Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1086

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
CIV-525992_140218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangsom. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of de dwangsommen zoals die zijn opgelegd in het vonnis van 13 september 2013 van de voorzieningenrechter van de rechtbank zijn verbeurd en of er aanleiding is om de verbeurde dwangsommen te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/525992 / HA ZA 17-422

Vonnis van 14 februari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. F.J.M. Hamers te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    de brieven van 5 juli 2017 en van 9 oktober 2017 waarin de comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 november 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Dit huwelijk is op 16 april 1985 ontbonden.

2.2.

In een op 13 september 2013 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewezen vonnis tussen [eiser] en [gedaagde] is – voor zover van belang – het volgende beslist:

De voorzieningenrechter:

3.2

veroordeelt de man om binnen één week na betekening van dit vonnis de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Rijn- en Binnenvaart (p/s Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V.) opdracht te geven:

a. een overzicht te maken van de historische opbouw van de (waarde van) het ouderdomspensioen met daarbij een opgave van alle inleg, onttrekkingen, omzettingen en andere invloeden zijdens de man op de waarde van het ouderdomspensioen;

b. een berekening uit te voeren van het de vrouw toekomende, door de man voor en tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde ouderdomspensioen, indien de man het opgebouwde ouderdomspensioen intact had gelaten,

3.3

veroordeelt de man om binnen één week nadat de hiervoor onder 3.2 genoemde gegevens in het bezit zijn, deze in kopie aan de vrouw te verstrekken,

3.4

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat hij niet aan de in 3.2 en 3.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,

2.3.

[gedaagde] heeft op 19 september 2013 dit vonnis laten betekenen aan [eiser] .

2.4.

[eiser] heeft op 10 oktober 2013 telefonisch contact opgenomen met de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Rijn- en Binnenvaart om de informatie opgenomen in rechtsoverweging 3.2 a en b van het vonnis op te vragen.

2.5.

De opgevraagde informatie is opgenomen in een aan [eiser] gerichte brief van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Rijn- en Binnenvaart gedateerd op 15 januari 2014.

2.6.

Op 19 juni 2014 heeft [gedaagde] aangezegd dat [eiser] niet heeft voldaan aan de inhoud van het verstekvonnis waardoor dwangsommen zijn verbeurd. Omdat [eiser] de dwangsommen daarna niet heeft betaald, heeft [gedaagde] executoriaal derdenbeslag op de AOW-uitkering van [eiser] laten leggen.

2.7.

Sinds het voorjaar van 2015 betaalt [eiser] aan [gedaagde] maandelijks een deel van zijn AOW-uitkering. Op 26 juli 2016 was € 3.123,92 voldaan en sindsdien is minimaal nog 2 keer € 114,51 ingehouden.

2.8.

[eiser] heeft op 5 juni 2015 de rechtbank Rotterdam verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 1 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter vonnis gewezen met daarin voor zover relevant het volgende:

Materiele geschilpunten

(…)

4.6 (

Alle onderdelen van) de subsidiaire vordering die naar de voorzieningenrechter begrijpt gegrond is op het bepaalde in artikel 611d Rv (vermindering tot nihil van de dwangsom), wordt afgewezen. Dat er voor [eiser] sprake is of is geweest van een blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid om aan de veroordelingen onder 3.2 en/of 3.3 in het verstekvonnis te voldoen is gesteld noch gebleken.

(...)

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1

wijst de primaire en subsidiaire vordering in alle onderdelen af.

(…)

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert:

I. primair:

  1. te bepalen dat het bedrag dat aan dwangsommen verbeurd is op nihil wordt gesteld;

  2. [gedaagde] te bevelen de executie met ingang van de datum waarop dit vonnis wordt gewezen, te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  3. [gedaagde] te veroordelen tot onmiddellijke opheffing van alle gelegde beslagen ten laste van [eiser] op straffe van een dwangsom van € 10.000,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  4. [gedaagde] te veroordelen om de uit hoofde van de reeds door haar gelegde derdenbeslagen ontvangen geldbedragen binnen 14 dagen na dit vonnis terug te betalen aan [eiser] .

II. subsidiair:

  1. te bepalen dat het bedrag dat aan dwangsommen verbeurd is op € 3.250,- wordt gesteld, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.

