ali-vo heeft een universeel toepassingsgebied. Het is dus niet vereist dat verweerder woonplaats heeft in een lidstaat.

4.1.3.

De man stelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van artikel 6 Ali-vo, welke bepaling inhoudt:

Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3,4 en 5 bevoegd is, en indien geen enkel gerecht van een staat die partij is bij het Verdrag van Lugano, maar die geen lidstaat is, op grond van de bepalingen van genoemd Verdrag bevoegd is, zijn de gerechten van de lidstaat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen bevoegd.

4.1.4.

De man stelt dat onder partijen als bedoeld in dit artikel, moet worden verstaan de man en de minderjarige. Omdat de man en de minderjarige beiden de Nederlandse nationaliteit hebben, is de Nederlandse rechter, als gerecht van de lidstaat van de gemeenschappelijke nationaliteit, bevoegd, aldus de man. Dat de man en de minderjarige overigens een dubbele nationaliteit hebben, doet daar volgens hem niet aan af.

4.1.5.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt dat onder partijen in artikel 6 Ali-vo moet worden verstaan de man en de vrouw. Aangezien de man en vrouw alleen de Turkse nationaliteit gemeenschappelijk hebben, komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe. Bovendien kan het volgens haar niet de bedoeling zijn van de verordening dat de Nederlandse rechter een beslissing neemt over een kinderbijdrage ten behoeve van een minderjarige die woonachtig is in Turkije.

4.1.6.

Voordat de rechtbank zich op grond van artikel 6 Ali-vo bevoegd kan achten, dient de rechtbank vast te stellen dat geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is op grond van de bevoegdheidsbepalingen van de artikelen 3, 4 en 5 van de Ali-vo of het Verdrag van Lugano.

Artikel 3 Ali-vo geldt als hoofdregel, zowel ten aanzien van een eerste verzoek tot vaststelling van alimentatie als ten aanzien van een verzoek tot wijziging van alimentatie, en bepaalt dat in de lidstaten bevoegd is het gerecht van de plaats waar de verweerder (sub a) of de onderhoudsgerechtigde (sub b) zijn gewone verblijfplaats heeft. Vaststaat dat zowel de vrouw als de minderjarige hun gewone verblijfplaats hebben in Turkije, zodat de Nederlandse rechter hieraan geen rechtsmacht kan ontlenen. Turkije is geen lidstaat, zodat op grond van artikel 3 er niet een lidstaat bevoegd is. In sub c en d van artikel 3 Ali-Vo zijn aanvullende bevoegdheidsbepalingen opgenomen. Deze doen zich hier niet voor.

Evenmin is een andere lidstaat of de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 4 Ali-vo, dat ziet op een forumkeuze. Daargelaten dat geen forumkeuze is gedaan, is een forumkeuze ook uitgesloten ten aanzien van kinderalimentatie.

Tenslotte biedt artikel 5 Ali-vo (stilzwijgende aanvaarding door verschijning) de rechtbank geen grond om internationale bevoegdheid aan te nemen, omdat de vrouw de bevoegdheid van de Nederlandse rechter heeft betwist.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat zij noch een andere lidstaat rechtsmacht kan ontlenen aan de bevoegdheidsbepalingen van de artikelen 3, 4 en 5 van de Ali-vo, zodat zij toekomt aan een toetsing van artikel 6 Ali-vo.

4.1.7.

De rechtbank overweegt dat de Ali-vo geen definitie geeft van het begrip partijen. Het Europese Hof van Justitie heeft zich evenmin uitgelaten over de betekenis van dit begrip. De rechtbank dient derhalve uit te leggen wat onder het begrip partijen moet worden verstaan. Gelet op het autonome karakter van de Europese rechtsorde, waartoe ook de Ali-vo behoort, zal dit begrip niet kunnen worden uitgelegd naar het nationale recht. Er moet dus aan het begrip een verordeningsautonome betekenis worden gegeven, zodat de rechtbank bij de uitleg hiervan zoveel mogelijk aansluiting zal zoeken bij de Ali-vo.

4.1.8.

Punt 19 van de preambule van de Ali-vo biedt naar het oordeel van de rechtbank voor genoemde uitleg een aanknopingspunt. Daarin is opgenomen dat teneinde de rechtszekerheid, de voorspelbaarheid en de autonomie van partijen te vergroten, de verordening partijen de mogelijkheid dient te bieden in onderlinge overeenstemming het bevoegde gerecht te kiezen op basis van bepaalde aanknopingsfactoren. Met het oog op de bescherming van de zwakkere partij moet een degelijke forumkeuze worden uitgesloten voor onderhoudsverplichtingen ten aanzien van kinderen jonger dan achttien jaar. Een grammaticale uitleg brengt dus mee dat een minderjarige in de Ali-vo als partij, zij het een zwakkere partij, wordt aangemerkt. Daarnaast zijn de man en de vrouw het erover eens dat de minderjarige de onderhoudsgerechtigde is.

Omdat in de Ali-vo ook onderscheid wordt gemaakt tussen de begrippen verweerder en onderhoudsgerechtigde en deze beide begrippen grond bieden voor internationale bevoegdheid, is de rechtbank van oordeel dat onder het begrip partijen zowel kan worden verstaan verzoeker en verweerder als onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde. Aldus zijn de man en de minderjarige te beschouwen als partijen in de zin van de Ali-vo De rechtbank overweegt dat de man en de minderjarige allebei zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit hebben. Hierbij gaat het om de nominale gemeenschappelijke nationaliteit; een effectiviteitstoets behoeft niet plaats te vinden. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat haar als gerecht van een gemeenschappelijke nationaliteit van partijen als bedoeld in artikel 6 Ali-vo, rechtsmacht toekomt om van de verzoeken van de man kennis te nemen.

4.2.

Toepasselijk recht

4.2.1.

Het toepasselijk recht wordt beoordeeld aan de hand van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (hierna: Haags Alimentatieprotocol). Ingevolge artikel 3 worden onderhoudsverplichtingen beheerst door het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. Partijen zijn het erover eens dat de gewone verblijfsplaats van de minderjarige in Turkije is, zodat het Turks recht van toepassing is op de verzoeken van de man.

4.2.2.

De vergoeding van kosten van verzorging en opvoeding van kinderen is geregeld in de artikelen 327 tot en met 331 van het Turks Burgerlijk Wetboek. De rechtbank stelt vast dat het Turks recht net als het Nederlandse recht uitgaat van de begrippen behoefte en draagkracht.

4.3.

Wijziging van omstandigheden

4.3.1.

Volgens artikel 331 van het Turks Burgerlijk Wetboek stelt de rechter bij een wijziging van omstandigheden het bedrag voor levensonderhoud opnieuw vast of beëindigt hij de verplichting tot betaling van het levensonderhoud.

4.3.2.

De man heeft gesteld dat de omstandigheden zijn gewijzigd ten opzichte van 2010. Deze wijziging van omstandigheden bestaat uit een daling van zijn inkomen. Dit is door de vrouw niet bestreden.

4.3.3.

Gelet op de onweersproken stelling van de man dat zijn inkomen is gedaald ten opzichte van 2010, zal de rechtbank de kinderbijdrage opnieuw beoordelen.

4.4.

De behoefte van de minderjarige

4.4.1.

De man stelt dat de behoefte van de minderjarige opnieuw dient te worden bepaald. De behoefte van de minderjarige is volgens de man afgenomen, omdat in Turkije een lagere levensstandaard geldt.

4.4.2.

De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.

4.4.3.

De rechtbank zal eerst beoordelen of de behoefte opnieuw kan worden vastgesteld. De vrouw heeft immers gesteld dat artikel 331 van het Turks Burgerlijk Wetboek daartoe geen aanleiding geeft. De wijziging van omstandigheden is gelegen in een daling in het inkomen van de man, waardoor volgens de vrouw alleen de draagkracht van de man opnieuw moet worden berekend. De behoefte staat daarbij vast. De rechtbank volgt deze stelling niet. De wijziging van omstandigheden geldt slechts als grond om te kunnen worden ontvangen in het verzoek.