  2. [gedaagde] te bevelen de executie met ingang van de datum waarop dit vonnis wordt gewezen, te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  3. [gedaagde] te veroordelen tot onmiddellijke opheffing van alle gelegde beslagen ten laste van [eiser] op straffe van een dwangsom van € 10.000,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  4. [gedaagde] te veroordelen om de uit hoofde van de reeds door haar gelegde derdenbeslagen ontvangen geldbedragen, welke het bedrag te boven gaat van de door de rechter vastgestelde verbeurde dwangsom, binnen 14 dagen na dit vonnis terug te betalen aan [eiser] .

III. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat incasso van de dwangsommen die zijn verbeurd op grond van het vonnis van 13 september 2013 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn omdat [eiser] alles heeft gedaan om de stukken van het pensioenfonds te bemachtigen en het bedrag van de dwangsommen niet in verhouding staat tot het bedrag van het pensioen waarover de informatie moest worden verstrekt.

3.3.

[eiser] voert verder aan dat een deel van de dwangsommen niet is verbeurd omdat hij heeft voldaan aan de verplichtingen uit de rechtsoverweging 3.3 van het vonnis van 13 september 2013. Hij betwist dat hij de brief van het pensioenfonds eerder dan op 9 mei 2015 heeft ontvangen.

3.4.

[gedaagde] stelt dat de volledige dwangsom is verbeurd omdat de brief van het pensioenfonds al eerder dan op 9 mei 2015 door [eiser] is ontvangen. [gedaagde] voert – samengevat – als verweer dat de dwangsommen niet verminderd kunnen worden omdat er geen sprake is van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen. Verder voert [gedaagde] als verweer dat [eiser] niet zou hebben voldaan aan zijn pensioenverplichtingen en daarom het beslag niet mag worden opgeheven.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of de dwangsommen zoals die zijn opgelegd in het vonnis van 13 september 2013 zijn verbeurd en of er aanleiding is om de verbeurde dwangsommen te matigen.

Dwangsom op grond van rechtsoverweging 3.2 van het vonnis van 13 september 2013

4.2.

Het (verstek)vonnis van 13 september 2013 is op 19 september 2013 aan [eiser] betekend. [eiser] moest dus uiterlijk op 26 september 2013 (dit is één week na 19 september 2013) voldoen aan de veroordeling zoals opgenomen onder 3.2.

4.3.

[eiser] heeft op 10 oktober 2013 voor het eerst het pensioenfonds benaderd om de informatie op te vragen waartoe hij was veroordeeld in 3.2 van het vonnis van 13 september 2013. [eiser] heeft dus niet op tijd voldaan aan die veroordeling. Op grond van rechtsoverweging 3.4 van het vonnis van 13 september 2013 is daarom een dwangsom van in totaal € 3.250,- (13 dagen te laat met een dwangsom van € 250,- per dag) verbeurd.

4.4.

Tot matiging van de dwangsom op grond van artikel 611d Rv is exclusief bevoegd de rechter die de dwangsom heeft opgelegd. In dit geval is dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank is om die reden niet bevoegd om over een eventuele matiging op grond van dit artikel in de onderhavige procedure te oordelen.

4.5.

Overigens heeft de voorzieningenrechter in haar vonnis van 1 juli 2015 een matiging op grond van artikel 611d Rv al afgewezen. Er was destijds volgens rechtsoverweging 4.6 van dit vonnis geen aanleiding om aan te nemen dat er een blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid was om aan de veroordelingen in het vonnis te voldoen. Door [eiser] zijn geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat de situatie sindsdien is veranderd, dus een matiging op grond van artikel 611d Rv ligt nog altijd niet voor de hand.

4.6.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding de dwangsom te matigen omdat de incasso van de dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De dwangsom is bedoeld om [eiser] te bewegen tot tijdige nakoming van het vonnis en [eiser] had de dwangsom eenvoudig kunnen voorkomen door direct en uiterlijk binnen een week de informatie bij het pensioenfonds op te vragen. Dat het pensioen waarover informatie moest worden opgevraagd gering is en dat [eiser] een laag inkomen heeft doet niet af aan zijn verantwoordelijkheid om het vonnis tijdig na te komen. Dit geldt ook voor de stelling van [eiser] dat hij nadien alles heeft gedaan om de stukken te verkrijgen. De rechtbank zal daarom de subsidiaire vordering van [eiser] – zoals de rechtbank de vordering begrijpt - een verklaring voor recht dat een dwangsom van € 3.250,- is verbeurd toewijzen.