Indien vervolgens wordt geoordeeld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, dan stelt de rechter volgens artikel 331 van het Turks Burgerlijk Wetboek opnieuw het bedrag voor levensonderhoud vast. Ingevolge artikel 330 van het Turks Burgerlijk Wetboek wordt het bedrag voor levensonderhoud van het kind vastgesteld naar de behoefte van het kind en de levensomstandigheden en draagkracht van de moeder en vader. De rechtbank zal de behoefte van de minderjarige dan ook opnieuw beoordelen.

4.4.4.

De rechtbank overweegt dat op basis van de stellingen van partijen het Turks recht geen richtlijnen geeft over hoe de behoefte dient te worden bepaald. Partijen zijn het er echter over eens dat als uitgangspunt geldt de behoefte van de minderjarige zoals deze is vastgesteld bij beschikking van 25 augustus 2010. In deze beschikking is de behoefte van de minderjarige bepaald op € 213,- per maand. Geïndexeerd naar 2018 bedraagt de behoefte van de minderjarige € 236,40 per maand.

4.4.5.

De man heeft vervolgens gesteld dat deze behoefte nu lager is en met toepassing van de Big Mac-index moet worden gesteld op € 147,18 per maand, omdat de koopkracht in Turkije anders is dan in Nederland. De rechtbank overweegt dat rekening wordt gehouden met een verschillend kostenniveau in een ander land, tenzij wordt aangetoond dat de kosten gelijk zijn gebleven ten opzichte van het verblijf in Nederland. De vrouw heeft gesteld dat de kosten van de minderjarige juist zijn toegenomen, omdat de schoolkosten van de minderjarige erg hoog zijn. De minderjarige bezoekt particulier onderwijs in Turkije. De man heeft echter ter zitting onweersproken gesteld dat vlakbij de woning van de vrouw en de minderjarige een openbare school is gelegen en dat de kwaliteit van het openbaar onderwijs aldaar goed is. Het openbaar onderwijs in Turkije is kosteloos. Ter zitting is verder gebleken dat de vrouw de man niet heeft geraadpleegd over de schoolkeuze voor de minderjarige, terwijl partijen het gezamenlijk gezag uitoefenen over hem. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de eenzijdige beslissing van de vrouw voor particulier onderwijs, waarvan zij de noodzaak en kosten overigens niet genoegzaam heeft aangetoond, niet kan afwentelen op de man. De rechtbank zal de Big Mac-index toepassen, op grond waarvan de behoefte afgerond € 147,- per maand (€ 236,40 x 0,6226) bedraagt.

4.5.

De draagkrachtberekening

4.5.1.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van beider draagkracht.

De rechtbank stelt voorop dat op basis van de stellingen van partijen het Turks recht geen rekenmethode geeft voor het berekenen van de draagkracht. Partijen hebben zelf aansluiting gezocht bij de Tremanormen, zodat de rechtbank de draagkracht zal berekenen conform de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremarapport).

4.5.2.

De vrouw heeft gesteld dat aan de zijde van de man sprake is van verwijtbaar inkomensverlies, dat voor herstel vatbaar is. De vrouw meent dat van de verdiencapaciteit van de man moet worden uitgegaan.

De man heeft dit gemotiveerd betwist. De man heeft onweersproken aangevoerd dat zijn dienstverband bij zijn voormalig werkgever is beëindigd wegens een reorganisatie. Hij heeft verder gesteld dat hij wel meer zou willen werken bij zijn huidige werkgever, maar dat hij slechts een 20-urencontract kon krijgen. Daarnaast is hij om zijn inkomen te verhogen een eigen bedrijf gestart, maar dat bevindt zich nog in de opstartfase en lijdt verlies. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de man niet zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt. Voorts spant de man zich aantoonbaar in om zich een hoger inkomen te verwerven. Blijkens de door de man overgelegde loonstroken werkt de man regelmatig over. Met een eigen onderneming probeert hij zijn inkomen verder te vergroten. De rechtbank zal dan ook uitgaan van het huidige inkomen van de man.

4.5.3.

De rechtbank gaat uit van de jaaropgave 2017, nu uit de cumulatieven op de salarisspecificatie van oktober 2018 blijkt dat het inkomen in 2018 nagenoeg gelijk is gebleven. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto inkomen van de man aan de hand van deze jaaropgave, waarop een jaarloon staat vermeld van € 17.237,- bruto, op € 1.296,- per maand.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting.

Uit de aangifte inkomstenbelasting 2017 volgt dat de man een pensioenuitkering van
€ 2.588,- bruto heeft ontvangen. Hierover heeft de man onweersproken gesteld dat dit een eenmalige uitkering betrof wegens afkoop pensioen. De rechtbank zal dan ook hiermee geen rekening houden.

De rechtbank zal ook de winst uit onderneming buiten beschouwing laten, nu uit de aangifte inkomstenbelasting 2017 volgt dat een verlies is geleden. De vrouw heeft gesteld dat de man onvoldoende inzage heeft gegeven in de jaarcijfers en dat een prognose ontbreekt. De rechtbank is echter van oordeel dat de man ter zitting voldoende heeft onderbouwd dat het bedrijf zich in de opstartfase bevindt en dat (nog) geen sprake is van winst. De man heeft ook de huur van zijn bedrijfspand opgezegd ter verlaging van de bedrijfskosten.

Op grond van het voorgaande bepaalt de rechtbank het huidige NBI van de man op € 1.296,- per maand. Zijn draagkracht komt daarmee op € 25,- per maand.

4.5.4.

De vrouw heeft geen inkomen. Partijen zijn het er echter over eens dat de vrouw een minimum draagkracht heeft van € 25,- per maand.

4.6.

Draagkrachtvergelijking

4.6.1.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarige kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.

4.7.

Zorgkorting

4.7.1.

De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 35%. De vrouw voert verweer.

4.7.2.

Sinds de verhuizing van de vrouw en de minderjarige naar Turkije is de minderjarige tweemaal naar Nederland gereisd voor omgang met de man. Gelet hierop, is naar het oordeel van de rechtbank een zorgkorting van 15% passend. Hierin zijn ook de kosten van vliegtickets en dergelijke begrepen.

4.7.3.

Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Omdat de helft van dit tekort hoger is dan de zorgkorting kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op de eerder berekende bijdrage.

4.8.

Conclusie

4.8.1.

Omdat de man aanbiedt een bedrag van € 87,- per maand te betalen, zal de rechtbank laatstgenoemd bedrag vaststellen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

4.8.2.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

4.8.3.

De vrouw verweert zich niet tegen de verzochte ingangsdatum, zodat de kinderbijdrage met ingang van die datum, te weten 7 maart 2018, zal worden gewijzigd.

4.9.

Beëindiging onderhoudsverplichting over het verleden

4.9.1.

De man verzoekt om te bepalen dat de alimentatieverplichting over de termijnen die vanaf april 2010 tot heden verschuldigd zijn, wordt beëindigd, althans te bepalen dat deze gelijk worden gesteld met de inmiddels door de man betaalde bedragen.

Aangezien de kinderbijdrage voor het eerst is vastgesteld met ingang van 1 augustus 2011, begrijpt de rechtbank het verzoek aldus dat de man de termijnen vanaf augustus 2011 bedoelt.

4.9.2.

De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.9.3.

De man stelt dat hij iedere week boodschappen heeft gedaan voor de vrouw en gebruiksgoederen van de minderjarige heeft vervangen, zodat hij het onredelijk acht dat hij de termijnen over het verleden is verschuldigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende aangetoond dat hij in het verleden heeft bijgedragen in de kosten van de minderjarige, terwijl vaststaat dat hij de vastgestelde kinderbijdrage nooit heeft betaald. Indien de man verder beëindiging van de kinderbijdrage wenst met terugwerkende kracht, had het op zijn weg gelegen om eerder een verzoek in te dienen, dan wel had hij inkomensgegevens over de voorgaande jaren in het geding dienen te brengen op grond waarvan zijn draagkracht had kunnen worden bepaald. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.

4.10.

Proceskosten

4.10.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 25 augustus 2010 in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 7 maart 2018, voor de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling, wordt bepaald op € 78,- per maand;

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter tevens kinderrechter, mr. A. van Gijzen en mr. E.M.C. Dumoulin, rechters tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.J.I. Mullenders op 21 december 2018.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.