Dwangsom op grond van rechtsoverweging 3.3 van het vonnis van 13 september 2013

4.7.

Partijen verschillen ook van mening over de vraag of een dwangsom op grond van de veroordeling onder 3.3 van het vonnis van 13 september 2013 is verbeurd.

4.8.

Op grond van dat vonnis had [eiser] de informatie van het pensioenfonds binnen één week na ontvangst ervan moeten doorsturen. Om een dwangsom te verbeuren, is het aan [gedaagde] om te stellen, te onderbouwen en eventueel te bewijzen dat [eiser] de informatie eerder dan op 9 mei 2015 heeft ontvangen. [gedaagde] stelt ter onderbouwing van de verbeurte van de dwangsom niets meer dan dat het ongeloofwaardig zou zijn dat de brieven van zowel 15 januari 2014 als van 15 april 2015 niet of niet tijdig door [eiser] zijn ontvangen en dat uit de brief van 15 april 2015 niet blijkt dat de op 15 januari 2014 door het pensioenfonds verzonden informatie is bijgesloten.

4.9.

[eiser] betwist gemotiveerd dat hij de informatie van het pensioenfonds eerder heeft ontvangen. [eiser] voert daartoe aan dat hij de brief van 15 januari 2014 in het geheel niet heeft ontvangen. Hij ging er destijds vanuit dat de informatie door het pensioenfonds rechtstreeks naar [gedaagde] was gestuurd. Pas toen in april 2015 door [gedaagde] derdenbeslag werd gelegd, is de advocaat van [eiser] navraag bij het pensioenfonds gaan doen. Het pensioenfonds heeft hem alsnog de informatie toegestuurd per brief van 15 april 2015, die op 9 mei 2015 door [eiser] is ontvangen. In het licht van deze gemotiveerde betwisting door [eiser] van de door [gedaagde] gestelde feiten, had het op de weg van [gedaagde] gelegen haar stellingen te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan, is niet komen vast te staan dat de informatie van het pensioenfonds door [eiser] eerder dan op 9 mei 2015 is ontvangen.

Er is dus geen dwangsom op grond van de veroordeling onder 3.3 van het vonnis van 13 september 2013 verbeurd.

Executie en beslag

4.10.

Het inmiddels door [eiser] betaalde bedrag van minimaal € 3.403,43 is hoger dan het bedrag van € 3.250,- dat aan dwangsommen is verbeurd. Om die reden zal de vordering om [gedaagde] te gebieden het beslag op te heffen en de executie te staken worden toegewezen. Het teveel betaalde zal door [gedaagde] aan [eiser] moeten worden terugbetaald.

4.11.

[gedaagde] heeft ter comparitie nog aangevoerd dat [eiser] ook niet zou hebben voldaan aan zijn betalingsverplichting vanwege de pensioenuitkering ter hoogte van € 1.079,- en aan de volledige maandelijkse betalingsverplichting sinds mei 2016. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] dit heeft aangevoerd als verweer tegen de opheffing van het beslag. Omdat het executoriale beslag door [gedaagde] is gelegd op grond van de verbeurte van de dwangsommen en niet vanwege de niet nagekomen betalingsverplichtingen van [eiser] wordt aan dit verweer voorbij gegaan.

4.12.

De door [eiser] gevorderde dwangsom voor opheffing van het beslag en executie zal worden afgewezen nu deze niet is onderbouwd en er ook geen aanleiding is te veronderstellen dat [gedaagde] niet aan de veroordeling zal voldoen.

4.13.

Gelet op de relatie tussen partijen (ex-echtelieden) en het feit dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] een dwangsom heeft verbeurd uit hoofde van het vonnis van 13 september 2013 ter hoogte van € 3.250,-,

5.2.

gebiedt [gedaagde] om verdere executie inzake dwangsommen uit hoofde van het vonnis van 13 september 2013 te staken,

5.3.

gebiedt [gedaagde] om het gelegde executoriale beslag inzake de executie van de dwangsommen voor het vonnis van 13 september 2013 op te heffen,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling aan [eiser] van € 153,43 vermeerderd met het verdere bedrag dat is geïncasseerd boven het bedrag van € 3.403.43,-,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.1

1 2294/3048